+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

7 minuten leestijd

39

Mensziel heeft het oordeel des doods aanvaard, buigt in het stof der verootmoediging. Tot verheerlijking van de Heere heeft het nieuwe leven der genade God hartelijk lief in Zijn rechtvaardigheid. De ootmoedige bekentenis naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend te hebben is voor het innerlijk leven van grote betekenis. Hier roept de boetvaardige zondaar uit: „Het zijn de goedertierenheden des Heeren dat ik nog niet vernield ben. Naar recht was mijn plaats geweest in de buitenste duisternis.”

Deze belijdenis is tot verheerlijking van de Vader van Wiens hart wij ons kwamen af te scheuren. Van de Zoon daar Hij door ons genageld werd aan het kruis. En van de Heilige Geest daar wij Hem in Zijn twistingen met ons zo menigmaal smarte kwamen aan te doen door onze afkerigheid. Het is nu bekend dat de straf der zonde, hoe zwaar die ook is, geheel in overstemming staat met de daad der zonde.

In deze diepe vernedering heeft Mensziel de pardonbrief van Gods genade, de brief van Zijn vergevende liefde op zegel ontvangen. Vanuit deze brief die verzegeld is met het dierbare bloed van de Zone Gods, ontvangt het hart de verzegeling van de Heilige Geest, en dat is Zijn getuigenis in het hart, in het geloof.

Bovendien trok de Vorst hun de treurklederen uit en gaf hun sieraad voor as, vreugde-olie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest.

Hij gaf hun ook drie juwelen van goud en kostelijke stenen. Hij nam de stroppen weg, wierp hun gouden ketenen om de hals en deed oorringen in hun oren. De gevangenen, deze troostrijke en aangename woorden van Prins Immanuël gehoord en alles wat gedaan gezien hebbende, bezweken bijna. Want de genade, de zegeningen en het pardon waren zo onverwacht, zo heerlijk en zo groot, dat ze niet bij machte waren het zonder schudden op de been te houden. Ja, de heer Wil viel geheel in zwijm, maar de Prins trad toe en stak Zijn eeuwige armen onder hem, kuste hem en omhelsde hem en beval hun allen goedsmoeds te wezen, want alles zou even snel uitgevoerd worden als tot hen gesproken was. Hij kuste en omhelsde ook de twee anderen die Wils metgezellen waren. Hen vriendelijk toelachende zeggende: „Neemt dit aan als tekenen van verdere liefde, gunst en ontferming over u; Ik beveel u mijnheer Registreerder dat gij in de stad Mensziel zegt, wat gij gehoord en gezien hebt.”

Het heil door de grote en heerlijke Immanuël verworven past Hij door Zijn Woord en Geest toe aan het hart. Dan blijft er geen twijfel noch verdenking meer over. Spoorloos is het ongeloof verdwenen, weet dat hij in de tegenwoordigheid van de door God gezalfde Koning niet kan bestaan. Maar bedenkt het wel, vanuit de verte loert hij nog op u, want hij is wel bang van de Koning, maar niet van Zijn onderdanen. Bij de minste afwijking van de Heere sluipt de helse vogelaar weer binnen met zijn zoet gefluit.

Toen, in de toepassing van het door Christus verdiende heil, werden de banden en boeien voor hun aangezicht in stukken geslagen en zo in de lucht geworpen en hun treden werden onder hen ruim gemaakt. En het hart sprak in ootmoedige erkentelijkheid: „Gij hebt mijn voetstappen ruim gemaakt.” De Heere wil dat Mensziel zal wandelen in de ruimte door Hem geschonken.

Dit deed hen nedervallen aan de voeten van hun Prins, die zij ook kusten en met tranen nat maakten, roepende met een zeer grote stem: „Geprezen zij de heerlijkheid des Heeren van deze plaats.”

Daarop beval Hij hun op te staan en naar de stad te gaan om daar te vertellen wat de Prins gedaan had in de naam Zijns Vaders. Hij gelastte ook, dat men met pijpen en handtrommels voor hen zou heen wandelen en de ganse weg langs spelen tot aan de stad Mensziel toe. Dus gebeurde hun, wat zij zich nooit hadden kunnen inbeelden.

De Prins liet ook de kapitein Geloof roepen en beval hem met enige van Zijn officieren met vliegende vaandels voor de waarde mannen van Mensziel heen te marcheren tot in de stad. Gaf hem ook last op dezelfde tijd als de heer Registreerder het algemeen pardon oplas in de stad Mensziel, met vliegende vaandels met duizend die hem volgden in de Oogpoort te trekken. En zo verder de hoge straat van de stad op te marcheren op de poorten van het kasteel aan en dat in bezitting te nemen tegen de dag dat zijn heer daar kwam. Daarenboven gebood Hij ook dat hij zou zeggen dat kapitein Oordeel en kapitein Uitvoering de burcht en bolwerken aan hem zouden overleveren, van Mensziel aftrekken en met alle man in het leger en tot hun Prins zouden wederkeren. Dus werd de stad verlost van de vreze der vier eerste kapiteins huns volks.

Nauwelijks waren ze dan in gehoorzaamheid aan Immanuël voor de Oogpoort of het arme en bevende Mensziel maakte een gejuich zo sterk, dat zelfs de kapiteins in des prinsen leger opsprongen. En ach, arme harten, wie kon hier ook kwalijk van spreken, nademaal hun dode vrienden nu weder het leven gekregen hadden, want het was hun als een leven uit de dood, hun oudsten in zulke luister en glans te zien. Ze hadden niets verwacht dan bijl en blok, maar in blijdschap en vreugde, troost en verkwikking en zulke aangename muziek dat een zieke er gezond van zou worden, vergezelde hen.

Gekomen bij de bewéldadigden, groetten zij dezen met de woorden: „Welkom, welkom, en gezegend is Hij die gespaard heeft. Wij zien,” zo voegden zij daarbij, „dat het wèl met u is, maar hoe zal het gaan met de stad Mensziel, zal het daar ook zo goed mee af lopen?”

Toen antwoordden de heer Registermeester, Consciëntie en de heer Verstand: „O, boodschap! Blijde boodschap! van het goede en van grote vreugde voor het arme Mensziel!” Nu heeft de stad een geweten dat gereinigd is door het bloed van Christus. En het verstand heeft van de Vader der heerlijkheid de Geest der wijsheid en der openbaring in Zijn kennis ontvangen.

Daarop hieven zij een ander gejuich aan, een gejuich dat de aarde deed daveren. Daarna vroegen ze wat meer in het bijzonder, hoe de zaken in het leger gingen en welke boodschap zij van Immanuël aan de stad hadden. Zij nu verhaalden alles wat hun in ‘t leger was wedervaren en wat de Prins hun gedaan had. Dat alles deed de stad Mensziel verwonderd staan over de wijsheid en goedertierenheid van Prins Immanuël.

Toen de morgen gekomen was verschenen de heren Verstand, Wil en Geweten op de tijd die de Vorst hun besteld had op de markt, waar de stedelingen hen opwachtten. Zij droegen het sieraad en spreidden die heerlijkheid ten toon, die de Vorst de vorige dag op hen gelegd had en die op dit ogenblik de straten door haar glans als verlichtten.

De registermeester opstaande en met zijn hand wenkende dat men zwijgen zou, las met verheven stem het pardon, de brief van Immanuël. Maar toen hij kwam tot de woorden: „De Heere, Heere God, genadig, vergevende de overtredingen, de ongerechtigheden en zonden,” konden zij hun blijdschap niet langer bedwingen. De inwoners bogen zich wel zevenmaal met hun aangezichten naar Immanuëls legertent. Luidkeels juichende van vreugde en riepen: „Dat Immanuël eeuwig leve!” In gehoorzaamheid aan Immanuël begonnen de jongelieden de klokken te luiden en het volk zong onder het geluid van de klokken tot verheerlijking van de grote Koning El-Schaddai daar Hij door Zijn Zoon en door Zijn Geest de stad zo wonderlijk had verblijd.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.