+ Meer informatie

Ik kan het niet, ik durf het best...

6 minuten leestijd

Wat is dat toch? Waar het éne kind erg van geniet, heeft een ander kind het lef niet voor. De een stapt overal zo op af en de ander loopt voor elk probleem een straatje om. De een denkt: „Ja, dat kan ik wel, het lukt me wel, het is mooiwat ik gemaakt heb." De ander reageert met: „Ik vind mijn tekening lelijk, ze vinden mij toch niet aardig, ik ben ook niet aardig." Eigenwaarde en zelfvertrouwen zijn woorden die deze problematiek aanduiden. Hoe verwerft een kind zelfvertrouwen? Hoe krijgt een kind eigenwaarde? En wat doe je er alsopvoeder aan als hierin iets mis blijkt te zijn?

Erik Erikson, een Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog, zette in zijn theorie uiteen dat een kind van jongsaf als het ware bouwt aan zijn zelfbeeld. In elke levensperiode maakt een kind een korte crisis door, en dat levert een bouwsteen op in positieve of negatieve zin. De houding van de opvoeder is daarbij zeker van invloed. In een korte bespreking schetsen we de vier bouwstenen die een kind moet verwerven voor zijn twaalfde jaar, als fundament voor de verdere ontwikkeling van de persoonlijkheid.

1. VERTROUWEN
„Ik voel me veilig, ook in mijn bedje en box." Voor zuigelingen is het belangrijk dat er in het contact met de omgeving een bepaald vertrouwen ontstaat. Een baby die lekker drinkt en met ontspannen ingewanden rustig slaapt, ontwikkelt een zogenaamd basisvertrouwen. Dat gaat niet altijd vanzelf Soms brengt zo'n klein lief baby'tje een of meer grote zorgen met zich mee. Het kan heel moeilijk zijn voor ouders om zelfvertrouwen uit te stralen bij een voortdurend huilend kind. Toch heeft een kind het nodig dat er een zeker ritme ontstaat, waarin de liefde, de warmte en het vertrouwen wordt ervaren waarmee de opvoeder het omringt. Bi] het ontstaan van die regelmaat is het belangrijk dat de ouders de leiding hebben, dat geeft het kind een stukje zekerheid en rust. Wanneer alleen het kind aangeeft wanneer het slapen wil en wanneer het wordt gevoed, kan een gevoel van onrust en wantrouwen ontstaan in het contact met de omgeving.

2. AUTONOMIE
„Ik ben ook iemand, ze vinden me lief, maar ik mag niet alles..." Een peuter van twee, drie jaar moet het verworven basisvertrouwen verder ontwikkelen. Het hoeft zich er niet voor te schamen dat hij er is, en hoeft niet weg te kruipen achter moeders rokken. In deze periode moet juist een bepaalde schaamte worden overwonnen. Hij of zij mag leren om te voorschijn te komen als Jaap of Josine, met een eigen naam en een eigen wil. Maar tegelijkertijd moet aan die eigen wil ook paal en perk worden gesteld. Regels en grenzen worden in deze periode aangeleerd. „Nee, niet aan de plant komen! Pas op!" Het kan heel vermoeiend zijn om dit consequent aan te leren, maar de beloning is wel een kind dat grenzen heeft geleerd en weet waar het aan toe is. Op een gegeven moment, als een kind een beetje begrijpt waar het om gaat, komt het potje te voorschijn. De sfeer waarin het zindelijk worden verloopt, heeft zeker invloed op het denken van het kind over zichzelf Als vader en moeder trots zijn op een kind dat het potje vult, merkt een kind dat hij of zij in staat is om de ouders blij te maken.

3. INITIATIEF
„Ik ga een hut bouwen en ik word later brandweerman." Drie-, vier-, vijf- en zesjarigen kenmerken zich door initiatief Ze willen van alles ondernemen, maken plannen en hebben ideeën. Het is goed om hen daarin te stimuleren. Als er ruimte is om de initiatieven te ontplooien, behoeden we het kind voor schuldgevoelens over zijn activiteiten en het eigen ik. Wanneer ze merken dat papa en mama het leuk vinden en belangstelling hebben voor hun spel, zullen ze steeds meer bedenken en doen. Het gevoel dat hun inbreng ook belangrijk en de moeite waard is, zal prettig voor hen zijn. Een open oor en oog, een stimulerende hand en een prijzend woord kunnen veel goed doen. Het kan wel eens ontmoedigend zijn voor mama, als het bed overhoop ligt en omgebouwd is tot boot en alle kleren erom heen verspreid liggen als vissen, maar het is wel leuk bedacht... Kinderen vragen daarin ook om begeleiding, soms willen ze meer dan kan.

4. PRODUCTIVITEIT
„Ik kan goed rekenen, maar taal vind ik moeilijk." In de leeftijd van 6 tot 12 jaar leert een kind meer over de eigen mogelijkheden en onmogelijkheden. Deze periode staat volop in het teken van leren en een product afleveren. De beoordeling daarvan staat zwart op wit in het rapport. Het kan heel moeilijk zijn voor een kind wanneer het voor een bepaald vak steeds een onvoldoende haalt. Toch moet het kind leren dat ieder eigen gaven heeft gekregen. God gaf ze in Zijn wijsheid. Kinderen die de leervakken op school moeilijk vinden, zijn misschien erg handig, sportief of sociaal, ook waardevolle eigenschappen. Kinderen kiezen vaak een van de kinderen uit de klas of het gezin als model. Zo willen ze ook zijn, zo goed moeten ze het ook kunnen. Het is belangrijk om erachter te komen met wie een kind zich meet. Soms kiest een kind een te hoog ideaal, waardoor het steeds een negatieve ervaring opdoet, omdat zijn cijfer toch weer lager is dan dat van Jan. Het is goed om hierover met het kind in gesprek te gaan. In deze fase is het ook belangrijk dat een kind in staat is om te investeren in vriendschappen. Vanuit het gezin moet duidelijk worden welke eigen aardigheid van het kind wordt gewaardeerd, en welke taken van hem of haar worden verwacht. Rondom het twaalfde levensjaar is het belangrijk dat een kind met vreugde redelijk zelfstandig zijn dagelijkse beslommeringen aankan.

==

Tips
Geef het kind jong eigen verantwoordelijkheid. Er is altijd wel een taak te bedenken die bij de leeftijd van het kind past. Bijvoorbeeld: Het hele gezin zit aan tafel rondom het gourmetstel. Loesje (4) is nog te klein om vlees te bakken in een pannetje. Zij zit bij de schaaltjes rauwkost. Haar taak is om de gezinsleden van champions, uien en paprika te voorzien.

Komt een kind met een initiatief dat op dat moment niet uitgevoerd kan worden, leg dan uit waarom dat nu niet kan en probeer samen iets anders te bedenken. Een andere mogelijkheid is om een tijdstip af te spreken waarop het wel kan, en het dan echt door te laten gaan.

Als een kind zich niet goed gedraagt en straf verdient, wijs dan het gedrag van het kind af, maar niet het kind."

Wanneer u signaleert dat het kind niet positief over zichzelf denkt, probeer er dan achter te komen waarom het kind die gedachte heeft. Accepteer dat het kind zich hierover uitspreekt. Probeer met het kind naar duidelijke voorbeelden te zoeken, waaruit positieve eigenschappen blijken.

Wees voorzichtig met begrippen als zondig en slecht naar de kinderen toe in de opvoedingsrelatie. Het zijn begrippen die passen binnen de godsdienstige opvoeding en die in relatie met de bijbelse boodschap aan de orde moeten komen. Opvoeders en kinderen zijn zondige mensen, die de opdracht hebben gekregen God lief te hebben boven alles en onze naaste (ons kind) als onszelf.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.