+ Meer informatie

6. MEDISCHE ETHIEK

21 minuten leestijd

A. ALGEMENE GEZICHTSPUNTEN

De medische ethiek is volop in discussie. Met name twee factoren zijn hiervan de oorzaak. Er is een geweldige toename van het medisch kunnen. De medische macht is daardoor enorm vergroot. Met behulp van farmaceutische middelen, van technische apparatuur en experimenten zijn er mensen in leven gebleven die enkele decennia geleden onherroepelijk hadden moeten sterven door de ziekte waaraan zij leden. Ook met betrekking tot het ontstaan van leven geldt deze stelling. Dit leidt tot de vraag of alles wat mogelijk is, ook mag. Mogen de medici alles doen wat zij kunnen, of zijn er grenzen aan het medische handelen, grenzen die leiden tot het afbreken van een bepaald handelen, of zelfs het niet eens daarmee beginnen? Grenzen die recht, respectievelijk de plicht geven om leven door euthanasie - hetzij actief, hetzij passief - te beëindigen?

Een tweede complex van vragen is gegeven met de veranderingen in de moraal in het algemeen. Mensen achten zich minder of helemaal niet meer gebonden aan normen die vroeger voor onaantastbaar golden. De sexuele moraal en de huwelijksethiek zijn hiervan sprekende voorbeelden. De nadruk ligt op het welzijn. Datgene wat welzijn dient is goed. Datgene wat aan welzijn afbreuk doet, is niet goed. De handelende mens met zijn belang en wat voor hem nuttig is, komt in het middelpunt te staan. De combinatie van beide factoren moet leiden tot een geweldige verschuiving in de medische ethiek. Deze is zo ingrijpend en onoverzichtelijk, dat het niet meer mogelijk is te spreken van een door vrijwel alle medici aanvaarde norm voor hun handelen. De geweldige ingewikkeldheid van menselijke problemen, de pluraliteit in zedelijke opvattingen en de technisch gezien grote verscheidenheid van mogelijkheden, hebben een wanorde in de medische ethiek veroorzaakt.

In dit stuk willen wij graag enkele lijnen trekken, die de medicus en de patiënt, ieder voor zich en in hun onderlinge verhouding, tot hulp zijn. Wij gaan ervan uit, dat het leven een gave van God is. Men kan geroepen worden zijn leven voor een goede zaak te offeren. Nimmer zal men echter de beschikking over het uur van zijn dood in eigen hand mogen nemen. Het is alleen de Zoon des mensen die recht had zijn leven af te leggen, èn het weder te nemen (Joh. 10 : 18). De mens is schepsel van God, geschapen naar zijn beeld, als zijn gelijkenis (Gen. 1 : 26). De mens moet zijn eigen leven en dat van zijn medemens eerbiedigen en beschermen. Dat geldt reeds van het prilste begin af. In Psalm 139 : 13–16 lezen we duidelijk dat God van het embryonale leven van de dichter de Schepper is. Hij weet zich reeds in dat stadium in de aandacht en de zorg van God. Job 10 : 8–12 bevestigt dit. Het is duidelijk dat de mens niet het recht heeft over eigen leven te beschikken. Als schepsel van God is hij aangewezen op Gods zorg en Gods wil met betrekking tot zijn leven.

De secularisatie, waarop we boven als tweede factor doelden, ontneemt de mens het besef van zijn creatuurlijke afhankelijkheid. De mens weet zich niet meer van God afhankelijk. Hij moet zichzelf zien te redden. Hij kan op enige hulp van buiten deze wereld niet rekenen. Hij staat er alleen voor. De secularisatie betekent dat er geen kennis van God en geen band aan God meer mogelijk is. God verdwijnt uit het gezichtsveld van de mens. Er wordt nog wel gesproken over verantwoordelijkheid. Doch deze geldt enkel de medemens. Het is met name de gemeenschap, waaraan de mens verantwoording schuldig is. Van een verantwoordelijkheid jegens God is geen sprake meer.

Deze visie is onverenigbaar met het bijbels uitgangspunt dat wij kennen.

Stellig blijven er ingrijpende problemen als we uitgaan van dit uitgangspunt. Het is echter onmogelijk om het menselijke leven een relatieve grootheid te achten, welke op enig moment zou mogen worden beëindigd, alsof de plicht om leven in stand te houden en te beschermen ophield. Er zijn grenzen die door de feiten worden gesteld. De dood is zo’n grens. Een ziekte waartegen alles ondernomen is, doch die niet tot staan gebracht kan worden is zo’n grens. Moeilijke persoonlijke omstandigheden die ons de lust tot leven of de moed tot het aanvaarden van nieuw leven benemen, achten wij niet zulk een grens! De opdracht om te leven, om het leven te hoeden en te voeden, blijft ook in die omstandigheden van kracht. Wij ontvangen in de gave van het leven een opdracht, waarom wij niet gevraagd hebben. Zij is er tegelijk met de gave van het leven. Juist op dit punt ligt het verschil tussen onze visie en die van het geseculariseerde denken. Volgens dat denken hebben we het recht zelf er over te beslissen - zij het niet zonder verantwoordingsplicht - of wij het leven nog wel zinvol, menselijk en levenswaard achten, dan wel of wij het beneden - of zelfs onmenselijk, respectievelijk mensonwaardig vinden, zodat wij het recht hebben het te beëindigen. Wij menen dat dit recht ons niet is gegeven. De plicht, die voortvloeit uit onze roeping, vraagt juist het tegenovergestelde. Moet derhalve alles wat mogelijk is? Moet alles wat gedaan kan worden? Hiermee zijn we bij de praktische vragen.

B. PRAKTISCHE PROBLEMEN

1. Leven en dood

De voornaamste vraag is of we nog weten wat leven en dood betekenen. Door de veranderingen in wijsgerig-antropologisch opzicht en door de mogelijkheid om het functioneren van organen zeer lang te rekken, is de grens voor velen tussen leven en dood vloeiend.

Is datgene wat biologisch gezien nog leven is, ook inderdaad nog menselijk leven? In het verleden was er tussen deze beide geen verschil.

Biologisch leven en menselijk existeren vielen samen. Nu wordt er gesproken over menselijke waardigheid als criterium voor het doen voortbestaan van leven. Ook zoekt men naar een criterium als communicatie om te kunnen vaststellen of we nog met menselijk leven dan wel met plantaardig leven te doen hebben. Men denke aan mensen die heten in een schemertoestand tussen leven en dood te verkeren.

In het algemeen is men het er in de medische wereld - meer dan op ethisch terrein - over eens dat het leven in de moederschoot van het begin af menselijk leven is. Het heeft derhalve het recht om beschermd te worden.

2. Abortus

Zijn er redenen denkbaar die tot het afbreken van dit groeiend, embryonale leven leiden? Men noemt naast de lichamelijke gezondheid van de vrouw, ook haar geestelijk welzijn. Er is niet veel fantasie voor nodig om te bedenken dat dit criterium slechts een andere naam is voor wat in vroegere discussies het sociaal criterium ter zake van abortus heette. Wie maakt uit wat allemaal niet tot het geestelijk welzijn (soms ook wel geestelijke gezondheid genoemd) van de vrouw behoort. Wie dit criterium hanteert kan moeilijk het verwijt van subjectivisme ontgaan. Er zijn immers geen objectieve factoren om het welzijn te omschrijven. En zo men die al meent gevonden te hebben, dan blijft het toepassen van dat criterium, het meten van wat welzijn in een concrete situatie is, toch een uitermate moeilijke bezigheid.

Men zal een criterium als lichamelijk en geestelijk welzijn mogen typeren als het in zich dragen van een glijdende schaal. Dit is een stelling die door de praktijk bevestigd wordt.

We moeten erkennen dat enorme problemen de achtergrond kunnen vormen van de vraag naar abortus. Noodsituaties dringen soms tot dit laatste „red”middel. Doch is het dan inderdaad een „redding”? Kan het leven van een mens van zijn druk ontheven worden ten koste van het leven van een ongeboren kind?

We erkennen dat er zich problemen voordoen ook daar waar geworsteld wordt om gehoorzaam te zijn aan het gebod van God. Hoever mag men gaan om de nood van de vrouw te lenigen? Waar moet men de grens trekken? Naar onze gedachten vervalt men tot een glijdende schaal, als men niet duidelijk leven tegenover leven stelt. Men zal oog moeten hebben voor de nood. Het ene geval is het andere niet. Wij zouden daaronder ook willen rekenen blijvende krankzinnigheid, die het gevolg is van het uitdragen van de zwangerschap. We beseffen dat we hiermee op de rand van de medische indicatie ons bewegen. Toch zouden we dit geval daartoe willen rekenen. Overigens zal op andere wijze voorzien moeten worden in de nood, die dringt tot de vraag om abortus! Uit onderzoeken is gebleken dat verrichte abortus in tal van gevallen geen oplossing was voor de nood, die juist tot abortusaanvrage deed besluiten. Bovendien is gebleken dat na tal van afgewezen aanvragen, men dankbaar was voor de geboorte van het kind, dat niet gewenst was en toch kwam.

Het kan zeker niet zo zijn dat de arts zijn patiënt tot abortus mag dwingen. Een dergelijke dwang - in graad soms variërend - is in bepaalde gevallen metterdaad aanwezig. Het is evenmin zo dat de patiënt de arts kan dwingen tot het verrichten van abortus. Een dergelijke geestelijke dwang komt ook voor. Het afwijzen van abortus is niet alleen een beslissing op het gebied van de medische ethiek. Zij stelt de christelijke gemeente ook heel direct voor de plicht om te helpen in die gevallen, waarin aanvankelijk een abortus als enige oplossing voor de problemen werd gedacht. Zowel het diaconaat als het dienstbetoon van gemeenteleden moet hier genoemd worden. Er wordt in kerkelijke kringen, voorzover abortus afgewezen wordt, te gemakkelijk over de nood van haar wie dit aangaat gesproken. In elk geval wordt er te weinig daadwerkelijk gedaan. Dat is ook een ethisch probleem.

3. Euthanasie

De vraag naar euthanasie zal een steeds dringender karakter gaan dragen. Het onderscheid tussen actieve en passieve euthanasie is in die zin niet terecht, dat wat gewoonlijk als passieve euthanasie wordt aangeduid, geen euthanasie is. Men weet namelijk niet in welke mate men door het nalaten van een behandeling of het geven van medicamenten het leven verkort. Bovendien is de mildheid van de bij actieve euthanasie onmiddellijk intredende dood niet aanwezig. Het is van belang de term passieve euthanasie af te wijzen. Er zijn heel wat mensen, waaronder ook medici, die slechts een gradueel verschil zien tussen passieve en actieve euthanasie. Wie de eerste niet radicaal afwijst wordt dan geacht geen wezenlijke bezwaren meer tegen de tweede te kunnen inbrengen.

Er is een zodanig verschil tussen beide, dat men ze niet eens onder één noemer, die van de euthanasie, kan brengen.

Men mag het leven niet afbreken. Ook hier geldt net als bij abortus: de schaal wordt een glijdende. Het ene geval is niet meer wezenlijk van het andere af te grenzen. Het voorkomen van de verstikkingsdood betrekkelijk kort voordat deze zou optreden is niet zoveel anders dan het geven van een dodelijke injectie op een moment, waarop nog 5 weken met pijn zouden kunnen/moeten volgen.

Met andere woorden: euthanasie betekent dat wij voor ons zelf of voor anderen het recht vragen te zeggen: met deze mens moet het afgelopen zijn. Hij kan niet meer verder. Of: wij kunnen niet meer verder. Daarbij is te bedenken in hoeverre dit laatste een andere formulering is voor: wij willen niet meer verder. De medische praktijk geeft er reeds nu voorbeelden van te zien, dat de ene formulering een verhulling is van de andere.

Men kan de vraag stellen of dit standpunt niet van hardheid getuigt. Die vraag moeten we onder ogen willen zien. In de eerste plaats kan opgemerkt worden, dat er in veel gevallen de mogelijkheid bestaat om de patiënt lijden te besparen, respectievelijk het lijden te verlichten, zonder dat men euthanasie pleegt. Gewezen kan worden op het Saint Christophers gasthuis in Londen. In deze kliniek worden stervende mensen verzorgd. Per jaar zijn dat er een vijfhonderd. Er wordt geen gebruik gemaakt van medische apparatuur op een wijze die de laatste dagen van een stervende bemoeilijkt. Pijnstilling vindt men erg belangrijk. Zij geschiedt bijzonder zorgvuldig. De stervende en zijn familieleden worden opgevangen en begeleid. Dit is een voorbeeld er van hoe men stervenden tot het laatste toe helpt. Euthanasie ligt zo buiten het gezichtsveld.

Daarbij komt de vraag of men altijd precies kan vaststellen hoe dichtbij de dood is. Er wordt wel eens gezegd: een half uur voor het sterven zou euthanasie geoorloofd zijn. De dood is dan reeds zo dichtbij, dat men hem definitief mag laten intreden. Niettemin blijft de vraag of men inderdaad de nabijheid van de dood in hele of halve uren kan uitdrukken.

Hardheid en wreedheid worden niet bepaald door het afwijzen van euthanasie. Ze worden daar gevonden waar men niet bereid is met de patiënt tot aan het einde van de laatste fase mee te gaan. Ze zijn niet gegeven met een beslissing om euthanasie af te wijzen. Ze zijn veeleer uitdrukking van een houding. Waar bereidheid om mee te gaan met de patiënt ontbreekt, daar is hardheid.

Het sterven behoeft niet met elk moment gerekt te worden. Men moet op een bepaald moment de dood zijn gang laten gaan, al is deze formulering wel erg „van onderen op”. Het therapeutisch bezig zijn heeft dan geen enkele zin meer. Men moet het ook nalaten. Alleen voeding en verzorging met liefdevolle begeleiding blijven dan over. In gevallen van twijfel of de stervensfase reeds is aangebroken zal het nodig zijn dat een andere arts(en) in het overleg betrokken wordt.

Termen als onmenselijk of mensonwaardig worden als criteria voor het beëindigen van menselijk leven naar voren geschoven. We zullen moeten erkennen dat het gebruik van deze termen veroorzaakt wordt door situaties van geweldig leed. Toch is ook hier de vraag te stellen: wie in deze gevallen het einde doet intreden, hoe kan hij in andere gevallen weigeren dat einde nabij te brengen? De ene beslissing brengt de andere mee.

4. Gezinsvorming

Het is niet mogelijk in dit korte bestek uitvoerig de vragen rond de gezinsvorming te bespreken. (Verwezen moge worden naar een hieronder genoemd geschrift uit de kring van onze kerken). Wij stellen dat de vraag ten aanzien van gezinsvorming positief benaderd moet worden. Het huwelijk is er mede om het menselijk geslacht in de geschiedenis voort te zetten. Vanuit het geloof in de God van het verbond mogen christenouders vertrouwen dat de HERE ook voor hun kinderen wil zorgen. Het verbond is ook in de tijd die wij nu beleven van kracht!

We willen er op wijzen, dat gezinsvorming altijd een zaak van verantwoordelijkheid is. Dat geldt niet alleen voor het vermijden van het krijgen van kinderen. Dat geldt evenzeer het bewust en gewild verwekken van kinderen. Terecht zal niemand er voor willen pleiten dat een echtpaar het maximum aantal kinderen krijgt dat natuurlijkerwijs mogelijk is. De lichamelijke draagkracht van de vrouw en de geestelijke spankracht van man en vrouw beiden, moeten altijd in de overwegingen betrokken worden. Een echtpaar dat om deze reden het tot zijn verantwoordelijkheid tegenover God en elkaar of de reeds geboren kinderen rekent, voorshands van gezinsuitbreiding af te zien, zal deswege geen kwaad geweten behoeven te hebben, noch gelaakt behoeven te worden. Gezinsvorming is te allen tijde een zaak van verantwoordelijkheid. Dit leidt ons tot de volgende vraagstelling:

Wanneer zich nu omstandigheden voordoen, waarin het gewenst of zelfs geboden voorkomt gezinsuitbreiding te voorkomen, is absolute dan wel periodieke onthouding dan de enige weg? Absolute onthouding legt een zware last op de schouders van gehuwden. Paulus wijst in 1 Corinthe 7: 5 die weg af. Als er ziekte of andere noodsituaties zijn, zullen we hem moeten gaan. Doch de natuurlijke weg is het niet. Het tegendeel moet veeleer gezegd worden!

Voor ons valt de beslissing primair bij de vraag hoe we tegenover gezinsvorming hebben te staan. Welke wegen men gaat, of welke middelen men gebruikt ter uitvoering van de genomen beslissing is een tweede zaak.

Men heeft ook hiervan verantwoording af te leggen. Zo’n onthouding voor enige tijd, als uitdrukking van zelfbeheersing, is een te waarderen houding. Doch voor velen kan het een te zware opdracht zijn dit voor vele jaren van elkaar te vragen. Periodieke onthouding blijkt in een aantal gevallen geen betrouwbare methode te zijn. In medische kringen heerst bezorgdheid om de uitwerking van het gebruik van de pil, met name bij vrouwen in de zogenaamde overgangsjaren. Het cholesterolgehalte in het bloed zou toenemen met alle gevaren daaraan verbonden. Een bijkomende complicatie is dat de pil als „geneesmiddel” ook aan ongehuwden verstrekt wordt. Het is in het algemeen gewenst dat er met de arts overleg gepleegd wordt.

Er zijn dus blijkens het bovenstaande situaties waarin het gebruik van middelen niet is af te keuren, maar wij zouden vooral willen herinneren aan de positieve gezindheid die God vraagt met betrekking tot gezinsvorming. Men heeft op dit punt elkaar niet te veroordelen. Wel is er de taak om op de zegen te wijzen die God in het gezin geeft en die Hij aan het gezinsleven verbonden heeft. De gedachte dat het stichten van een gezin van meer dan drie kinderen een a-sociale daad zou zijn, wijzen wij met nadruk af. In de toekomst zou kunnen blijken dat ons volk door de afname van het aantal inwoners meer problemen oproept dan oplost. De zegen van het gezin moet ook nu aan de gemeente voorgehouden worden. Waar dat geschiedt moet ook gezegd worden dat mensen geen slecht geweten behoeven te hebben om maatregelen die zij ter zake van het sexuele verkeer treffen. Beslissend is niet het gebruik van middelen op zichzelf. Beslissend is de gezindheid waarmee men de middelen gebruikt. Zoals overal kan het ruimschoots voorhanden zijn van middelen en het veelvuldig gebruik daarvan in de samenleving wel tot een afstomping van het verantwoordelijkheidsbesef leiden. Het pastoraat zal daarom juist gericht moeten zijn op het beleven van de verantwoordelijkheid. Daarvan is de zuiverheid van het geweten afhankelijk.

5. Sterilisatie

Sterilisatie wordt steeds meer in praktijk gebracht. Als middel voor geboortebeperking en voor familyplanning lijkt ze ons niet geoorloofd. Men doet iets onherstelbaars. Wie kent zijn toekomst? Wie weet of een kind dat nooit meer welkom heette te zijn, in een bepaalde fase toch niet begeerd zal worden? Mag men zichzelf de mogelijkheid om vruchtbaar te zijn ontnemen, zolang de Here God die langs natuurlijke weg laat bestaan?

Wij willen stellen dat de beslissing tot sterilisatie van andere aard is dan die tot abortus. Bij sterilisatie wordt er geen einde gemaakt aan bestaand leven. De mogelijkheid tot voortplanting wordt afgesneden.

Moeilijk is de vraag hoe hier de relatie arts-patiënt moet zijn. De arts heeft niet het recht bevoogdend over zijn patiënt te oordelen. Anderzijds kan de patiënt hem ook niet dwingen tot een handeling, die hij in zijn geweten afkeurt. Het minste wat gevraagd mag worden is dat hij met mensen die zich voor sterilisatie tot hem wenden indringend spreekt. Hij heeft het recht, zelfs de taak hen te wijzen op het onherroepelijke van de ingreep. Hij zal in dat gesprek ook moeten betrekken de mogelijkheid dat situaties en verhoudingen zich wijzigen. Hier ligt zowel voor de persoonlijke gewetensovertuiging van de arts, als voor die van de patiënt een spanningsveld, waarop men niet zo maar van buitenaf mag ingrijpen. Centraal blijft de vraag: mag men zichzelf voorgoed de mogelijkheid van vruchtbaar te zijn ontnemen, terwijl God langs natuurlijke weg die mogelijkheid nog niet heeft weggenomen. Wie geeft het recht tot zo’n ingrijpende beslissing?

Als de arts op medische gronden dringend heeft geadviseerd zwangerschap blijvend te voorkomen, achten wij sterilisatie geoorloofd. Dan wordt zij niet toegepast om heel in het algemeen zwangerschap te voorkomen. Dan is er een medische indicatie: op een dergelijke indicatie achten wij sterilisatie geoorloofd. Als op medische indicatie zwangerschap voorkomen moet worden, is het de vrouw die gesteriliseerd zal worden. Het is bij medische indicatie niet om het even of de man dan wel de vrouw zich laat steriliseren. Wij wijzen sterilisatie als een instrument tot geboortebeperking, respectievelijk tot het doorvoeren van de gedachte van het voltooide gezin af. Wij herinneren er aan dat sterilisatie steeds meer als alternatief wordt aanbevolen van ongewenst langdurig gebruik van de pil. Juist nu van medische zijde steeds sterker bezwaren tegen het gebruik van de pil worden ingebracht, wordt sterilisatie te sterker aanbevolen, en zo al niet van medische zijde aanbevolen, dan toch door de mensen zelf gevraagd. Wij zien onderscheid tussen het gebruik van anticonceptiva en sterilisatie. In het laatste geval wordt een ingreep verricht die niet meer ongedaan te maken is, terwijl het gebruik van voorbehoedsmiddelen toch altijd beëindigd kan worden. Dit draagt, qua middel, een tijdelijk, en geen definitief karakter. Juist het definitief onvruchtbaar maken achten wij, met uitzondering van bovengenoemd geval, ongeoorloofd. De vraag is gesteld of het geen verschil maakt, als sterilisatie wordt gevraagd na de geboorte van enkele kinderen nog vóór het dertigste levensjaar, dan wel of sterilisatie na het veertigste levensjaar wordt gevraagd. Een relatief verschil lijkt ons inderdaad aanwezig. De vruchtbaarheid van een vrouw boven het veertigste levensjaar blijkt aanmerkelijk geringer te zijn dan ervoor, terwijl verdere gezinsuitbreiding dan zelden meer gezocht wordt. Toch brengt deze overweging ons niet tot het standpunt dan sterilisatie na de 40 onbeperkt en als vanzelfsprekend mag worden toegepast.

In het algemeen moet worden gezegd, dat de grote belangstelling voor de sterilisatie een bedenkelijk teken is voor de instelling van een volk ten opzichte van de toekomst.

6. KID

Kunstmatige inseminatie met het sperma van een donor (KID) is een om zich heen grijpende praktijk aan het worden. Ook in kerkelijke kringen wordt deze mogelijkheid om kinderen te krijgen sterk overwogen.

Er zijn twee vragen te stellen: is deze weg om een kind te krijgen voor de vrouw niet een heel andere dan voor de man? Van hem wordt enkel de toestemming gevraagd. Zij zal het sperma van een haar onbekende man in zich ontvangen. Betekent dat niet een breuk in hun huwelijk door het binnentreden van de anonieme spermaverschaffer?

Bovendien moet de vraag gesteld worden: heeft een man het recht om zijn sperma ter beschikking te stellen voor het ter wereld brengen van een kind door een vrouw met wie hij geen enkele relatie heeft? De man heeft dit recht niet. Het sperma behoort thuis in de geslachtelijke omgang tussen man en vrouw.

Hier krijgen we het probleem van het insemineren met het zaad van de donor van een andere kant. Namelijk van de kant van de spermaverschaffer.

C. DE KERK

De kerk moet zich in haar pastoraat en - zij het in veel beperkter omvang - in haar prediking, met deze problemen bezig houden. Het is zaak, dat zowel met artsen als met verpleegkundigen contact gelegd en onderhouden wordt, om deze problemen gezamenlijk door te spreken. Mochten deze beroepsgroepen reeds eigener beweging dat doen, dan kan de kerk zich meer op de achtergrond houden. Als gesprek hierover niet gevoerd wordt, moet de kerk het stellig op gang brengen.

Ook in de catechese zullen deze problemen besproken moeten worden, zij het dat niet elke catechisant met alle problemen te maken heeft. Naar de aard van het vraagstuk en naar de aard van de taak die de catechisant heeft, of vermoedelijk zal krijgen, moet hierover gesproken worden.

Gespreksvragen:

1. Hoe komt het dat de normen op het terrein van de medische ethiek zo zeer aan het verschuiven zijn?

2. Hoe zoudt u het bijbels uitgangspunt willen omschrijven, dat ons bij de beantwoording van deze vragen leiden moet?

3. Wat vindt u van het al of niet geoorloofd zijn van abortus?

4. Welke gronden worden er aangevoerd om euthanasie te legaliseren? Hoe oordeelt u over deze gronden?

5. Wat ziet u als consequentie voor de relatie van patiënt en arts, en van patiënt en familie, wanneer euthanasie een gewoon verschijnsel in onze samenleving gaat worden?

6. Hoe oordeelt u over kunstmatige inseminatie met het sperma van een donor?

7. Zijn er gevallen waarin u sterilisatie geoorloofd acht?

8. Wat betekent de gedachte van verantwoordelijkheid voor gezinsvorming, en met name voor de grootte van het gezin?

9. Hoe kan de kerk hulp verlenen bij het bespreken en oplossen van bovenbedoelde vragen?

Voor verdere studie:

J.H. van den Berg, Medische macht en medische ethiek. Nijkerk, 1966. Vele herdrukken. In dit boek werd de stoot tot een nieuwe medische ethiek gegeven.

F. Bloemhof, Kunstmachtige inseminatie bij de mens. Nijkerk, z.j. Een boek dat het vraagstuk van alle kanten beziet en tot een afwijzend standpunt komt.

H. Bouma, e.a., Gezinsvorming. Groningen, 1972.

J. Douma, Euthanasie. Groningen, 1972. Met uitgebreide literatuuropgave.

Idem, Abortus. Amsterdam, 1975. Met uitgebreide literatuuropgave.

J.H. Levie, Kunstmatige inseminatie bij de mens. Leiden, 19752. De auteur heeft als eerste in Nederland donorinseminatie verricht. Zijn boek bedoelt alle bezwaren tegen kunstmatige inseminatie weg te nemen.

P. Muntendam, e.a., Euthanasie. Leiden, 1977. Een benadering vanuit het moderne denken, waarin aan vele facetten aandacht wordt geschonken.

P. Sporken, Ethiek en gezondheidszorg. Baarn, 1977. Een boek dat vrijwel alle problemen op dit gebied inventariseert. De schrijver neemt een gematigd progressief standpunt in.

Ingrid Trobisch, Met vreugde vrouw zijn. Kampen, 1977.

W.H. Velema, Gezinsvorming in deze tijd. Amersfoort, 1977.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.