+ Meer informatie

Uit de Praktijk

6 minuten leestijd

13

Tot het vele kwaad, waaraan een mens onderworpen is, mogen wij ook wel rekenen de inbeelding. 't Ligt zo in de natuur dat een mens zich hoger aanslaat dan hij is. Wat kan hij zich veel verbeelden Door de verleiding des duivels wilde onze eerste vader, die een schepsel was, gelijk zijn aan zijn Schepper, kennende het goed en het kwaad. Nu, Adam heeft gekend wat het goed was voor zijn val, n 1. met God te wandelen in Zijn zalige gunst, zonder enige zweem van zonde en verderf, in die vrede met Zijn Schepper en het gehele schepsel Daar kunnen wij niet recht inkomen wat een leven Adam en Eva voor hun val in de Hof van Eden hebben genoten; daar is de Schrift sober in, we lezen ervan dat. Adam de Heere God kende aan de wind des daags. Maar door zijn val leerde Adam het kwaad kennen, en dat is zijn ongehoorzaamheid, en dat kwaad was en is zo groot, dat er van's mensen zijde geen mogelijkheid is om daarvan verlost te worden; een mens is een gevallen grootheid.

Een oude vriend zeide mij eens in mijn jeugd: „Onze eerste vader was een torenwachter, maar hij heeft het er lelijk bij laten zitten”. Het zal voor Adam en Eva wat geweest zijn toen zij verdreven werden uit het Paradijs. De gedachte aan de heerlijke staat der rechtheid, waarin zij verkeerd hadden, en nu uitgestoten en verdreven om zwervelingen te zijn op een aarde, die om hunnentwil vervloekt is.

Maar hoe heeft de Heere reeds toen geopenbaard Zijn eeuwige liefde tot redding van Zijn om eigen schuld verloren schepsel, door de mogelijkheid te ontsluiten in de moederbelofte door de genade Gods in Christus tot herstel voor een verloren Adam en zijn zaad.

’t Is een zalig voorrecht en noodzakelijk als wij persoonlijk die zonde van Adam door genade mogen leren kennen en eigenen; dan geeft men Adam de schuld niet meer, maar dan worden wij zelf die bondsbreker. Als dat waarheid mag wezen liggen wij onder God, waardig Zijn eeuwige vloek en toorn; dan is Adam het niet, maar dan zijn wij het zelf die God naar kroon en troon hebben gestoken; maar wat wordt het voor dezulken een onuitsprekelijk wonder, dat niettegenstaande dit alles, zo eeuwig vrij van's Heeren wege, nog een mogelijkheid wordt geopend om weer in de zalige gunst des Heeren hersteld te worden. Voor wie daar kennis van mag hebben door ondervinding is soms de wereld te klein, hij kan dat wonder niet op. Maar door onze val zijn al onze genegenheden ten kwade gekeerd, en maken wij ons luchtkastelen en inbeeldingen, niet alleen betreffende natuurlijke dingen, maar ook op godsdienstig gebied. Wij willen zo graag groter en mooier zijn, en vinden er vermaak in om met schijn en inbeelding wat te worden. Hoogmoed en inbeelding gaan zo samen; een beter en nuttiger gestalte zou het zijn als we ons als armen en ellendigen leerden gedragen.

’t Was eens voor 6en onzer bekenden een woord tot overtuiging: „Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige”.

Een mens kan zich vele dingen inbeelden en daarmede zichzelf bedriegen, zelfs kan hij zich inbeelden dat het wel goed met hem staat voor de eeuwigheid, dat hij iemand is die toch wel hoop mag hebben op een zalige toekomst. Of hij zich in dezen bedriegen kan, en of het een gegronde hoop is, komt niet in hem op, en zo gaat hij gerust zijn weg, hij rekent zich tot de begenadigden, en spreekt men met dezulken, zij houden hun eind vast, maar men mist de ootmoed en de kinderlijke vreze. Wij gevoelden ons eens genoodzaakt om een extra bezoek af te leggen bij iemand die kennelijk deze zaken miste; hij was wel verrast dat wij er al weer aankwamen, maar zeide hij, dat is zeker omdat ik de vorige week aan de tafel geweest ben. Wij antwoordden: Inderdaad is dit wel mededeoorzaakvanons bezoek; wanneer iemand voor de eerste keer gebruik maakt van de tafel des Heeren, mogen wij wel veronderstellen dat er toch iets heeft plaats gehad wat tot deze doorbreking heeft geleid; daar in het bijzonder dit sacrament ons wijst op de lijdende en stervende Borg en Middelaar, en als wij daarvan gedachtenis zullen stichten aan Zijn tafel, zullen we toch zeker enige kennis van Zijn Persoon moeten hebben, daar Zijn liefdebevel tot Zijn volk toch is: „Doe dat tot Mijn gedachtenis”. Als wij van deze zaken niets afweten, waarop zijn wij dan aangeweest?

Nu ja, ik ben toch belijdend lidmaat van de kerk, dus ik heb toch een kerkelijk recht om aan te gaan? Jawel, daar hebben wij niet tegen, maar wat zullen wij met alleen onze belijdenis aan de tafel des Heeren doen, daar deze instelling speciaal is tot versterking van het geloof? En zal het gelooi versterktworden, moet er noodzakelijk geloof zijn, iets dat er niet is kan niet versterkt worden, hier komt het op de zaak zelf aan. Daarom, is alleen uw lidmaatschap de drijfveer geweest omdeel te nemen aan de bediening, of zijn er nog andere oorzaken? Ja, God heeft tot mij gezegd dat ik aan moest gaan. Dat was zaterdagnacht, ik lag daarover te denken en ik geloof dat Christus ook voor mij op de aarde gekomen is, en dat geloof ik nog, en daar is geen mens die mij af kon houden.

Nou vriend, niet zo boud hoor, u hebt daar wel wat gezegd, maar heeft dat wel grond? Waar hebt u dat wildbraad toch zo schielijk geschoten? Uspreekt op een toon over deze gezegende Persoon alsof Hij uws gelijke of uw slaaf ware. Bedenk dat wij in de natuur over iemand, aan wie wij nauw verbonden zijn en die ons zeer lief is, toch altijd met hoogachting zullen spreken, des te meer van Hem, Die de Allerwaardigste is. Hij toch is de Gegevene des Vaders, en Hij is maar zo niet te grijpen, daar is een weg aan verbonden. Een weg van verloren zondaar worden onder God, van geen uitkomst meer tezien aan enige zijde, van schuldgevoel en berouw, van te doen krijgen met een rechtvaardig God. Dat is een weg van benauwdheid, tranen en smekingen en verfoeien van zichzelf, enbelieft het God dan een mogelijkheid te ontsluiten tot verlossing in deze Persoon, wat gaan dan de genegenheden der ziel naar Hem uit, wat een eerbied voor Hem, wat wordt Hij dierbaar en noodzakelijk, en de Alwaardige voor het hart. Maar van dit alles hebben wij nu niets gehoord, het schijnt ons toe dat alles zo zonder grond is; kijk het eens na en onderzoek het eens, of het maar geen inbeelding is geweest, want daar liggen wij zo bloot voor.

Vindt u voor dit, dat u ons verteld hebt, wel grond in het Woord? Wij geloven dat niet, en als het niet naar het Woord is, zal het geen dageraad hebben, daarom verneder u voor de Heere, en zoek in Zijn kracht uw paden recht te maken, om ook in deze weg in de voetstappen der schapen te mogen gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.