+ Meer informatie

Landbouwonderivijs heeft grote aantrekking's kracht

6 minuten leestijd

„Er is momenteel onder de Jeugd een g^ote belangTStelllngr voor het onderwas aan de landbouwscholen. Dit is opmerkel^k, want aan het einde van de Jaren zestig: en het begin van de Jaren zeventig verkeerde dit onderwies duldeU^k in de malaise."

Dit vertelde ons Ir. J. H. Wiersma, directeur van de Christelijke middelbare agrarische school in Futten. „Het is eigenlijk een landelijke ontwikkeling. We hebben de laatste jaren een „hausse" in de scholen die te maken hebben met alles wat groeit en bloeit. De jongeren wenden zich kennelijk af van alles wat te maken heeft met onze geïndustrialiseerde maatschappij. Men wil weer naar de natuur terug. Maar ze kunnen natuurlijk niet allemaal boer worden.

We hebben diverse leerlingen hier op school waarvan de ouders wel een bedrijf hebben, maar waarvan we bij voorbaat al weten dat het niet zal worden voortgezet. Ook hebben we nogal wat leerlingen die hier op school komen met de bedoeling om boer te worden, maar als ze worden geconfronteerd met de problemen daarvan en de bedrijfseconomische gegevens onder ogen krijgen, het toch niet zien zitten. Zulke jongelui zoeken dan wat anders. Met een diploma middelbare landbouwschool kun je velerlei kanten op: voorlichting onderzoek, handel enzovoort. derboerderijen, dierenparken, maneges en hondenkennels. Men werkt daar veelal met een vrij groot kapitaal, maar met wel welwillend doch erg ondeskundig personeel. Dat beroep van dierenverzorger trekt ook wel meisjes aan. Zodoende hebben we de laatste jaren ook vrouwelijke leerlingen op de school."

Hoeveel procent van uw leerlingen zullen ultelndeiyk boer worden? „Dat is moeilijk te zeggen. De meeste jongelui nemen pas na de militaire dienst een besluit wat ze mteindelijk gaan doen. Maar het is, dacht ik, reëel om te zeggen, dat tenslotte niet meer dan 16 procent van de leerlingen tenslotte boer wordt. De anderen krijgen een nevenfunctie in de landbouw."

Er is tegenwoordige nogal wat kritiek op de landbouw. Natuurmilieu- en dierbescbemiers willen ' de vr^heid van de boer sterk inis^perken. Wordt daar ook op school .-8%9iiiii*s**«»He^fc nog over gepraat? TtTtP'DTrvD'm'Dr'VD „Natuurlijk komt dat aan de orde. We ni£jUVJljUZ,UULrJUK ^^.^^^^ ^^^j^ .^^^ ^^,^^^^ ^^^ ^^

Twee jaar geleden zijn we begonnen met een opleiding voor dierverzorger. Daarmee hebben we ingehaakt op een grote vraag vanuit de recreatieve sector. Denk aan kin

Het leerlingwezen, vroeger sprak men van het leerlingstelsel, is al heel oud. Reeds vanaf de tiende eeuw kennen wijde ambachtsman en de ambachtsgilden. Deze gilden zorgden voor de beroepsopleiding van leerling tot meester. Na 1800 is de positie van het gildewezen langzaam maar zeker verdwenen en daarvoor in de plaats kwamen in de tweede helft van de negentiende eeuw, de ambachtscholen van de grond. Hier konden de jongens naast de nodige theorie-kennis tegelijkertijd hun praktijk-ervaring opdoen.

Maar met het gildewezen was wel het leerlingstelsel-systeem ondergegaan en daarom werd druk uitgeoefend op de relieuhygiëne ingevoerd. Een leervak voor de leerlingen van de tweede klas. Daarin komen de ecologische en milieuhygiënische aspecten allemaal aan de orde. Meestal gering om het leerlingwezen op wettelijke basis te regelen. Dat wettelijk regelen werd gemotiveerd door te stellen dat veel ouders het loon van hun kinderen niet konden missen, zodat dagonderwijs op de ambachtscholen al niet meer mogelijk was én dat het aantal ambachtscholen te gering was om aan de behoefte voor vakopleiding te kunnen voldoen. Bovendien was het aantal vakrichtingen op die scholen ook te summier zodat op andere wijze moest worden voorzien in de opletdingsmogelijkheden voor een aantal ambachten.

Dat is wél de aanzet geweest voor de grote ontwikkeling in het leerlingwezen. worden deze zaken bekeken door de bril van de stedeling, van de niet-landbouwer. Die corrigeren wij wel, want wij kijken wel door het oog van de boer, die zijn dagelijks brood in zijn bedrijf moet verdienen. Daarnaast proberen we de jongeren wel begrip bij te brengen — en daar staan ze zeker

door L. J. Ruijgrok
voor open — dat ze medeverantwoordelijk zijn voor het bewaren van het landschap en het zuiver houden van onze natuur. De consequenties daarvan zullen ook de toekomstige boeren moeten dragen.

Altijd blijft dan echter wel het probleem in hoeverre mag je daarbij de boer in zijn bedrijfsuitoefening belemmeren. De natuurbeschermers praten wel eens erg gemakkelijk over inkomens en inkomensderving. Er moet ergens een compromis gevonden worden tussen het zo gaaf mogelijk houden van de natuur — wat de boeren zelf ook wel belangrijk vinden — en de mogelijkheid voor de ondernemer om zijn boterham te verdienen.

Wat vindt u het hoofdprobleem voor de Jongeren om straks boer te worden? „Nou, dat is wel de financiering. Om te kunnen beginnen moet de boer diverse tonnen investeren. Hoe dat dan moet met rente en aflossingen, bij alle onzekerheden die er zijn, is geen peuleschilletje om op te lossen. De investeringen zijn nodig want alleen dan kan je tot een hoge produktie komen. Die hoge produktie is nodig om tegen lage prijzen te kunnen produceren. Een ander punt dat ik nog wel •iiü noemen is de overneming van een bedrijf 'door een van de zoons. Het is hard nodig dat er goede afspraken worden gemaakt als er meer kinderen zijn. Als het bedrijf van vader blijft tot aan zijn dood en de zoon-opvolger moet dan aan de andere kinderen hun erfdeel uitbetalen kan zo'n jonge boer tot over de oren in de schulden geraken. Hier komen dan ook nogal eens grote ruzies van.

Hoe ziet u de toekomst van de landbouw? In de eerste plaats zullen we steeds, meer gespecialiseerde bedrijven krijgen. De gemengde bedrijven, die men vroeger zag: wat koeien, wat varkens en wat pluimvee, dat kan tegenwoordig niet meer. Men ziet dan ook, dat de gemengde bedrijven gaan „ontmengen". Een boer die en grasland en bouwland heeft, gaat een keus doen. We zullen moeten streven naar hoge produkties per manuur. De kleine bedrijfjes, met van alles wat, zullen verder verdwijnen. Je kunt er niet van leven. Er zullen wel boeren overblijven met weinig land, maar die zullen zich dan richten op het mesten van varkens, kalveren en pluimvee.

Voor de goede ondernemer zal er in de landbouw zeker plaats blijven. Ik kan me nie^ Voorstellen, dat we onze goede grond ongebruikt zullen laten. We zullen ook de basis van onze voedselvoorziening in eigen land moeten houden. Verder zullen er altijd jongeren zijn die het werken op het eigen bedrijf, voor eigen rekening en risico, in de vrije natuur, met dieren die je verzorgt en waarvoor je zelf verantwoordelijkheid draag:t, het meest aantrekkelijke beroep ter wereld vinden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.