+ Meer informatie

IS ER NOG EEN GEREFORMEERDE ZEDE?

10 minuten leestijd

‘De bioscoop dient door ons te allen tijde, zonder uitzondering, door jong en oud, gemeden te worden. Elke bioscoopgang, ook ter bezichtiging van een goede film, (bijvoorbeeld) de reportage van de opening van de Staten Generaal is een steun aan deze “Kerkvan de Satan”. Dit is een uitspraak van ds. J.H. Velema, gedaan in Ons Jeugdbladvan 2 april 1949.

Deze uitspraak past bij de gereformeerde zede zoals die lange tijd in de twintigste eeuw heeft gegolden. Met deze zede is bedoeld de uiterlijke levensstijl. Ook zijn daarmee bedoeld de opvattingen over de levensstijl binnen het gereformeerde erfdeel. De levensstijl van ons als gereformeerden en de houding die daarbij past zijn volgens J. Douma lange tijd gekenmerkt geweest door matiging en zelfbeheersing. Dat kwam niet alleen tot uiting in een afkeer en veroordeling van bioscoopbezoek, maar ook onder meer in een afkeer en veroordeling van dansen, kaarten (‘des duivels prentenboek’), toneel en schouwburgbezoek.

Verandering

In 1954 verscheen een boek van R. Schippers onder de titel De gereformeerde zede.Daarin wordt een beeld geschetst van de levensstijl van het gereformeerde volksdeel. Kan echter in onze tijd nog van een gereformeerde zede worden gesproken? Zijn wij in onze uiterlijke levensstijl opvallend anders dan onze medeburgers? Gelden zelfbeheersing en matiging nog als typische kenmerken van de moraal van gereformeerden?

De verandering in levensstijl onder gereformeerden is door godsdienstsociologen beschreven. Opvallend zijn de verschuivingen in levenspatroon en de verscheidenheid in opvatting en levensstijl. G. Dekker en J. Peters spreken over ‘gereformeerden in meervoud’. Hijme Stoffels heeft zijn Studie over dit onderwerp de ondertitel gegeven: ‘orthodox-protestanten in de slag met de tijdgeest’. J.E. Post heeft opgemerkt dat gereformeerd-zijn en -blijven een wankel evenwicht is. De vraag is of - althans wat de levensstijl betreff - nog van een evenwicht kan worden gesproken. G.Th. Rothuizen publiceerde in 1980 een boekje over de houding en handelwijze van het gereformeerde erfdeel ten aanzien van de arbeid. Hij gaf deze Studie Een bezige bij de ondertitel: de gereformeerde zede bestaat niet meer.

Verwarring

De verandering in levenspatroon binnen de (christelijk-) gereformeerde wereld brengt ons gemakkelijk in verwarring. In de eerste plaats is er verwarring ten aanzien van het verleden: hebben onze (voor)ouders verkeerd gehandeld? Of hadden zij juist een heel goede kijk op de dingen van hun tijd? Moeten wij in navolging van hen meer de antithese zoeken dan de solidariteit met de wereld?

In de tweede plaats is er verwarring ten aanzien van het heden. In de ene kudde van de Here komen diverse levensstijlen voor. Soms zijn op plaatselijk niveau de verschillen al erg groot. De verschillen treden bovendien naar voren wanneer wij ons levenspatroon vergelijken met dat van mensen in kerken waar onze zendingsarbeiders werken. Er is verwarring over wat goed is en siecht. Er is eveneens verwarring over de omgang met verschillen. Gemakkelijk ontstaat verwijdering tussen mensen over de invulling van de levensstijl.

In de derde plaats is er verwarring over de toekomst. Als er een grote verscheidenheid is in levensstijl, kan dan de eenheid in de kerk van God wel bewaard blijven? Sommigen wijzen erop dat in gemeenten waarin ‘duidelijke’ voorschriften worden gegeven, de kerken vol zitten, terwijl kerken die meer ruimte toestaan in de levensstijl van mensen minder aantrekkingskracht lijken te bezitten. De verwarring ten aanzien van de grote veranderingen in levensstijl roepen de vraag op of wij nog kunnen spreken van een gereformeerde levensstijl.

Formeel en inhoudelijk antwoord

Aan de ene kant is deze vraag naar de gereformeerde levensstijl gemakkelijk te beantwoorden: zo’n levensstijl zal blijven, zolang er gereformeerden zijn. Elke groep binnen de samenleving heeft een bepaalde moraal, koestert bepaalde gewoonten en gebruiken, houdt zich aan bepaalde regels, oriënteert zich op bepaalde waarden en geeft de voorkeur aan een bepaalde innerlijke houding. Daarom: zolang er gereformeerden zijn is er een gereformeerde zede.

Daarmee is gezegd dat onze moraal zich onderscheidt van de moraal van hen die opgaan in het schema van deze wereld. Ook kan de gereformeerde moraal worden onderscheiden van het levenspatroon van mensen die een andere dan de gereformeerde confessie zijn toegedaan. Het is zelfs mogelijk onderscheidingen aan te brengen binnen de gereformeerde moraal. Dan kan bijvoorbeeld het onderscheid worden gemaakt tussen een bevindelijk-gereformeerde, orthodox-gereformeerde en moderngereformeerde zede (vgl. Dekker). Tot zover is het antwoord op de vraag naar de ‘gereformeerde zede’ vrij gemakkelijk. Deze moraal kan door middel van empirisch onderzoek worden beschreven.

Dit is echter een formeel antwoord. Wij kunnen daarmee niet volstaan. De vraag is natuurlijk of wij die de gereformeerde confessie zijn toegedaan, ons (nog) sterk moeten maken voor een specifieke moraal. Moeten wij in het pastoraat. het diaconaat en de prediking aan de kudde van de Here een bepaald levenspatroon voorhouden? En als wij dat willen doen: hoe gedetailleerd moet dat dan?

Sommigen menen dat wij daarvan moeten afzien. Frits de Lange, hoogleraar ethiek aan de Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken (syn.) in Kampen, heeft een artikel geschreven onder de titel: ‘De tijd van “zo zegt de Here” is voorbij’. We zouden in ons zoeken naar wat goed is meer moeten denken in de vorm van: ‘zo zou het kunnen’, dan: ‘zo moet het’. Anderen klampen zich daarentegen vast aan oude vertrouwde vormen. Dat geeft voor hen een gevoel van veiligheid en zekerheid.

Wat moet onze houding zijn in prediking en pastoraat? Zouden wij een bepaalde levensstijl die wij gereformeerd noemen, moeten verdedigen en propageren? Een antwoord op deze vraag is allerminst eenvoudig. Dat betekent dat wij op die vraag niet één antwoord kunnen geven, geen antwoord dat eenduidig is. Dat betekent ook dat wij onder ogen moeten zien dat de dingen niet altijd zo eenvoudig te beantwoorden zijn als wij misschien wel eens hebben gedacht.

Wat is gereformeerd?

Als wij de vraag naar een gereformeerde moraal willen beantwoorden, moeten wij eerst weten wat wij bedoelen met ‘gereformeerd’. Een gereformeerd mens wil niets anders dan zich door God en zijn woord laten leiden. De gereformeerde confessie beschouwt hij als een betrouwbare samenvatting van wat de Here in de Schrift ons leert. Het centrum van deze belijdenis is Christus en die gekruisigd. Een gereformeerde moraal wil dan ook niets meer of minder zijn dan een christelijke moraal. De vraag naar de gereformeerde zede is de vraag naar de christelijke zede. De Schrift leert dat iemand die Christus heeft leren kennen anders is dan iemand die Hem niet kent. Waarin onderscheidt een christen zich echter van een niet-christen? Dat onderscheid komt in de eerste plaats tot uiting in andere gebruiken en gewoonten, dus in een uiterlijke levenswandel. Natuurlijk zijn er vele overeenkomsten tussen een gereformeerde (christelijke) moraal en een niet-christelijke moraal. Toch zijn er ook verschillen. Denk alleen maar aan het zoeken van de gemeenschap met allen die de naam van de Here belijden. Ook zijn er zaken waar een christen zich beslist van zal onthouden.

In de tweede plaats blijkt het onderscheid tussen de moraal van een christen en een niet-christen in de normen waardoor hij zich laat leiden en de waarden waarop hij zich oriënteert. De Schrift is voor hem een beslissende bron en norm van zijn moraal. Daarmee is niet gezegd dat een christen zich in zijn levenspatroon alleen door de Schrift laat leiden. Het woord van God komt ook tot ons via het werk van God in de schepping en onderhouding van deze wereld. En ook getuigt de Schrift dat God definitief tot ons heeft gesproken in zijn Zoon. Toch kan worden gezegd dat voor een gereformeerd mens de Schrift een beslissende bron en norm is voor zijn leven en handelen. In de derde plaats blijkt het onderscheid tussen een christen en een niet-christen in de innerlijke houding. Een christen zoekt het fundament van zijn moraal in het werk van God in de schepping, het werk van de Zoon in de herschepping en het werk van de Heilige Geest in de voleinding van alle dingen. Hij onderzoekt wat de Here graag wil en toetst wat Hern welbehagelijk is.

Heer- en dienaar-zijn

Wat moeten wij in ons pastoraat, in diaconaat en prediking uitdragen ten aanzien van de gereformeerde moraal? In de eerste plaats mogen wij voor ogen houden dat wij niet geroepen zijn een bepaalde moraal te verdedigen. Dan zouden wij bezig zijn het werk van mensen in stand te houden. Het is de vraag of wij in dat geval dienstbaar zijn aan het koninkrijk van God. Het is maar al te vaak gebeurd dat mensen in de naam van God een bepaalde levenswijze hebben verdedigd die achteraf gezien een grote smet heeft geworpen op het koninkrijk van God. Denk aan de wijze waarop door vorige geslachten de slavemij en de apartheid met beroep op bijbelteksten werd verdedigd. Daarom zullen wij bijvoorbeeld niet zo gemakkelijk met een beroep op bepaalde bijbelteksten zeggen dat een vrouw geen politiek gezag mag bekleden. Wij zijn niet geroepen om een bepaalde moraal te verdedigen, maar om het woord van God te verkondigen en de kudde van de Here te leiden in de weide van zijn Woord en in de dienst aan de naaste in nood.

Dat houdt in dat wij in de prediking, het pastoraat en het diaconaat bevrijd worden van krampachtigheid. Eveneens houdt dat in dat een gereformeerde moraal geen slavenmoraal is. God heeft ons in zijn vrijheid gesteld. Een christen is (naar een woord van Luther) heer over alle dingen. Hij zai zich door niets laten knechten. Hij laat zich niet binden door zaken die buiten het woord van zijn God omgaan. Hij is bijvoorbeeld heer over de invulling van de zondag, over zijn lidmaatschap van een politieke organisatie, omroeporganisatie of welke organisatie dan ook. Hij Staat als een vrij man onder zijn Here en boven al deze zaken. Mensen kunnen hem daarin niet binden. In dat opzicht is een christen autonoom. De enige wet die hij voor zich laat gelden is het woord van zijn Here. Dat betekent een voortdurend onderzoek naar datgene waarin de Here God vreugde heeft. Dat bepaalt ook zijn houding tegenover anderen. Hij zal zijn broeder niet binden in zaken waarin de Schrift hem niet bindt. Paulus spreekt daarover in de kwestie van het eten van offervlees. Een christen is heer over alle dingen. Daarom is er verscheidenheid in levenspatronen. Die verscheidenheid mag er ook zijn, ook onder ons die de gereformeerde belijdenis zijn toegedaan.

In de tweede plaats is een christen dienaar van alle mensen. Deze dienst kenmerkt daarom ook de gereformeerde moraal. God gebiedt ons dat wij onze naaste dienen, zoals Christus gekomen is om te dienen. Dit gebod van de liefde is een samenvatting van de wet die de Here ons heeft gegeven. Deze liefde bepaalt de moraal van de kinderen van God. Een christen rieht zijn levenspatroon naar wat het heil van zijn naaste dient. In dat levenspatroon hebben ook zelfbeheersing en matigheid een plaats. Deze hebben in het verleden de gereformeerde zede gekenmerkt, deze mogen dat ook in de toekomst doen.

Behoedzaam en duidelijk

Deze houding maakt ons voorzichtig in ons spreken in prediking en pastoraat. Wij beseffen dat een bepaalde moraal niet voor alle tijden vast ligt, maar verandert met tijden en omstandigheden.

Dat laat echter onverlet dat wij duidelijk moeten zijn als die duidelijkheid vereist is. Dan is er ook ruimte voor het spreken van de kerk met het gezag van God: aldus luidt het woord van de Here. Bepaalde zaken strijden evident met een christelijke (gereformeerde) levensstijl. In die gevallen mogen wij omwille van Christus en zijn naam niet anders zeggen dan: zo kán het niet en zo mág het niet.

Beslissend is uiteindelijk echter niet of Christus een gereformeerde zede zal vinden als Hij terugkomt op aarde. Beslissend is wel of Hij een volk zal vinden dat onderzoekt en toetst waar God de Vader een vreugde in heeft, een volk dat ook weet wat het is omwille van zijn naam zelfbeheersing en matigheid te betrachten, een volk dus dat Hem in waarheid volgt.

Dr. Steensma is predikant van de gemeente te Veenwouden en part-time docent ethiek aan de Theologische Universiteit te Apeldoorn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.