+ Meer informatie

Wat betekent de resusfactor bij een zwangerschap?

4 minuten leestijd

Terwijl moeder nog heel beduusd het zojuist geboren roze hoopje mens dat op haar borst ligt, bewondert, kijkt vader toe hoe ik uit de doorgeknipte navelstreng wat bloed in een buisje opvang. „Twee maanden geleden moest mijn vrouw ook bloed laten prikken; hoe zit dat nou ook alweer met die resusfactor?"

Om uit te leggen wat de resusfactor is, moet er even een stukje biologie aan te pas komen. Het bloed van een mens bestaat voor ongeveer 60 procent uit een heldere vloeistof, het bloedplasma, en voor zo'n 40 procent uit rode bloedcellen, die voor zuurstoftransport in het lichaam zorgen. De opbouw van de rode bloedcellen is bepalend voor de bloedgroep van de mens. We kennen hierbij onder andere het ABO-bloedgroepensysteem, dat van belang is bij een bloedtransfusie. Daarnaast kennen we ook de resusfactor. (In 1939 werd deze factor voor het eerst vastgesteld bij de resus-aap; vandaar de naam). Dit is een eiwit dat soms wel op de rode bloedcellen zit, in dat geval is iemand resus-positief Heeft iemand dit eiwit niet op zijn/haar rode bloedcellen zitten, dan is hij/zij resus-negatief Wat erfelijkheid betreft is de resusfactor dominant. Van de blanke bevolking is ongeveer 85 procent resus-positief.
In de zwangerschap kunnen we alleen problemen met de resusfactor verwachten als de moeder resus-negatief is en de baby resus-positief Hoe dat komt? Wanneer resus-positieve rode bloedcellen in het bloed van een resus-negatieve persoon terechtkomen, "herkent" het lichaam van die persoon deze rode bloedcellen als "lichaamsvreemd". Het gevolg is dat het lichaam zogenoemde antistoffen gaat aanmaken, die de vreemde rode bloedcellen gaan afbreken. Wanneer na kortere of langere tijd weer resus-positieve rode bloedcellen in het bloed van dezelfde persoon terechtkomen, zal deze afbraakreactie heftiger zijn.

Afwijkingen
Tijdens de zwangerschap zijn de bloedsomloop van de moeder en die van kind gescheiden. Ook in de placenta kunnen de rode bloedcellen van het kind niet in het bloed van de moeder terechtkomen, en ook omgekeerd. Echter, als de resus-positieve moeder ooit antistoffen tegen de resusfactor heeft aangemaakt, kunnen deze wèl de placenta passeren en de rode bloedcellen van het resus-positieve kind gaan afbreken. Nu is er een situatie waarbij kinderlijke rode bloedcellen toch in het bloed van de moeder terecht kunnen komen en dat is als de placenta gaat loslaten. Dit gebeurt tijdens de bevalling en soms ook bij een miskraam. In 1972 toonde minister Borst-Eilers (jawel, toen nog kinderarts) aan dat bij 40 procent van de bevallingen een zeer kleine hoeveelheid kinderlijk bloed in het bloed van de moeder terechtkomt. Voor het kind dat op dat moment geboren wordt is er geen probleem. Dit komt komt pas bij een volgende zwangerschap, als het kind dan ook resus-positief is. De antistoffen tasten dan de rode bloedcellen aan, met als gevolg in de laatste maanden van de zwangerschap bloedarmoede en andere afwijkingen. Bij daaropvolgende zwangerschappen zijn de afwijkingen vaak nog ernstiger en kunnen ze onbehandeld zelfs dodelijk zijn.

Injectie
Wat kunnen we hiertegen doen? Allereerst wordt in de 32e week van de zwangerschap bij de resus-negatieve moeder bloed afgenomen. Er wordt dan gezocht naar resus-antistoffen. Meestal zullen deze niet aanwezig zijn. Vervolgens wordt na de geboorte de bloedgroep van het kind vastgesteld. Is de baby resus-negatief, dan doen we niets. Is de baby resus-positief, dan krijgt de moeder binnen 48 uur resus-antistoffen (gewonnen uit donor-bloed) ingespoten, die eventuele kinderlijke rode bloedcellen "wegvangen".
In dat geval maakt de moeder zelf geen antistoffen aan, en de "ingespoten" antistoffen verdwijnen na korte tijd weer. Een zelfde injectie wordt ook gegeven na een miskraam. Bij een volgende zwangerschap zijn er dan geen moederlijke antistoffen aanwezig die tot bloedafbraak bij de baby kunnen leiden. Voor de zekerheid controleren we toch in de 32e week opnieuw het moederlijk bloed. Enkele uren na de bevalling is de vader met het buisje bloed op weg naar het ziekenhuis.
Kort daarop krijg ik een telefoontje: de bloedgroep van zoonlief is resus-negatief, dus moeder hoeft geen injectie. Moeder heeft nog een vraag: „Stel dat in de 32e week wel antistoffen in mijn bloed aantoonbaar zijn, wat dan?" In dat geval zou verder onderzoek nodig zijn, onder andere naar de hoeveelheid van deze stoffen, en via echo en vruchtwateronderzoek naar de conditie van het kind. Bij dreigende problemen moet het kind dan zo snel mogelijk, eventueel via een keizersnede, geboren worden en in de couveuse verder worden behandeld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.