+ Meer informatie

Hoe reformatorisch is de prediking in onze kerken anno 2017?

17 minuten leestijd

De vraag die het comité gesteld heeft, vraagt om een oordeel, beoordeling. Hoe staat het met het gehalte van de prediking, hoe reformatorisch is deze? Maar wie is gerechtigd om die beoordeling te geven? Men zou kunnen denken: iemand die de preken Uit de Levensbron van bijvoorbeeld de laatste tien jaar grondig bestudeerd heeft. Toch dient zich dan een vervolgvraag aan. Want welke criteria zal deze onderzoeker gebruiken om tot zijn afweging te komen? Dáár gaat het wat mij betreft over. Welke elementen zijn zo wezenlijk voor de prediking dat daarmee het Bijbels en daarom gereformeerde karakter van de prediking staat of valt.

Bovendien is het goed te bedenken dat het beantwoorden van de vraag van het comité niet de taak van een inleider is. Het is nu juist de taak van kerkenraden c.q. de ouderlingen om toezicht uit te oefenen op de prediking! Daarom ter beantwoording van de gestelde vraag niet meer dan enkele handreikingen die naar mijn overtuiging ‘kritisch’ zijn, d.w.z. ze maken scheiding tussen het een en het ander, tussen reformatorisch (dat woord neem ik nu maar even voor wat het is, dus niet in onderscheid met gereformeerd o.i.d.) en wat dat niet (meer) is.

Dát God spreekt

‘De prediking van het Woord van God is het Woord van God’ (praedicatio verbi Dei est verbum Dei). Deze zin schreef Bullinger neer in zijn 2e Helvetische Confessie (1566). Dit is een stellige uitspraak die binnen een gereformeerde homiletiek uitdrukking geeft aan de diepe overtuiging dat er sprake is van een werkelijk spreken van God door middel van de menselijk stem. Veel komt aan op hoe men het woordje ‘is’ in deze belijdende uitspraak verstaat. Wie dat als prediker meent in zijn eigen macht te hebben lijdt aan overmoed en hoogmoed. Het woordje ‘ is’ ontvangt van Gods kant invulling. Het ligt in Zijn hand. Dat de reformatoren overtuigd waren dat in de prediking God het woord neemt, zou door talloze citaten geïllustreerd kunnen worden. Ik noem er nog één, omdat die veelzeggend is. Calvijn wijst in zijn commentaar bij Jakobus 1: 19-21 erop dat ‘wanneer God Zijn heilige mond tot ons opent, wij ons gemoed en onze oren dienen te openen en Hem niet ontijdig in de rede mogen vallen.’

Eén brief uit het Nieuwe Testament springt eruit als het gaat over het spreken van God. Dat is de brief aan de Hebreeën. Deze brief heeft het karakter van een toespraak, een min of meer uitgewerkte preek. De schrijver confronteert de geadresseerden met de werkelijkheid van het spreken van God middels dit ‘woord van aansporing’ (13:22). Zo typeert hij waar het in heel deze brief om gaat. Een woord van aansporing, bemoedigend én vermanend, stimulerend en waarschuwend.

De inzet van deze brief is dat onze God de sprekende God is. ‘Nadat God voorheen vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had door de profeten, heeft Hij in deze laatste dagen tot ons gesproken door de Zoon.’ (1:1). Dat God niet alleen maar sprak, maar spréékt – in de tegenwoordige tijd – blijkt nog eens te meer als wij de woorden uit 12:25 erbij betrekken: ‘Let er dan op dat u Hem Die spreekt, niet verwerpt’! Vanuit de hemel spreekt Hij ons vandaag aan. God, de Sprekende. En dat doet Hij in het bijzonder ‘door de Zoon’ of ‘in de Zoon’ (1:1). Daarin is de Zoon niet passief. Ook in deze brief blijkt dat de prediking een zaak is van de drie-enige God. Naast de nadruk op het spreken van God (de Vader) in 1:1, wordt in 2:3 benadrukt dat het Evangelie van ‘zo’n grote zaligheid’ in het begin verkondigd is door de Heere. Daar is de Heere Jezus Christus mee bedoeld. En in 3:7 wordt een citaat uit Psalm 95 ingeleid met: ‘daarom zoals de Heilige Geest zegt’. Geen wonder dat Luther de Bijbel meer als ‘hóórboek’ dan als ‘leesboek’ zag. Het is reformatorisch de Bijbel niet als verzameling teksten te lezen, maar daarin te luisteren naar de levende stem van God (viva vox Dei).

Hoe God spreekt

In het bijzonder functioneren in deze preek van de brief aan de Hebreeën de verzen 4:12-13 als een logos kritikos. Dat ‘kritische’ woord is een woord dat een crisis veroorzaakt, scheiding maakt:

‘Want het Woord van God is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard, en het dringt door tot op de scheiding van ziel en geest, van gewrichten en merg, en het oordeelt de overleggingen en gedachten van het hart. En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem, maar alles ligt naakt en ontbloot voor de ogen van Hem aan Wie wij rekenschap hebben af te leggen.’

Deze tekst fungeert als een soort samenvattende terugblik van het hele eerste gedeelte, hoofdstuk 1-4, en tevens als een poort die het volgende gedeelte als het ware opent: 4:14-16 en het werk van de hemelse Hogepriester dat vervolgens uitgestald en samengevat wordt in 8:1: ‘De hoofdzaak nu van de dingen waarover wij spreken, is dit: Zo’n Hogepriester hebben wij’! Met nieuwe scherpte worden de geadresseerden met Gods spreken geconfronteerd (levend en krachtig). De grondgedachte uit 1:1, het spreken van God, wordt christologisch (‘in de Zoon’, 1:1) verdiept in het gedeelte dat daarop volgt (tot 2:18) en krijgt een toegespitste functie in de delen 2:1-4 en 3:7-4:11.

Hoe God spreekt? Dat is ontmaskerend en ontdekkend. Het spreken heeft het karakter van een tweesnijdend scherp mes, dat doordringt in de diepste kern van ons bestaan (‘merg en beenderen’), dat de diepste lagen van de menselijke persoonlijkheid ontdekt (het ontleedt ‘de diepste bedoelingen en gedachten van het hart’, vergelijk 3:12,13,19).

Over ontmaskering gesproken! De situatie van de gemeente in het Nieuwe Testament vandaag is ernstiger dan die van het volk destijds in de woestijn (2: 1-4!, later herhaald in 10:26-31, 12:25- 29). Eigen aan reformatorische prediking is deze ontmaskering met geen andere bedoeling dan de Zoon van God, onze hemelse Hogepriester in het volle licht te plaatsen.

Over de bedoeling en de aard van de prediking werd bijvoorbeeld op het Convent van Wezel (1568, II, 22-24) het volgende gezegd:

Maar hij zal alles terugbrengen tot deze twee voornaamste stukken van het evangelie, namelijk het geloof en de bekering; bij het ene stelle hij zich als enigste doel de kennis van Christus voor ogen, bij het andere de ware doding des levens en de levendmaking.

Hij zal trachten zoveel dit in zijn vermogen zal staan alle schuilhoeken en verborgen omhulsels van het menselijk hart bloot te leggen … ook zal hij niet alleen de grove schelmstukken en openbare schanddaden vervolgen, maar evenzo trachten de verborgen geveinsdheid der zielen uit te kleden en het broeinest van goddeloosheid, hovaardigheid en ondankbaarheid dat zelfs bij de allerbesten schuilt, in het licht te stellen en op de geschikst mogelijke manier uit te roeien.

Over wet en evangelie

Waar wil dit heen? Het wil een signalement bieden om de vraag te kunnen beantwoorden of onze prediking anno 2017 nog als reformatorisch te typeren is. Ik wil dat in het vervolg vooral doen aan de hand van het boekje dat zestig jaar geleden bestemd was voor een deel van de kerk waarop stoere calvinisten en degelijke gereformeerde toch wat argwanend neerkeken, de middenorthodoxe stroming binnen de Nederlands Hervormde Kerk. Het gaat om het bekende boekje van dr. H. Berkhof met de titel De crisis der middenorthodoxie. En nu vandaag dit boekje gebruiken als een lens om de prediking van de gereformeerde gezindte c.q. onze kerken onder de loep te nemen? Het lijkt me erg nuttig en ik zal dat illustreren aan de hand van enkele passages die gaan over de verhouding Wet en Evangelie.

1. Evangelie zonder Wet
Voor alle duidelijkheid, het ‘tweesnijdend zwaard’ van Hebr. 4:12 is niet zonder meer ‘Wet en Evangelie’. Wel komt in het beeld van tweesnijdend zwaard de werking van het ontmaskerende van het Evangelie en de scherpe prediking van de Wet tot uitdrukking.

‘Het staat nu m.i. zo, dat de Wet als de schakel tussen het Evangelie en het mensenbestaan in de gangbare middenorthodoxe prediking geen kans krijgt om haar werking te doen. De aanklagende functie van de Wet komt te kort. Dat geschiedt niet willens en wetens. Men wijst er in de middenorthodoxie gaarne op, dat het schuldbesef door de prediking van de liefde van God wordt opgewekt en op het geloof vanzelf volgt. Dat kan goed bedoeld zijn, Maar in de praktijk betekent het meestal, dat men deze werking verwacht van een genadeverkondiging waarin de Wet niet als relatieve zelfstandige grootheid haar plaats heeft. En dan wordt de genoemde stelling tot een leugen. In vele preken wordt dan ook het aanklagend geweld van het Woord Gods gemist. Men verwacht dat dit een vanzelfsprekend ‘bijproduct’ zal zijn. Maar zo gaat het in het geestelijk leven naar de orde van God niet toe. Wat werkelijk gebeurt, waar deze functie van de Wet wordt veronachtzaamd, is, dat het Evangelie boven het bestaan blijft zweven als een vanzelfsprekendheid die men ‘wel gelooft’, omdat men zijn werking niet aan den lijve ondervonden heeft. De mens blijft dan buiten schot. Hij wordt niet gedood en dus ook niet levend gemaakt.’

‘Het gevolg is dat we de duivel van het conservatisme en farizeïsme uitdrijven door de Beëlzebul van stijlloosheid en secularisering. Ongemerkt kweken wij een geslacht op, dat van zijn eigen christen-zijn geen last meer behoeft te hebben, omdat het ons leven nergens concreet komt storen. De genade is goedkoop geworden, offers worden niet van ons gevraagd. Maar wat goedkoop is, heeft ook geen waarde meer.’ (Crisis, 29-30).

En dan wijst Berkhof op de gevolgen hiervan voor de kinderen en kleinkinderen van deze ouders. Als we vandáág constateren wat er aan de hand is, dan gaat het niet om een theoretische beschouwing, maar om het heil van ons nageslacht. Wie vandaag Gods genade goedkoop maakt, kan er van verzekerd zijn – wat God verhoede – dat de faillissementsuitverkoop op handen is.

‘Behalve voor het piëtisme zijn wij ook bang voor het methodisme. Al weer: angst is een slechte raadgever. We vermijden het om over de hel te spreken, Je mag de mensen immers niet bang maken. We vergeten daarbij, dat Jezus in zijn gelijkenissen de mensen wél bang heeft gemaakt. Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht geven? De goede preek dringt ons in een hoek, waarin wij niet langer vrijblijvend kunnen toekijken. Wij zeggen “ja” of “neen” en in beide gevallen gebeurt er iets, iets dat het hart van onze verhouding tot God raakt, iets dus wat het hart van ons bestaan raakt, iets dat zich voortzet in dit leven èn in het toekomende.

Berkhof wijst vervolgens op de betekenis van wat we belijden in zondag 31 HC ten aanzien van de bediening van de sleutelmacht. Door de prediking wordt het hemelrijk ontsloten en toegesloten. De prediking komt een keer terug: ‘naar welk getuigenis God zal oordelen, beide in dit en het toekomende leven.’ (HC, antwoord 84).

‘Als dat waar is, is er geen heerlijker en huiveringwekkender en werkelijker gebéuren dan de preek. Maar waar wordt dat in de middenorthodoxie nog beseft?’ (Crisis, 34-35).

En als we nu dat woord ‘middenorthodoxie’ eens vervangen door ‘CGK’? U mag het zeggen.

2. Wet zonder Evangelie
Naast het gevaar van de ‘goedkope genade’ dreigen er ook de gevaren van activisme en wetticisme, omdat zonde niet meer is dan verkeerde dingen doen. Die moet je dan compenseren door goede dingen te doen en minder fouten te maken. Het gevolg? Christelijk moralisme. Vreugdeloosheid in de dienst van God. De ‘vreugde van de Wet’ ontbreekt, zoals die bezongen wordt in Psalm 119. Of het nu ‘zwaar’ of licht’ is maakt wat het wezen betreft niks uit. Er ligt een verkeerde visie op wie God is achter (zoals Tim Keller terecht betoogd heeft in zijn jongste boek over de prediking). Het hangt ook samen met het bovenstaande over het Evangelie zonder Wet.

‘Ik waag de stelling, dat onze drukke, bijna Amerikaans aandoende, kerkelijke activiteit ontspringt aan een opvatting van de Wet los van het Evangelie, die samenhangt met het feit dat ‘s zondags een Evangelie los van de Wet verkondigd wordt (…). Het Evangelie is geïsoleerd van de Wet. Dus nu wordt ook de Wet geïsoleerd van het Evangelie. Zoals het Evangelie ’s zondags een eigen leven gaat leiden, zo de Wet in de week, in de koortsachtige activering van het gemeenteleven, in de zelfaanklachten en de bestraffende en aanvurende oproepen, die zo typerend zijn voor het geestelijk leven der middenorthodoxie.

En alweer: als we dat woord ‘middenorthodoxie’ nu eens vervangen door ‘CGK’, herkennen we en, zo ja, erkennen we deze typering? Berkhof wijst dan op de wettische sfeer. Romeinen 12:1, 2 functioneert niet meer, omdat de ‘ontfermingen van God’ niet meer de motivering vormen om onszelf te geven als een levend dankoffer.

‘Wij weten wel, dát we iets moeten doen, soms ook nog wel, wát we moeten doen, maar niet, waar de kracht tot het doen ontspringt. (Crisis: 46-47).

‘Er is geen methode om het licht der wereld te worden. Of beter: er is maar één methode: zelf in het volle licht gaan staan! Maar hoe zullen we dat doen, wanneer de Wet niet meer als de levenssfeer van de liefde van God wordt verstaan, of (wat hetzelfde is) het Evangelie niet meer als richtende, bevrijdende en bindende macht wordt gevoeld?’ (Crisis, 48).

De gemeenschap met Christus

Het bovenstaande brengt me bij de eigenlijke, diepste kern van reformatorische prediking, dat is de gemeenschap met Christus.

De inzet van boek 3 van de Institutie (3.1.1) spreekt boekdelen:
‘En dan moeten we het in de eerste plaats ervoor houden dat alles wat Christus voor de zaligheid van het menselijk geslacht geleden en gedaan heeft, nutteloos voor ons is en van geen enkel belang, zolang Hij buiten ons is en wij van Hem gescheiden zijn. (…)Nu is het waar dat wij dit door het geloof verkrijgen. Toch zien wij dat niet allen zonder onderscheid de gemeenschap met Christus aangrijpen die ons in het Evangelie aangeboden wordt. De rede zelf leert ons dus dieper op de zaak in te gaan en een onderzoek in te stellen naar de verborgen werking van de Geest, die er voor zorgt dat wij Christus en al Zijn goederen genieten.’

Dat is het ook waar in onze Heidelbergse Catechismus de nadruk op valt, in zondag 7 en zondag 20. We worden door het geloof CHRISTUS en AL Zijn weldaden deelachtig! Maar dan wel in deze volgorde.

Waar dit ter sprake komt zal ook de taal van het hart gesproken gaan worden waarin de liefde doorklinkt tot de door God geschonken Middelaar. Waarom klinken er zulke indringende aansporingen in de prediking van de brief aan de Hebreeën? Met het oog op de heerlijke en hoge positie van onze Heiland, de Hogepriester in de hemel. Verzoend door Zijn dood? Zoveel te meer zullen we leven door Zijn leven. Eigen aan reformatorische prediking is dat een lied klinkt, in allerlei toonaarden, over onze hoogste Profeet, enige Hogepriester en eeuwige Koning.

De praxis pietatis komt ter sprake vanuit deze gemeenschap met Hem. Het is onmogelijk dat wie in Hem geplant is, geen vruchten van dankbaarheid zou voortbrengen.

Vanuit deze gemeenschap ontvangen de Zijnen de gerechtigheid, de heiligheid en de volkomen genoegdoening van Christus. De rechtvaardiging van de goddeloze betekent een toerekening vanuit het ‘in Christus’ zijn.

Rechtvaardiging van de goddeloze door geloof alleen:

Een andere kern van reformatorische prediking is wat we belijden in HC zondag 23 als blijvende belijdenis in een christenleven:

‘Men kan verder ook denken aan de onbekeerden in de gemeente. Het is een verbijsterend verschijnsel, dat zij voorkomen. Maar het is een feit. Men kan ze niet allen voor wedergeboren houden. Dat kan men niet vanuit de doop. Zelfs niet vanuit het verbond. De toe-eigening is evenzeer een moment in het werk van de Geest als het sacrament en de traditie. Er zijn toch gemeenteleden die met zichzelf met het oog op hun eeuwige zaligheid niet in het reine zijn en derhalve de wereld niet als rijk van God beleven. Moeten zij niet tot de doorbraak en de overgave gebracht worden en is derhalve niet de volle, ambtelijke apostolische prediking nodig? (…) Is het hart van het christen-zijn niet de rechtvaardiging van de goddeloze? Verschijnen wij niet elke zondagmorgen ook als heidenen- in onze barbaarse goddeloosheid- onder het apostolisch kerugma?’ (A.A. van Ruler, Reformatorische opmerkingen in de ontmoeting met Rome, blz. 167).

Dit barbaarse, (er)kennen we dat wel? Preken we anders niet langs de gemeente heen: je laat de mensen zitten in hun ‘bubbles’! Zelfbevestiging van de slechtste soort, ook in de kerk. Niet ‘uitgekleed’ in je weerbarstigheid (wat de Bijbel typeert als ‘vlees’) en dan ook niet werkelijk aangekleed: feestkleding van de vrije genade van God, de liefde van God in Christus!

Luther schrijft in een preek met de titel ‘De hoofdsom van het christelijke leven (liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof als samenvatting van heel het christelijke leven)’, een preek over 1 Timotheüs 1:5-7 (uit 1532) in het kader van een ‘ongeveinsd geloof’:
‘Want de Schrift leert mij dat God voor de mensen twee stoelen heeft opgesteld, een rechterstoel voor hen die nog zelfverzekerd en trots zijn en hun zonde niet willen erkennen en belijden, en een genadestoel voor degenen die een arm, hulpzoekend geweten hebben, die hun zonde voelen en belijden, voor zijn gericht falen en hunkeren naar zijn genade. Deze genadestoel nu is Christus zelf…

Zo scheidt de rechterstoel zich samen met de wet en heel mijn leven af naar de ene kant; daar blijf ik samen met alle heiligen en daar wordt alles in Gods naam veroordeeld en verworpen. Maar mijn geloof zal wegvluchten en als een arm, veroordeeld mens die zijn zonde belijdt daaroverheen naar de andere kant springen, naar de lieve genadestoel. Hij zal zich vastklemmen aan Hem die rein is en geen zonde kent, van wie de Schrift zegt: ‘Wie in Hem gelooft, zal niet beschaamd uitkomen’ (Rom. 9:33). Hij staat daar en pleit het allerbeste voor mij. Bovendien schenkt Hij mij al zijn reinheid en heiligheid, opdat ik daarmee bedekt en gesierd voor God kan bestaan, alle toorn weggenomen wordt en daarvoor in de plaats louter liefde en genade over mij heen zweven.’ (1072, 1075, Selderhuis, Luther verzameld (2)).

Het gaat in de prediking om het hele leven te zien vanuit God en tot op God.

Geen marktwerking van het Evangelie.

Er bestaat de neiging om aan te sluiten bij hedendaagse vragen en in een kramp terecht te komen van relevant te willen zijn. Er is vraag naar zogenaamde praktische prediking. De vraag is of dan échte vragen wel op tafel komen. Het Evangelie roept immers juist vragen op en de juiste vragen op. Onder wat wel genoemd wordt felt needs (waar wij denken dat we mee lopen) liggen (vaak) diepere noden. Begrijp me goed, de prediking dient zeker praktisch te zijn. Het christelijk geloof is niet ‘slechts’ een verheven leer, maar krijgt handen en voeten in de praktijk, van binnenkamer en publieke ruimte. Waar het om gaat, vond ik treffend verwoord in het volgende stukje:

‘Tenslotte nog iets over de constatering dat vragen rondom tot geloof komen niet zo leven bij de gemiddelde kerkganger. Vragen naar het ‘hoe’ van het christelijke leven eens te meer, zo schreef ik al. Hoe komt dat eigenlijk? Heeft dit niet ook te maken met het feit dat handelingsgerichte vragen makkelijker te stellen (en te beantwoorden!) zijn dan zijnsgerichte vragen? Is het vooral bezig zijn met de ‘hoe-en-doe-vragen’ van het christelijke leven niet ook een (onbewust) vluchten van de dieperliggende zijn-vragen? (…) Laten we als kerk niet tè snel meegaan in de grote aandacht voor praktijkvragen. Achter en onder veel praktijkvragen ligt - vaak ook onbewust - de vraag naar de zekerheid. De vraag naar zekerheid los je echter niet op met handelingsgerichte antwoorden, maar met zijn-antwoorden. Niet voor niets zegt zondag 1: Mijn enige troost in leven en sterven is ….dat ik met lichaam en ziel van Jezus Christus bèn. In het licht van deze zekerheid verdampen veel praktijkvragen, is mijn ervaring. (…) De vragen die overblijven - en die zijn er! - moeten zeer serieus behandeld worden. Maar dan wel vanuit het zijn in Christus. Anders vervallen we in een ‘evangelisch’, ‘reformatorisch’ of nog weer een ander moralisme, dat geen werkelijke bodem heeft.’
(E.K. Foppen, in: Kontekstueel maart 2014):

‘Daarom, heilige broeders, deelgenoten aan de hemelse roeping, let op de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis: Christus Jezus.’ (Hebr. 3:1). Dat is waar de prediking van Christus in hoofdstuk 2 van deze brief op uitloopt. Geef al je aandacht aan HEM! Je zou bijna schrijven: blijf op Hem staren als Iemand van wie men de ogen niet af kan houden.

In de prediking mogen we in het licht van deze prediking van de brief aan de Hebreeën wel drie keer A zeggen volgens de Griekse tekst: onze Archiereus (Hogepriester) , Archègos (Leidsman) en Apostolos (Apostel)! Zo is Hij gezonden en aangesteld door de Vader. Zo is Hij toegerust met de Geest. Reformatorische prediking is ten diepste zingen over de drie-enige God, een doxologie.

Prof. Dr. Kater is hoogleraar praktische theologie aan de TUA.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.