+ Meer informatie

Eenheid bij verscheidenheid in eigen kring

18 minuten leestijd

Op uw verzoek hoop ik dit onderwerp voor uw conferentie in te leiden. Reeds eerder sprak ik hierover op de classicale conferentie van ouderlingen en diakenen van „s-Gravenhage. De broeders uit de classis Den Haag zullen dus bekende klanken horen, al heb ik — rekening houdende met de discussie van die avond — mijn opmerkingen hier en daar wat uitgebreid.

Met opzet zeg ik: „mijn opmerkingen”. Het ging binnen de conferentie van Den Haag immers alleen maar om wat inleidende opmerkingen over een zaak, die ons allen wel eens kan aangrijpen. Het ging niet om wat ik die avond te stellen had, maar om wat we met elkaar wilden bespreken. We wilden met elkaar een weg zoeken in een situatie, die soms zo moeilijk en pijnlijk is. Met verdriet hadden we immers geconstateerd — neen, niet dat er in onze kerken nuanceringen zijn. Dat is niet zo erg — maar dat er hier en daar een sfeer heerst in onze Christelijke Gereformeerde Kerken, waarin niet volmondig .,„ja” wordt gezegd op de vraag of we — hoe genuanceerd ook — geestelijk ten diepste toch allen uit dezelfde wortel leven. Hier en daar in onze kerken accep-teren we elkaar niet voluit in vertrouwen en liefde. Hoe deze situatie te doorbreken? Daarover wilden we die avond in Scheveningen met elkaar spreken. Broeders, in de loop der jaren hebben sommige kerkeraden en predikanten het ook wel uitgesproken, dat wij binnen de Christelijke Gereformeerde Kerken niet meer echt één zijn in de waarheid Gods. Zij hebben daar soms — zij het op zeer onkerkelijke wijze — de consequentie uit getrokken. Reeds in april 1950 legde Ds. P. Westerioo te Zwolle zijn ambt neer. In 1952 brak Ds. J.G. van Minnen met ons kerkverband. De bezwaren van beiden cirkelden rond dezelfde zaken, al hadden zij op die zaken een geheel verschillende visie. Enkele kerkeraden hebben we zien vertrekken. Laatstelijk ging Ds. E. Venema te Zwijndrecht met een deel van zijn gemeente.

Zij gingen. Anderen, die niet gingen en tot op vandaag in ons midden verkeren, voelden zich in velerlei opzicht aan hen verwant. Zij stellen in hun hart ook de vraag: Zijn we nog wel één?

En nu moet ik vandaag dus voor de tweede maal spreken over het onderwerp „enheid bij verscheidenheid in eigen kring”. En net als in Scheveningen heeft ook vandaag het voorbereidende comité mij niet gevraagd daar een vraagteken achter te zetten. Ik krijg dus de indruk, dat u er van uitgegaan bent, dat die eenheid er toch is binnen onze kerken! Bij alle verscheidenheid, die er overigens mag zijn. En daar nu sluit ik mij helemaal bij aan. Want hoewel wantrouwen binnen de kerk een lelijk ding is! Hoewel dit wantrouwen op een gegeven moment de eenheid wel kapot kan maken! Toch ben ik van mening, dat we elkaar binnen de kerken niet behoeven te wantrouwen en dat de verscheidenheid, die er is, de eenheid der kerken niet behoeft aan te tasten.

En dan ga ik de dingen, die aan de orde zijn, heus niet bagatelliseren. Want al zou je dan kunnen zeggen, dat we niet uit elkaar gaan op het punt van de leer der kerk, het is toch inderdaad geen geringe zaak, dat we elkaar wel eens wat argwanend bejegenen als het aankomt op de beleving van die leer. Toen we belijdenis deden, hebben we allen „de waarheid Gods, die geopenbaard is in het oude- en nieuwe testament en die beleden wordt in de artikelen van het christelijk geloof en in de christelijke kerk alhier geleerd wordt”, aanvaard als de waarachtige en volkomen leer der zaligheid. Als we kinderen lieten dopen, hebben we dit eigenlijk nog een keer uitgesproken. Toen we in het ambt bevestigd werden, nog eens. We hebben toen zelfs onze handtekening onder de belijdenis der kerken gezet. En toch, wanneer de beleving van die belijdenis aan de orde komt, is er wel eens onderling wantrouwen. Als aan de orde komt de beleving van de leer in het hart: denk aan de toe-eigening van het heil! En als aan de orde komt de beleving van de leer in het leven van elke dag: onze openbaring als christenen in het midden van de wereld. Dat zijn geen kleine zaken. En zeker een christelijke gereformeerd predikant mag dit alles niet bagatelliseren. Want in onze samensprekingen met andere kerkgroeperingen zeggen we het toch steeds: Ja, we hebben wel dezelfde papieren, dezelfde belijdenisgeschriften maar functioneren die belijdenisgeschriften bij u wel zuiver naar hun inhoud en hun bedoelen? We zijn misschien wel één in de leer, maar zijn we ook één in de beleving van de leer? Nu, dan is het zeker geen kleine zaak, als we binnen eigen kerken elkaar ook al argwanend dergelijke vragen gaan stellen.

U weet wel hoe het wantrouwen soms openbaar komt. Ik noemde die twee punten: de beleving in het hart en de beleving in de practijk van elke dag. Om bij het eerste te beginnen; dan wordt de vraag gesteld of in prediking en catechese wel steeds op de juiste wijze de beleving van verkiezing en verbond uitkomt. Men vraagt argwanend: Wordt God de HEERE wel als de God der verkiezing gepredikt? Want je mag dan de verbondsbeloften prediken. En dat mag je misschien nog heel ernstig doen ook. Je mag dan leven en dood voorstellen; Christus als de inhoud van de belofte prediken. Je mag er dan op

585 wijzen, hoe noodzakelijk deze Christus is. Je mag dan benadrukken, dat het gaat om een persoonlijke band met deze Heere Jezus. En dat de kracht van de belofte slechts in de weg van het geloof wordt gekend. Maar vraagt men: Komt bij dit alles wel voldoende uit, dat dit geloof het werk is van God alleen? Dat Hij het is, die in deze weg Zijn welbehagen uitwerkt in ons leven? Wordt dat niet te veel gemist in de prediking? En wordt wel duidelijk aangewezen hoe hoe — God door Zijn Woord en Geest in onze harten triomfeert? Worden er op dit punt geen zielen misleid? En zit het eigenlijk wel helemaal goed met de pastorale leiding rond b.v. het Heilig Avondmaal?

En dan het tweede punt: de beleving elke dag. Wordt niet geklaagd, dat de wereld de kerk binnendringt? En dat er in de kerk zo’n grote zucht is naar nieuwe dingen? Is het geen teken van geestelijke bloedarmoede, dat men nu ineens anders wil zingen? Dat men een nieuwe vertaling wil gebruiken? Dat men mogelijkheden ziet in de televisie? Denk aan de deining rond het T.V. besluit van onze laatste Generale Synode!

Op deze punten komt het wantrouwen openbaar. Dat is erg. En toch ben ik blij, dat u mij hebt gevraagd, om — zonder er een vraagteken achter te zetten — te spreken over„ é nheid bij verscheidenheid”.

Want ik ben van mening, dat voor wantrouwen geen reden aanwezig is. Met dit te zeggen ben ik natuurlijk niet klaar. Sommigen van u zeggen wellicht: En toch hebben wij de indruk, dat er niet slechts accentsverschillen maar wezenlijke verschillen onder ons zijn.

Dan zeg ik: Natuurlijk, wanneer men zich met de eigen opvattingen isoleert en deze gaat verabsoluteren, dan weet men op het laatst niet meer waar men nog eens terecht zal komen. Maar dan is dat omdat we niet meer aanvaarden de bevruchtende inwerking, die op ons eigen geestelijk leven en op onze eigen gedachtengang kan uitgaan van het met-elkaar-samenleven in de kerk.

Want op grond van de Schrift is het zelfs te verwachten, dat er een zekere verscheidenheid binnen de kerk zal zijn. Ik mag wijzen op, wat enkele jaren geleden in uw conferentie aan de orde is geweest. Dr. W.H. Velema heeft er toen op gewezen, hoe in de brieven van Paulus sterk naar voren komt het beeld van het lichaam. De gelovigen zijn het lichaam van Christus. Dr. Velema legde er de nadruk op, dat we dit beeld, dat de Schrift dus gebruikt voor de kerk, zeker niet mogen verwaarlozen. En dat we er in onze gesprekken steeds weer van moeten uitgaan.

Inderdaad, als we vergeten, dat de kerk van Christus het lichaam van Christus is, dan kan het binnen de kerk komen tot allerlei nare tegenstellingen. Maar wanneer de gedachte van het „lichaam” ons goed duidelijk is, behoeft het m de kerk niet te botsen. Lees 1 Corinthe 12 : 12-21 .. .

De gelovigen zijn allen en een ieder leden van het lichaam. En in een lichaam heett elk lid zijn eigen plaats en eigen functie. En zoals bij het menselijke lichaam geen lid kan worden gemist, zo ook in het kerkelijke lichaam niet. We hebben elkaar nodig en zijn onderling van elkaar afhankelijk. Want levende uit het Hoofd Christus mogen allen gedrenkt worden met één Geest: Allen, maar tezamen! Niet één alleen bezit de volheid van de Geest. Niet één alleen vormt de volheid van het lichaam. Tezamen zijn zij het lichaam. En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet nodig.

Tezamen vormen de leden een goed functionerend lichaam. Tezamen! Dat geldt voor alles. Dr. Velema heeft dit vooral uitgewerkt t.a.v. de functionering van de ambten bij de groei van het lichaam. Maar dit geldt ook, als het gaat om het kennen van de waarheid Gods. De waarheid Gods, waar de Heilige Geest ons in leidt, mogen we tezamen leren verstaan.

De waarheid Gods is een diamant met veel facetten. Christus is de parel van grote waarde, die schittert naar vele kanten. Alle facetten gaan niet ineens voor een mens open. De Heilige Geest laat wel alle facetten der waarheid schitteren, maar in het midden van de gemeente, aan alle leden gezamenlijk. En dan mogen we — als leden — elkaar bij de hand nemen en aan elkaar laten zien, hoe de Heilige Geest de diamant voor mij liet schitteren. Zo mogen we gezamenlijk ingeleid worden in de Waarheid Gods. God de Heilige Geest gebruikt mijn broeder om mij te onderwijzen. En mij om mijn zuster te helpen.

Mij treft altijd weer het gebed van Paulus in Efeze 3 : 14-21. Paulus bidt, dat de Efeziers „samen met alle „heiligen” mogen vatten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is. Dat ze zo mogen kennen de liefde van Christus en vervuld mogen worden tot alle volheid Gods.

In dit alles ligt opgesloten, dat de kerk een duidelijke verscheidenheid zal kennen. Een verscheidenheid, die echter een machtige eenheid is, want de verscheidenheid bevordert juist de eenheid. Uit hetzelfde Hoofd, door dezelfde Geest, terwijl we elkaar tot een hand en een voet zijn, groeien we allen en een ieder naar de volle kennis van de Zoon van God.

Zo mag het in de kerk zijn: een verscheidenheid, die dienstbaar is aan de eenheid. Broeders, u hebt dat toch wel eens op huisbezoek mogen merken? U ging na afloop weer naar huis met de gedachte: Misschien heeft dit gezin iets mogen ontvangen door ons, maar wij hebben in elk geval iets mogen ontvangen door hen. Wat kan het ook goed zijn om, zoals we begonnen zijn in de classis Den Haag op initiatief van Leiden, op onze kerkelijke vergaderingen eens een pastorale inleiding te houden. Zo kunnen we elkaar opbouwen. Als het in onze kerken hier en daar in de onderlinge verhoudingen is gaan vriezen, komt dit misschien omdat we toch te veel uit het oog verloren hebben het bijbelse beeld van het lichaam, waarin elk der leden zijn eigen functie heeft in de opbouw van het geheel? Wanneer ik het oog ben, dien ik te beseffen, dat het lichaam meer is dan het oog alleen, d.w.z. ik heb de broeders nodig en mag nooit denken, dat ik aan mijzelf genoeg heb.

De verscheidenheid openbaart zich vaak in de wijze, waarop God mij Zijn wegen leert. B.v. de HERE heeft mij leren zien, dat het alles verkiezing is. Het is alles genade. Aan mijn kant was het een afgesneden zaak, maar verkiezend — souverein en vrij — daalde Hij in mijn leven neer. Nu klinkt het lied der verkiezing in mij: Het is alles uw werk! Het ligt alles vast in u!

Het kan ook zijn, dat mijn ogen geopend zijn voor Gods rijke verbondsbeloften, waarmee ik ben werkzaam geworden.

Maar nu oppassen! Laat bij de één het lied der verkiezing niet verschralen tot een. .. verkiezingsysteem, waarmee hij ieder te lijf gaat, die maar het woord „Verbond” of „Doop” op de lippen neemt En laat de ander goed zien, dat verbond en doop juist de weg zijn waarlangs de verkiezende God in mijn leven komt Juist in de weg van geloofswerkzaamheid met de verbondsbeloften heb ik het te leren „Het hangt niet daarvan af of iemand wil dan wel of iemand loopt, maar van God die zich ontfermt” Juist m die beloften, m dat verbond dien ik steeds meer het wonder van de verkiezing te gaan beleven In liefde kunnen we elkaar m deze zaken tot oog, hand en voet zijn

Maar wee mij als ik bepaalde facetten der waarheid ga verabsoluteren Als ik b v verkiezing en verbond tegen elkaar ga uitspelen, of wet en evangelie, of ellende, verlossing en dankbaarheid Wee mij, als ik dan individualistisch genoeg heb aan mijn eigen opvatting, en dus niet meer besef, dat het lichaam niet alleen maar oog is of alleen maar oor Wee mij, als ik vergeet, dat er ook nog handen en voeten zijn Dan ben ik een splijtzwam m de gemeente des Heien Dan moet mijn haan konmg kraaien Dan sta ik niet meer open voor de ander Dan versta ik Gods methode niet Hij wil immers, dat we elkaar dienen en verrijken Samen luisteren naar het Woord van God Zo wil de Geest onder ons werken

Het gevaar, dat we dit vergeten, is helaas altijd aanwezig We beleven het nog zo weinig dat we met elkaar „lichaam‘ zijn Er is nog zoveel eigengerechtig held en zelfgenoegzaamheid, die we allemaal telkens vooi onze God moeten belijden We veroordelen elkaar nog zo gemakkelijk Maar we veroordelen onszelf veel te weinig m het licht van Chiistus

We zoeken het dan bij enkele gelijkgestemde zielen, als ik die tenminste nog kan vinden, want de individualist isoleert zichzelf steeds meer De individualist houdt straks helemaal geen broeders meer over De individualist wantrouwt de ander Is dat wel een echt lid van het lichaam’^ Is dat wel een echte hand een echte voef Dan kunnen we soms zo hard over elkaar spreken

We plakken dan zo gemakkelijk etiketten op predikanten Die dominee” Dat is er één, die de breuk van de dochter mijns volks op ’t lichtst wil genezen HIJ spreekt van vrede vrede, terwijl er geen vrede is Of die” Die is me te zwaar Die IS eigenlijk oud gereformeerd

O dat individualisme” Wat hebben juist onze kerken daaronder geleden” Ik denk aan gebeurtenissen m de vorige eeuw Door zijn eigenaardig individualis me heeft Ds Ledtboei zich geïsoleerd En ds Buddingh” Zelfs de begaafde Ds H P Scholte Ja, dat zijn allemaal predikanten Want het is niet te ontkennen, dat dit individualisme als het dienaren des Woords aantast, het ge vaarlijkst is Predikanten kunnen hele gemeenten meeslepen m het isolement en schade berokkenen aan de kudde door hun eigen eenzijdigheden

Wat tiagisch bv die verwijdering tussen de Cock en Scholte” Het was tussen die twee zo mooi begonnen Toen het duidelijk werd, dat het voor hen beiden wel eens zou kunnen komen tot een verlaten van de Hervormde Kerk, sloten zij op zondag 12 October 1834 na een prediking van Scholte een verbond Later schrijven zij op de Synode van 1836 nog een heerlijke vnendschapsbetuiging m eikaars album De Cock herinnert daarbij aan het verbond tussen David en Jonathan Scholte breekt volgens de gewoonte van die romantische tijd m dichtregelen uit

„Worde eens ’t gemaakt verbond steeds vaster onder ’t kruis,

Schoon ook de macht der hel ons lichaam dreigt te slopen.

Zoo maar de Heer ons steeds met vuur en Geest wil doopen.

Tot roem van Sions God voleind in ’s Vaders huis.”

Schone woorden, maar helaas werd het gemaakt verbond niet steeds vaster onder het kruis. Daarbij heeft bij de Cock in later jaren wel enig wantrouwen meegesproken (De Cock heeft dit zelf erkend). Maar het kwaad werd toch vooral gesticht door Scholte’s drijven met betrekking tot verbond en doop. Hierdoor werd niet alleen hun beider vriendschap vertroebeld, maar in 1837 ook de kerk gescheurd. Tot 1869 toe heeft de kerk der afscheiding gezucht onder de scheur, die mede door Scholte is veroorzaakt. O, dat individualisme!

Later heeft het individualisme ook nog een grote rol gespeeld in de strijd tussen de z.g. Drenthse en Gelderse richting. De strijd tussen vooral Joffes en Brummelkamp. Joffers en de Drenthen dachten eenzijdig vanuit de verkiezing en hadden een groot bezwaar tegen de ruime evangelieverkondiging van Brummelkamp. Wat heeft de actie van Joffers in zijn blad „D`e Wachterstem” tegen Brummelkamp de sfeer in de kerken jarenlang vertroebeld! Zeker tot 1866 toe. Synoden deden wijze uitspraken: Laat ieder zich houden aan de taal van de belijdenis. Maar het duurde lang voordat men deze vermaning ter harte nam. Belangrijk was in 1854 de benoeming van Brummelkamp, van Velzen, de Haan en Helenius de Cock tot docenten aan de toen opgerichte Theologische School te Kampen. De verscheidenheid, die er binnen de kerken was, was in dit viertal wel vertegenwoordigd. Zo was de docentenbenoeming eigenlijk een getuigenis voor het forum van de kerken, dat we elkaar als leden van hetzelfde lichaam nodig hebben; dat we elkaar moeten aanvullen, zo nodig in liefde corrigeren. Helenius de Cock was daarbij de man, die steeds weer aandacht vroeg voor de belijdenis, voor de drie Formulieren van Enigheid. Tot de bloei van de Christelijke Gereformeerde Kerk na 1869 heeft vooral meegewerkt, dat men inderdaad steeds meer de taal van de Schrift en de Belijdenis leerde spreken. De eigen stokpaardjes bleven wat meer op stal.

Hier moet ook W.H. Gispen genoemd worden; de man, die als kruisdominee begon, maar reeds jaren vóór de vereniging van 1869 met zijn gemeente Vlissingen zich verenigde met de Chr. Afgescheidenen. Een man, die bijzaken van hoofdzaken wist te onderscheiden. Mild door zijn humor. De broeder gaarne aanvaarden. Bereid van de ander te leren. Het is van betekenis geweest, dat Gispen verschillende jaren predikant in Kampen was. Hij had zeker invloed bij de studenten, onder wie de verscheidenheid vanzelfsprekend ruim vertegenwoordigd was.

Ik sprak van wijze beslissingen, genomen door synoden der Chr. Ger. Kerk in de vorige eeuw. Ja, meerdere vergaderingen kunnen dus op dit punt van betekenis zijn. Al vind ik openheid en gesprek binnen de kerkeraad nog veel belangrijker. Op de kerkeraad zitten de predikant, de ouderlingen en de diakenen bij elkaar om de zaken van de gemeente te behartigen. Ook de kerkeraden vertonen in hun samenstelling vaak de verscheidenheid, die er in het geheel van onze kerken is. Wat zou het fijn zijn, als in elke kerkeraadsvergadering steeds werd beseft:

De kerk is een lichaam! Daar horen ogen bij, maar ook handen en voeten. Laten we binnen de kerkeraad open staan voor elkaar, luisteren naar elkaar, elkaar opbouwen. Laten we met elkaar in liefde spreken over de geestelijke leiding, die de gemeente nodig heeft. De bijbel open en de belijdenis open! Neen, niet elkaar ongezouten de waarheid zeggen! Onze woorden zullen steeds met het zout van de liefde besprengd moeten zijn. Nauwgezet zullen we er voor moeten waken de broeder niet te kwetsen. Elkaar zo nodig in liefde corrigeren. Zo wordt een kerkeraad een goed team. Tot heil van de gemeente en tot voorbeeld van de gemeente. Laat ook de predikant beseffen, dat hij alleen met al de heiligen kan vatten hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is. Laat ook de predikant zijn winst doen met, wat vanuit de Schrift en vanuit de belijdenis hem wordt voorgehouden. Zo bouwen we elkaar binnen de kerkeraad en de gemeente op in de kennis van Christus.

Zo zullen we ons ook niet isoleren van andere kerkeraden en gemeenten in onze kerken. We zullen geen stemmii 3 kweken tegen elkaar in de kerken. Wat kunnen landelijke en vooral classicale ouderlingen- en diakenenconferenties belangrijk zijn om elkaar echt te leren kennen en te leren waarderen als leden van hetzelfde lichaam.

Broeders, laat ons kerkelijk leven, plaatselijk en landelijk, geen monoloog zijn. Laten we niet alleen naar onszelf luisteren. Laat het een dialoog mogen zijn. Laten we naar elkaar luisteren. Bij een monoloog gaan de harten voor elkaar dicht. Dat ziet u overal. Tot in uw eigen gezin toe. Waar niet echt de openheid is voor elkaar, daar leeft men tenslotte langs elkaar heen. Met elkaar bidden en met elkaar spreken om met elkaar het wonder van Gods waarheid te verte kunnen waarnemen opstaan! Om samen vervuld te worden tot alle volheid Gods!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.