+ Meer informatie

VRAGENBUS

3 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan: T. MOLENAAR. Leed» 18. Rotterdam-Zuid V.

C. K. te W. vraagt of de zichtbare kerk tot het einde der aarde zichtbaar zal zijn.

Antwoord: Wijlen Ds. Kersten zegt het volgende in zijn dogmatiek: „Met de wederkomst van Christus zal de kerk op aarde zelfs zo klein zijn, dat de Heere Zelf vraagt: „De Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde? " Evenwel zal de schrikkelijkste afval de Kerk niet vernietigen. De Heere zal haar bewaren tot de dag Zijner komst ook in haar zichtbare openbaringsvorm.

En wederom wijst de Schrift op de bewaring der zichtbare Kerk als zij niet alleen zegt, dat er ten tijde van Elia nog zeven duizend Godvrezende lieden waren overgebleven, maar ziende op de onderhouding van de dienst des Heeren, „zeven duizend, alle knieën, die zich niet gebogen hebben voor Baal, en alle mond, die hem niet gekust heeft." En gelijk toen de Heere Zijn dienst onderhouden heeft, zo zal Hij zelfs in de donkerste tijden Zijn zichtbare Kerk en de van Hem verordineerde dienst bewaren/'

W. van E. te K. schrijft mij: „Ik zou u eens willen vragen welke mensen of dat zijn, die gemeenschap der heiligen oefenen.

Antwoord: Zondag 21 van de Heidelbergse catechismus geeft daarop een antwoord. Op de vraag: „Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen? " antwoordt de onderwijzer: „Eerstelijk, dat alle en elk gelovige als lidmaten aan de Heere Jezus Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten, zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te leggen."

In de gemeenschap aan de Heere Jezus Christus en aan al Zijn schatten en gaven ligt de bron van de gemeenschap der heiligen onderling. Zij is het deel van de leden van Christus' lichaam, van hen, die door de genade Gods uit de dood zijn overgegaan in het leven. Maar uit die gemeenschap aan Christus, als het Hoofd Zijner kerk, vloeit ook de gemeenschap van Gods kinderen aan elkander, omdat ze één lichaam zijn. Die gemeenschap is geestelijk. Mozes had zijn volk lief en „verkoos liever met het volk van God kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben, achtende de versmaadheid van Christus meerder rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte."

Bij Ruth was het niet anders. Hoewel zij niet anders kon zien dan armoede en een donkere toekomst, deed zij toch in onderscheiding van Orpa de onberouwelijke keuze: „Uw volk is mijn volk en uw God mijn God." Ook Rachab, de hoer, is hiervan een bewijs. Zij verliet volk en goden en is door het geloof niet omgekomen met de ongehoorzamen, als zij de verspieders met vrede had ontvangen. En elk, in wie Gods genade wordt verheerlijkt, kent iets van de gemeenschap aan hen, die de Heere vrezen. Zij laijgen elkander in Christus lief en zijn met Hem één lichaam, zodat zij kunnen zeggen met Groenewegen:

„Zoete banden, die mij binden Aan des Heeren lieve volk, Wis, zij zijn mijn hartevrinden, Hunne taal mijn hartetolk; 't Zijn de kinderen van mijn Vader En van 't zelfde huisgezin, Wij bestaan malkander nader, Dan de band van aardse min."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.