+ Meer informatie

DE GEESTELIJKE ORDE VAN ARTIKEL 30

10 minuten leestijd

Praktische oplossingen of principiële lijnen

Er zijn verschijnselen die erop wijzen, dat bij de gedachtenwisseling over wat princi-pieel gezien juist is en wat praktisch gezien bereikbaar lijkt, het praktische de voorkeur krijgt.

Vrij willekeurig geef ik enkele voorbeelden.

Het beroepingswerk is en blijft een moeilijk en verantwoordelijk werk. Allerlei overwe-gingen komen bij de bespreking in de kerkeraad naar voren. Dan wordt de opmerking gemaakt, dat men uit contacten en gesprekken zou kunnen afleiden, dat men bij het beroepen van ds. A. kans heeft dat hij komt. En ds. A. wordt bij enkelvoudige kandi-daatstelling beroepen.

In gemeente B. is het niet gemakkelijk voldoende ambtsdragers te vinden. De vacatures moeten toch vervuld worden! Nu gaat men bij bepaalde personen informeren of zij in aanmerking willen komen voor het ambt. Blijkt die bereidheid te bestaan, dan is de vraag of de vereiste bekwaamheid er is, niet zo gewichtig meer.

Wie het ambt geheel in het verlengde ziet liggen van de gaven die er in de gemeente zijn, kan wensen dat de verscheidenheid van gaven die er bij mannen en vrouwen, ouderen en jongeren is, ook weerspiegeld wordt in de leiding van de gemeente. Waarom geen vrouwen in het ambt? Waarom geen inspraak van jongeren? Waarom geen werk-groepen van gemeenteleden die een deel van het werk van de kerkeraad overnemen? Daarvoor gaan in C. stemmen op.

Sinds kort schijnt er een praktische oplossing te bestaan voor kerken die te groot zijn geworden voor één predikant: het benoemen van een pastoraal medewerker of mede-werkster. In D. is men met deze nieuwe mogelijkheid zo ingenomen,dat de principiële vragen met betrekking tot de positie van deze functionaris op de achtergrond zijn ge-raakt.

In de vakantie worden in E. om praktische redenen gemeenschappelijke diensten ge-houden met de Ned. Ger. Kerk. Anders zouden er enkele leesdiensten moeten zijn. Over de wijze waarop het gestalte geven aan eenheid met kerken van gereformeerd be-lijden (bijlage 9 uit onze Kerkorde, uitgave 1979) soms wordt toegepast, zou nog wel meer te zeggen zijn, maar het is al meteen de vraag, of de regels die daarvoor gegeven zijn, zo bedoeld zijn dat er ruimte is voor gemeenschappelijke diensten.

Het ene punt is minder belangrijk dan het andere. Maar waarschijnlijk is er de laatste jaren een sterker wordende tendens om de vraagstukken praktisch te benaderen.

Wat we afspreken en besluiten, moet ook inderdaad voldoen in de praktijk van het kerkelijk leven van 1982. Dat is echter niet het enige en zelfs niet het eerste.

Juist bij het ambt luistert het nauw. Wij hebben een zuiver principieel uitgangspunt. Wij maken als kerkeraad en als gemeente niet met elkaar uit, hoe alles moet toegaan. Wat het Woord van God zegt, is beslissend.

Onze Ned. Geloofsbelijdenis brengt dat in art. 30 tot uitdrukking door te zeggen, dat er dienaren of herders moeten zijn en opzieners en diakenen: drie ambten. Dat be-hoort tot de geestelijke orde, die onze Here ons in Zijn Woord geleerd heeft.

In de uit de zestiende en zeventiende eeuw overgeleverde tekst van de belijdenis staat „geestelijke politie”. Niemand zal ervoor pleiten dat onveranderd te laten, nu het woord „politie” aan iets anders doet denken. In de Franse tekst van de confessie is „police” de aanduiding van een regeling voor het bestuur. In de weergave in heden-daagse Nederlands (1971) is het geworden: orde.

Het komt er niet allereerst op aan, dat er in de kerk orde zal zijn, maar dat het de geestelijke orde zal zijn die in overeenstemming is met de Heilige Schrift.

Opvattingen die met de geestelijke orde in strijd zijn

Het hangt samen met de opstelling van onze belijdenis in de tijd van het grote conflict, dat de tegenstelling tot wat Rome leert, zo duidelijk uitkomt in de artikelen over de kerk.

Rome houdt er een kerkelijke orde op na die niet berust op het Woord van God. Om die orde te handhaven moet men zich op de traditie beroepen. Anders stort alles in elkaar: de hiërarchie die haar toppunt heeft in de paus als plaatsbekleder van Christus, de sacramentele wijding van de ambtsdragers, het celibaat van de geestelijken, alles.

In de tijd van de Reformatie is met de aanvaarding van de geestelijke orde die naar de Schrift is, ook positie gekozen tegenover de spiritualisten.

Die naam legt verband met de Geest. Daarvan uitgaande zou men een geestelijke orde verwachten. Het is evenwel een feit dat het vroegere en latere spiritualisme de gehele orde van de kerk en alles wat op kerkelijke organisatie lijkt, van weinig of geen beteke-nis acht of er afwijzend tegenover staat. Het heet bij deze stroming altijd weer, dat de Geest in de vrijheid stelt. Als reformatorische christenen moeten wij echter volhouden dat de Heilige Geest ons bindt aan het Woord van God.

Het rooms-katholicisme is nog altijd een geweidige macht in de wereld. Met het spiri-tualisme hebben we telkens weer te maken, want het komt ook in nieuwe vormen voor.

Daarom blijft de wijze waarop in art. 30 over de geestelijke orde gesproken wordt, actueel.

Daar komt bij, dat we nu ook voor deze orde moeten opkomen tegenover een richting die het pleit voert voor een functional istisch ambtsbegrip.

Er bestaat een rapport over het ambt door dr. H. Berkhof in opdracht van de synode van de Ned. Herv. Kerk geschreven: Wat is er aan de hand met het ambt? Het ver-scheen in 1970.

De achtergrond is niet alleen de oecumenische kwestie, maar ook het huidige streven naar democratisering en vernieuwing van structuren. Velen zijn zich gaan afvragen of de klassieke ambten nog wel dienen kunnen om in de hedendaagse samenleving de christelijke gemeenschap te bouwen en haar dienstbaar te doen zijn aan haar opdracht in de wereld (Woord vooraf).

Ambten zijn volgens het studierapport zelf: binnen een christelijke kerkgemeenschap algemeen erkende functies die het heil van Christus representeren en vertolken. Daar-door wordt de kerk met gezag bepaald bij Zijn genade en bedoelingen.

Men moet het Schriftgezag niet voorschrijvend of beperkend opvatten, zoals dat al te lang gebeurd is. Vanuit het evangelie is „op andere plaatsen en in andere tijden in de vrijheid des Geestes te zoeken naar die ambtelijke uitdrukkingen die de voortgang van het Woord en de opbouw der gemeente het best kunnen dienen”.

Met dit rapport stemt ook in de Ned. Herv. Kerk lang niet iedereen in. Niet voor niets is er scherp tegen ingegaan. Als de Bijbel in de kerk minder te zeggen heeft, krijgen de sociologen meer te verteilen. Dat is te constateren.

Hier wordt het de beslissende vraag, waarmee naar het inzicht van mensen van deze tijd de voortgang van het Woord en de opbouw van de gemeente het best gediend is.

Hoe praktisch dat ook lijkt en hoe mooi de woorden over de vrijheid van de Geest ook klinken, het is geheel in strijd met het beginsel van de geestelijke orde die onze Here ons in Zijn Woord geleerd heeft. Wij moeten blijven vragen, hoe Hij het hebben wil.

Een orde voor alle tijden

Als wij vasthouden aan wat in art. 30 wordt uitgesproken, betekent dat, dat wij in de kerken zomaar geen andere funeties of andere structuren kunnen creëren, waarin meer perspectief schijnt te zitten. De vragen van vandaag geven wel aanleiding tot nieuwe bezinning, want niet bij alles wat aan de orde gesteld wordt, kunnen wij direct naar Schriftwoorden verwijzen.

We erkennen ook, dat het minder eenvoudig is de bijbelse gegevens samen te vatten dan men vroeger gedacht heeft. Dr. O. Noordmans schreef eens: „Men kan maar niet een wandeling gaan maken door de gemeenten, een paar tientallen jaren na Jezus’ hemelvaart, en dan verslag uitbrengen van wat men gezien heeft. Op deze manier bijv.: In Jeruzalem heb ik ouderlingen gezien en in Filippi een opziener en diakenen enz., en nu weten wij genoeg om een kerkorde samen te stellen”.

Er heeft in de nieuwtestamentische tijd een ontwikkeling plaatsgevonden. Eerst was alles nog in wording.

We zien dat voor ons, als wij het boek Handelingen lezen. Het gaat van Hand. 2, het hoofdstuk waarin vooral Petrus op de voorgrond treedt, naar Hand. 15 - de apostelen met de oudsten te Jeruzalem - en van Hand. 15 naar Hand. 20, het gedeelte waarin Paulus tot de oudsten van de gemeente Efeze zegt: Ziet dan toe op uzelf en op de ge-hele kudde, waarover de Heilige Geest u tot opzieners gesteld heeft om de gemeente Gods te weiden.

Er is ook een lijn te trekken van de aanduiding „die onder u zich moeite getroosten, die u leiden in de Here en u terechtwijzen” (in 1 Thess. 5, d.w.z. in een van de oudste brieven van Paulus) naar de opzieners of oudsten en diakenen uit de latere brieven - we denken aan 1 Tim. 3 en Titus 1. Een belangrijke plaats is 1 Tim. 5 : 17, waareen onderscheid gemaakt wordt dat in de gereformeerde traditie doorwerkt. Onder de oudsten of ouderlingen zijn er die zich belasten met prediking en onderricht.

De brieven aan Timotheüs en Titus zijn aan ambtsdragers gericht en geven aanwijzin-gen voor de ambtspraktijk in de kerk van Jezus Christus voor alle tijden en plaatsen (dr. A. D. R.Polman).

Het is onjuist aan te nemen, dat deze voorschriften en instructies gebonden zijn aan een bepaalde tijd en dat de kerk daarvan wel mag afwijken, als de omstandigheden anders zijn geworden.

De gemeente wordt door Christus geregeerd. Hij vergadert haar, Hij beschermt haar en Hij houdt haar in stand. Hij doet dat door Zijn Geest en Woord. Daarbij neemt Hij mensen in Zijn dienst om de boodschap van het Woord door te geven, de gemeente te leiden en er zorg voor te dragen.

Ef. 4 : 1-16 is in dit verband van fundamentele betekenis. We zien dan ook, dat Cal-vijn zich telkens uitdrukkelijk op dit Schriftgedeelte beroept.

Als het goed is, houden wij bij al ons werk in de kerken in het oog,dat het maar niet onze zaak is. Het is de zaak van de Here. We zullen het kerkelijk leven en de ambte-lijke dienst niet al te menselijk mogen beschouwen.

Christus zal ervoor zorgen, dat er altijd weer zijn aan wie Hij door Zijn Geest gaven verleent om te dienen in het ambt.

Leden van de gemeente kunnen gaven hebben ontvangen zonder dat zij tot een ambt geroepen worden. Maar wel zal de Here aan ieder die Hij roept tot deze bijzondere dienst in Zijn gemeente, schenken wat daarvoor nodig is.

Wij gaan er dus niet van uit, dat er van alles gedaan moet worden dat in het belang van de gemeente is en dat daarvoor medewerkers gezocht moeten worden en dat er ge-schikte regelingen voor het overleg en voor het werk behoren te zijn.

We beginnen aan de andere kant. Het komt eropaan, dat de geestelijke orde die onze Here ons in Zijn Woord geleerd heeft, er zal zijn. Dan zal de ware religie worden onder-houden (art. 30).

Wie nagaat, wat daaronder te verstaan is - prof. J. Hovius heeft er eens over geschre-ven - ziet dat de prediking van het Woord centraal wordt gesteld. Hèt kenmerk van de ware kerk is immers ook, dat men zich rieht naar het zuivere Woord Gods, alle dingen die daarmee in strijd zijn, verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd (art. 29).

Om te besluiten een citaat van prof. Hovius: „Daarom stelle elke ambtsdrager en iedere kerkelijke vergadering zich altijd zeer bewust de vraag: Is wat voorgesteld of begeerd wordt, in overeenstemming met de uitgedrukte wil van de Koning der kerk of althans daarmee niet in strijd, en kan wat voorgesteld of begeerd wordt dienen tot behoud van de ware religie of zou het juist nadelig voor de ware religie zijn?” (Om „door dit mid-del de ware religie te onderhouden”, in Woord en kerk, 1979, biz. 94).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.