+ Meer informatie

Het rapport van de deputaten van „algemene en maatschappelijke aangelegenheden” op de synode te Hoogeveen

11 minuten leestijd

Het is misschien goed u aan het begin van dit artikel nog even te herinneren aan de werkwijze van de synode bij de behandeling van meer uitvoerige deputatenrapporten. Volgens de gebruikelijke huishoudelijke regeling voor deze kerkelijke vergadering, kan het moderamen voorstellen de agendapunten die nadere bestudering en voorbereiding vragen, te verdelen over commissies van rapport. Deze commissies rapporteren hun bevindingen aan de plenaire vergaderingen en komen met voorstellen, die de hoofdlijnen kunnen aangeven waarlangs de discussie zich verder zal bewegen. Het gevolg kan zijn, dat een uitgebreid deputatenrapport relatief weinig vergt op de plenaire zitting. Hierdoor kan het soms schijnen, dat de synode aan het werk van een deputaatschap wat weinig gewicht toekent, terwijl dit in werkelijkheid toch niet het geval is.

Deze ietwat negatieve indruk zou misschien ook enigszins gewekt kunnen zijn ten aanzien van het werk van ADMA-deputaten. Na het commissiewerk kon de plenaire discussie inderdaad beperkt blijven. Dit was echter ongetwijfeld mede een gevolg van het feit, dat er binnen de commissie een grote mate van overeenstemming kon worden bereikt ten aanzien van het werk van ADMA en een aantal duidelijke voorstellen ter overweging konden worden aangeboden. De ter synode in dit opzicht betrachte soberheid valt voorts wellicht ook nog enigszins te verklaren uit de omstandigheid, dat wij in onze kerken ietwat introvert zijn ingesteld, terwijl de arbeid van ADMA ten dele gericht is op hetgeen zich in bepaalde sectoren van het maatschappelijk gebeuren buiten de kerken afspeelt. Andere agendapunten boden waarschijnlijk veel synodeleden meer houvast om aan de discussie mee te doen en vergden daardoor ook meer tijd.

Omdat de bespreking tijdens de plenaire behandeling niet wezenlijk afweek van die binnen de commissie, lijkt het mij niet nodig in dit artikel deze twee consequent te blijven onderscheiden.

Daar de in het deputatenrapport aangeboden rangschikking van onderwerpen in de behandeling grotendeels werd gevolgd, lijkt dit ook voor dit artikel de juiste werkwijze.

Het deputatenrapport begint met vermelding van de samenstelling van het deputaatschap, zoals die ook terug te vinden is in het jaarboek van de kerken. Met grote waardering wordt de wijze waarop de heer W. Huizer als assistent gestalte wist te geven aan zijn functie gememoreerd. Dit punt was blijkbaar zo overtuigend, dat nader commentaar hier overbodig was.

De vermelding, dat br. J. M. van Delft sinds 1 januari 1977 het voetspoor van br. Huizer als zodanig betreedt kon voor kennisgeving worden aangenomen.

Deputaten rapporteren daarna over hun bezinning op de problematiek waarmede zij zich geconfronteerd weten. De neerslag van die bezinningsarbeid werd de kerken ter beschikking gesteld in brochurevorm. De titel „Dienst vanuit Christus” geeft al direct de denkwijze van de samenstellers aan. De wortel van christelijke dienstverlening wordt gevonden in de diakonie van de Here Jezus Christus, die op deze wereld gekomen is om te dienen en niet om gediend te worden. Met dit uitgangspunt wordt in principe al de ruimte èn de begrenzing van het diaconale dienstbetoon aangegeven, en worden we tevens geconfronteerd met onze moeilijkheden daarmee. Moeilijkheden, die gelegen zijn in ons zelf, in het functioneren van de gemeente én in de samenleving waarin we zijn geplaatst. Geroepen tot dienstbetoon, tot het stellen van „tekenen van. het Koninkrijk”, maar wetend dat het Koninkrijk van onze Here niet van deze wereld is. Hierdoor krijgt het diaconale werk in en buiten de gemeente een extra dimensie. In het kader van het synodaal gebeuren kan wel instemming betuigd worden met de schriftuurlijke lijnen, die door deputaten werden aangegeven, maar inhoudelijk geen brede bespreking plaatsvinden. Hetgeen deputaten in deze brochure bieden vormt echter prachtig studiemateriaal voor de kerken.

Naar aanleiding van het feit, dat het deputaatschap „Kerk en samenleving”, dat een meer specifieke bezinningstaak heeft dan ADMA, de kerken de brochure „bijbelse lijnen voor kerk en samenleving” ongeveer tegelijkertijd presenteerde, worden deputaten wel geadviseerd, zich voorzover dit wenselijk schijnt van elkaars werkzaamheden op de hoogte te stellen.

De andere werkzaamheden van het deputaatschap zijn verdeeld over drie secties: „Diaconale aangelegenheden”, „Maatschappijke aangelegenheden” en „Kerk en bedrijfsleven”.

Van het werk van de eerstgenoemde sectie werd met waardering kennis genomen. Het functioneren van classicale diaconale commissies en correspondenschappen is over het algemeen bevredigend en blijkt een vormende waarde te hebben voor ambtsdragers en gemeenteleden.

De contacten worden in belangrijke mate onderhouden door de diaconaal assistent. Helaas blijkt (nog) niet elke classis over een commissie of correspondent te beschikken. De redenen hiervan zijn niet duidelijk.

Tijdens de verslagperiode was er ook een voortdurende zorg voor het „Diaconaal Handboek”, waarvan een tweede deel verscheen. Een herziene uitgave wordt in het vooruitzicht gesteld.

Met diverse organisaties worden regelmatig contacten onderhouden. Met betrekking tot het participeren in een sectie „Nazorg” ten behoeve van kijkers en luisteraars naar bepaalde N.C.R.V.-programma’s over problematische levenssituaties worden enkele kritische geluiden gehoord. Er is namelijk geen duidelijkheid over de vraag of het hierbij gaat om een pastorale inbreng of een diaconale. De commissie ziet hier meer een pastorale taak. En afgezien daarvan ziet men er toch ook nog wel bezwaren in om zich als kerken via een deputaatschap zozeer bij een of andere organisatie te laten betrekken.

„Maatschappelijke aangelegenheden”.

Het werkterrein van deze sectie is zeer uitgestrekt. Toetsend, verkennend en getuigend zochten deputaten zich een weg in dit veld. Ook nu was er de confrontatie met voortdurende veranderingen van organisaties, normen en waarden. Regelmatig stond men voor de keus al of geen medewerking ten aanzien van bepaalde zaken, waarbij een beroep op hun partieipatie werd gedaan. Het is niet te verwonderen, dat het werk van deze sectie relatief veel aandacht krijgt ter synode. Begrijpelijk ook, dat hierbij ook nog al wat kritische opmerkingen worden geplaatst. De ter synode aanwezige deputaten blijken - misschien juist doordat zij een zodanige opstelling konden herkennen vanuit het eigen functioneren - hiertegen echter goed opgewassen.

De deelname van het deputaatschap aan de stichting landelijke „Gereformeerde raad voor Samenievings Aangelegenheden”, G.S.A., maakt de tongen los. Dit lag in de lijn der verwachtingen, gezien de bezwaren die op vorige synodes al tegen deze organisatie werden aangevoerd. Her is in het bestek van dit artikel niet mogelijk een enigszins volledige uiteenzetting te geven over de doelstelling en de werkwijze van deze G.S.A. Ik moet hier daarom volstaan met het volgende.

Deze stichting wil de gereformeerde bevolkingsgroep stimuleren tot het dragen van medeverantwoordelijkheid in de samenleving op het brede terrein van de welzijnsbehartiging. Zij wil dit doen door bezinning, het verstrekken van informatie, het nemen van initiatieven ter voorziening van leemten, en partieipatie in andere organisaties op dit terrein. Het uitvoerend werk geschiedt vooral vanuit de provinciale G.S.A.’s Dit kan inhouden: het verlenen van medewerking vanuit het gereformeerde achterland, aan b.v. reorganisatie van sociale dienstverlening, planning van buurthuiswerk, organisatie van telefonische hulpdiensten, samenwerking inzake sportaccommodaties etcetera. Dit uitvoerend werk kan regionaal zeer verschillend worden verricht en valt in zijn totaliteit nauwelijk te beoordelen. Wel is het een gegeven, dat in het verleden de proviciale G.S.A. in bepaalde regio’s tamelijk con amore scheen mede te kunnen werken aan veralgemenisering van het maatschappelijk werk, en daarmee dus aan deconfessionalisering.

Vele christenen zien dit als een verlies voor een bijbelse hulpverlening (waaronder ook schrijver dezes) en hebben o.a. daardoor weinig vertrouwen in het principiële klimaat van waaruit G.S.A. het werk verricht. Men mag er m.i. ook niet zonder meer vanuit gaan, dat deelneming van christenen aan de werksoort samenlevingsopbouw inherent is aan hun roeping als zodanig. Dit laatste vooral ook niet, omdat het begrip samenlevingsopbouw zoals het in de nederlandse samenleving wordt gehanteerd in sterke mate in ingekleurd vanuit een humanistisch-socialistische levensvisie. Dit maakt het functioneren van de G.S.A. in kerk en samenleving en dat van deputaten op hun beurt binnen de G.S.A. tot een zaak die tot grote voorzichtigheid maant. Dat deputaten zorgvuldig en kritisch bezig zijn binnen deze stichting wordt duidelijk uit hun rapportage alsook uit de G.S.A.-krant 1977.

Er is dus geen twijfel over het werk van deputaten in dit verband, maar wèl ten aanzien van het effect ervan. Vandaar, dat de discussie uitmondt in de volgende besluiten:

a. deputaten te machtigen binnen de G.S.A. eraan mee te werken, dat activiteiten als samenlevingsopbouw op schriftuurlijke wijze worden verricht;

b. deputaten op te dragen aan een volgende synode ook te rapporteren over hun kritische opstelling binnen de G.S.A., opdat de synode kan oordelen over de mogelijkheid van een voortzetting van de participatie.

Van de verslaggeving over de deelname in de „Stichting ter bevordering van Gereformeerd Pedagogisch Onderwijs” werd met dankbaarheid kennis genomen. De van de stichting uitgaande sociale academie „De Vijverberg” telt inmiddels 400 studerenden en hoopt in januari de eerste afgestudeerden af te leveren. Deputaten worden gemachtigd tot voortgaande samenwerking.

Naar bevind van zaken zullen de deputaten kunnen handelen ten aanzien van een in oprichting zijnde „Stichting Gereformeerd adviesbureau voor Levensen Gezinsmoeilijkheden”. Het initiatief tot oprichting ging uit van deputaten voor gezins- en bejaardenzorg van de Gereformeerde Gemeenten. Doelstelling: kornen tot bundeling van adviesmogelijkheden vanuit de participerende kringen. Van de noodzakelijkheid tot participeren in een „Evangelisch Welzijnsberaad” waren deputaten zelf niet geheel overtuigd en de synode blijkt in meerderheid in ’t geheel niet overtuigd, zodat het resultaat in de besluitvorming zich gemakkelijk laat raden.

„Kerk en Bedrijfsleven”.

Deze sectie heeft tot taak zich te bezinnen - en nu citeer ik het deputatenrapport - „inzake de plaats en de dienst van de kerk en het kerklid in een maatschappij, waarin de industrie hoe langer hoe meer een in het kerkelijk leven nog te weinig onderkende invloed uitoefent en waarin zich diepgaande veranderingen voltrekken”. In het rapport worden aspecten genoemd als: ideologie, klassenstrijd, staking, werkeloosheid, bodemuitputting en milieuvervuiling, welke mede het totaalpatroon van de problematiek in deze sector vormen. De ver doorgevoerde industrialisatie heeft ingrijpende gevolgen, in de eerste plaats voor de direct betrokkenen, maar daarna ook voor de gehele samenleving. En de kerk staat daarbij voor de opgave dié samenleving de evangelisatieboodschap onverkort én verstaanbaar te brengen. De sectie wil daarbij de kerken dienstbaar zijn. Zij heeft het belangrijke voordeel in de persoon van de industriepredikant, ds. Harder, over een „veld werker” te beschikken. Deputaten willen het proces van bewustwording van de hier globaal aangeduide problematiek bevorderen en zonden daartoe gedurende de verslagperiode een „Signaal” uit onder de titel „Als christen omdgaan met mensen en dingen”.

Het industriepastoraat, zoals dat namens onze kerken wordt verricht, kreeg als het ware bij verrassing gestalte vanuit het evangelisatiewerk. De predikant die dit werk verricht wordt dan ook vanuit het deputaatschap voor de evangelisatie begeleid. Daardoor is er tussen de sectie „Kerk en Bedrijfsleven” en dit deputaatschap een intensief contact ontstaan, dat inmiddels heeft geleid tot het formeren van een permanent overleg. Zowel de ADMA-deputaten als die voor de evangelisatie verzoeken het fiat van de synode om dit overleg te continueren. Deze verzoeken veroorzaken bij de commissie een acute „spinnewebfobie”. Men vreest dat dit ene web (overlegorgaan) met twee spinnen (deputaatschappen) erin op den duur verwarrend zou werken en de beeldvorming van de verschillende te behartigen zaken niet zou dienen. Daarop bijkt het merendeel van de synodeleden met dezelfde Symptomen te zijn aangedaan, zodat nader beraad tussen de commissie en vertegenwoordigers van beide deputaatschappen een probleemoplossend voorstel moet opleveren. Het uiteindelijke resultaat is een besluit tot voortzetting van het permanen overleg met dien verstande, dat in de komende drie jaar gewerkt zal worden aan de voorbereiding van een generaal deputaatschap „Kerk en Bedrijfsleven”.

Hierbij dient aangetekend te worden, dat de betreffende deputaten evenals alle rechtgeaarde ouders wel moeite hadden om de gedachte aan verzelfstandiging van deze hun telg te verwerken.

Dit artikeltje over de behandeling van het ADMA-rapport op de synode te Hoogeveen zou hiermee beeindigd kunnen worden, ware het niet dat ook dit verslag moet gewagen van kerken, die hun bijdragen niet verleenden. Er leven dus blijkbaar hier en daar enige twijfels of bezwaren omtrent het werk van het deputaatschap. De meest aangewezen weg om tot een spoedige oplossing voor deze problemen te geraken is misschien deze, dat betreffende kerkeraden tegelijk met de verschuldigde bijdrage deputaten hun zorgvuldig geformuleerde bezwaren kenbaar zouden maken. Het gehoor van deputaten zou er wellicht door gescherpt worden. Willen de hiervoor in aanmerking komende breeders die dit lezen deze suggestie doorgeven aan hun kerkeraad? Een positief resultaat zou deputaten die in dienst der kerken veel privé-tijd aan ADMA zaken geven ongetwijfeld bemoedigen.


HET MOEST ER VAN KOMEN!

Ja, inderdaad het moest er nu toch van komen. Drie jaar geleden is de abonnementsprijs van ons blad voor het laatst verhoogd. Dat is wel een unicum.

Ambtelijk Contact gaat m.i.v. 1978 f 12,50 per jaar kosten. Bekijkt U de no’s van 1977 nog eens en vergelijk de prijs met die van andere abonnementen, dan zegt U: „f 12,50? dat valt me nog mee!”

Wilt U zo vriendelijk zijn om meteen het verhoogde bedrag voor 1978 over te maken? De penningmeester zal U dankbaar zijn.

Op verzoek van het comité:

K. Geleynse.

Gezien de plaatsruimte in het jan.-no. moest deze mededeling wat kort en zakelijk zijn. Excuus!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.