+ Meer informatie

Ervaringen in het ambt

19 minuten leestijd

Onder deze titel vindt u vier bijdragen van ouderlingen onzer kerken. Het leek de redactie goed om, nu we voor een nieuw werkseizoen staan, enkele broeders aan het woord te laten over hun ervaringen. Dit kan andere broeders stimuleren en over hun eigen werk doen nadenken. We respecteerden het verzoek van een schrijver om zijn naam niet te noemen.

Vele jaren mocht ik ouderling zijn in een viertal gemeenten van onze kerken. Sinds kort ben ik, wegens periodieke aftreding, geen ambtsdrager meer. De vraag, hoe ik zelf het ambt heb ervaren, roept tal van herinneringen op. Het verplaatst me naar de dag, waarop ik voor het eerst tot ouderling werd gekozen. Wat was er een opzien tegen het ambt. Drager-van-het-ambt, wat een gewicht, wat een opdracht, wat een verantwoordelijkheid. Toen het besef ging leven, dat de Here riep en dat Hij bekwaamde werd het ook al meer: wat een onderscheiding, wat een bevoorrechting. Juist dit besef, geroepen te zijn door de Here zelf, is mij in al de jaren, die volgden, vooral bij moeilijkheden en teleurstellingen, tot een onuitsprekelijke steun geweest. Was er een opzien tegen bepaalde arbeid of tegen bepaalde bezoeken dan gaf de wetenschap niet in eigen kracht te staan en niet voor zichzelf te komen moed en steun om verder te gaan.

De arbeid moest worden verricht in de gemeente. Ik kreeg dus als ambtsdrager met mensen te doen. Ik kwam aan ziek- en sterfbedden en bij het huisbezoek in gezinnen van verschillende geaardheid en geestesgesteldheid. Wat was het heerlijk als men van zieken en stervenden mocht weten en/of van hen mocht vernemen, dat zij bij gezondheid en ziekte, bij leven en sterven zich geborgen wisten in hun Borg en Zaligmaker. Wat viel het dan meestal gemakkelijk met deze broeders en zusters over Gods wegen en leidingen te spreken. Veelal ging ik dan zelf getroost en bemoedigd weer verder. Ook bij die broeders en zusters, die deze wetenschap misten maar een honger en dorst naar de gerechtigheid openbaarden waren de bezoeken vaak aangenaam en gezegend. Bij zulke bezoeken was het ook niet moeilijk, na afloop van het gesprek, met de noden en behoeften voor Gods aangezicht te komen. Pleitend op Zijn beloften mochten wij deze broeders en zusters voor de Here neerleggen. Moeilijker was het als men bij zieken en stervenden, en ook bij bejaarden, geen aansluiting vond. Als zij openlijk of meer bedekt moesten zeggen nog voor eigen rekening te staan, de Here Jezus niet te kennen en Hem eigenlijk ook niet nodig te hebben. Als ook Gods Woord, dat men liet spreken, kennelijk niet aansloeg.

Ook de ervaringen bij huis- en andere bezoeken waren verschillend. Eigenlijk kan men zeggen, dat zoals een mens leeft hij meestal ook sterft. Was het een leven uit en nabij de Here dan viel het sterven niet moeilijk, al bleef er een opzien tegen de dood. En wat kon het nog vòòr het sterven soms heerlijk licht en ruim worden bij zoekers en tobbers, die jarenlang geworsteld en gestreden hadden om zekerheid over hun staat.

Wat als een waarheid moet worden geconstateerd is, dat in het algemeen de geestelijke gesteldheid van de gemeente van nu belangrijk verschilt met die van vroeger jaren. Toen ontmoette men meermalen mensen, die bewust wisten overgegaan te zijn van de dood in het leven of anderen, die de noodzaak van deze overgang diep gevoelden en daarmee werkzaam waren. Tegenwoordig hoort men dit maar zeer weinig meer en is daarvoor bij sommigen in de plaats gekomen een vrijmoedig (vrijpostig?) spreken van een kind van God te zijn en weer bij anderen een zekere gelatenheid en onverschilligheid. Daarom is de arbeid van de predikant en ouderling, die getrouw willen zijn, er niet gemakkelijker op geworden. Het innerlijk contact is minder geworden en wat erger is, een innerlijk verzet tegen de waarheid dat de mens, ook het verbondskind, van nature midden in de dood ligt en van nieuws geboren moet worden is wel eens voelbaar.

Onmisbaar en van onuitsprekelijke waarde is als de ambtsdragers, predikant en ouderlingen, eensgeestes zijn, dat wil zeggen, dat zij bij verschillende geaardheid en begaafdheid elkaar tot steun zijn. Hierover heb ik niet te klagen gehad. Steeds was er een aangename samenwerking.

Moge de Here, vooral onder de jongere broeders, er velen geven, die met liefde voor Hem en Zijn dienst en met gebondenheid aan Zijn woord de kerken willen dienen in het ambt. Die beseffen, dat wat er ook moge veranderen de Here Dezelfde blijft in Zijn eisen en Zijn beloften. En die zo ook verstaan, dat niet datgene wat de mens graag wil of wat de tijdgeest ons wil doen geloven waarheid is, maar dat het onveranderlijke Woord van God richtinggevend is en blijft.

Middelburg,

Ouderling zijn is nooit gemakkelijk geweest, het is dat zeker niet in onze tijd — en nog minder in een vacante gemeente. Naar mijn ervaring maakt het in het laatste geval nog een aanzienlijk verschil of je „gewoon” ouderling bent dan wel het voorzitterschap van de kerkeraad op de schouders draagt: Ik had nooit gedacht dat dit functieverschil binnen de kring van de raad zó veel kon uitmaken en je persoonlijk zó veel zwaarder kan wegen. Je voelt een veel zwaarder verantwoordelijkheid voor de gemeente des Heren, en nog veel meer gebed voor geestelijk, lichamelijk en materieel welzijn van de (leden der) ge-gemeente blijkt noodzakelijk.

Je voelt als voorzitter ook je tekorten zwaarder wegen. Je hebt, evenals de overige ambtsbroeders in een betrekkelijk „jonge” kerkeraad, een drukke werkking. — In sommige ambten mag men geen nevenfunctie bekleden, uitgezonderd o.a. het lidmaatschap van een kerkeraad; het lijkt alsof je dát er best bij kunt hebben. Hier wringt voor mij de schoen; je ervaart dat naast die drukke werkkring het lidmaatschap van de kerkeraad eigenlijk niet mogelijk is, dat het praktisch te enen male onmogelijk blijkt het voorzitterschap van een kerkeraad onder de noemer „nevenfunctie” to brengen. Als je gevallen van ernstige, vaak slepende ziekte in de gemeente hebt, ziekte waarmee de dood gemoeid kan zijn (en blijkt te zijn) en gezinnen waarin men met huiselijke moeilijkheden te worstelen heeft — beschouw dan je voorzitterschap van de kerkeraad maar eens als een nevenfunctie waaraan je hoogstens een of twee avonden per week kunt besteden! Dat kàn en màg gewoon niet. Op een gegeven moment mòet je er — tussen avondwerk door — inspringen, tijd of geen tijd, vermoeid of niet, gezin of geen gezin dat om je vraagt — maar nóóit onvoorbereid, nooit zonder worsteling (hoe kort ook) om het juiste woord op de juiste plaats en het geschikte moment te mogen spreken. Ik herinner mij hoe ik eens uit mijn studeerkamer werd gehaald voor een ziek geworden, plotseling in onvoorstelbare doodsangst verkerend gemeentelid, en hoe ik op de geboortedag van een van mijn kinderen werd geroepen bij een in lichamelijke en geestelijke nood verkerende zuster; zonder een intens leven met de HERE kun je dan je ambtswerk niet doen.

Ik geloof dat het voor gemeenteleden véél moeilijker is volledig vertrouwen te schenken aan een ouderling dan aan een predikant. De eerste is „amateur” die straks wellicht weer gewoon in de kerkbank zit, de ander is „beroeps” en krijgt gemakkelijker een openhartige ontboezeming los (meen ik). Gebeurt het dan tóch dat gemeenteleden je als ouderling of als voorzitter van de raad hun voor de „buitenwacht” — zo zien zij het menigmaal — zorgvuldig verborgen gehouden moeilijkheden toevertrouwen dan mag je daarvoor, dunkt m.j, oprecht dankbaar zijn — zèlfs al is de keerzijde van de medaille dat bepaalde zaken je ontzaglijk veel tijd gaan kosten en — ik bedoel het als een climax — veel moeite en gebedsworsteling, ook tussen je dagelijks werk door (als je dus bezig bent in je „hoofdfunctie” …) Zo kan het gebeuren dat je ’s avonds om een uur of half tien uit je werk of lectuur-rondom-je-werk opstaat en tegen je vrouw zegt: Ik moet toch nog even weg voor een bezoek

— eenvoudig omdat je, waarmee je ook bezig was, een bepaald „geval” niet uit je gedachten kunt (en mag) bannen. — Gelukkig als je het aan de HERE kunt overgeven wanneer je eenmaal in bed stapt (ook al zou het zo zijn) dat je vantevoTen weet, dat je er mórgen wéér voor komt te staan). Zulk een sterke betrokkenheid had ik als „gewoon” ouderling toch minder, al vatte ik het ambt toen toch m.i. bepaald niet lichtvaardig op. Zij geldt in het algemeen voor het wel en wee der gemeente: je kijkt haar bijv. ànders aan als je een leesdienst hebt te leiden — maar ook als je in een gesprek met een ernstig zieke „naar de diepte moet afsteken” en dan de overtuiging krijgt dat tientallen jaren trouw lidmaatschap van de kerk

— hoeveel honderden Evangelieverkondigingen zijn dat, van der jeugd af aan?! — onthutsend weinig hebben achtergelaten of geen wasdom voor het geloofsleven hebben betekend. Hoeveel méér ga je dan het klemmende beseffen van de gelijkenis van de zaaier. Hoeveel te meer wil je dan, als je voor de gemeente op de kansel staat, het ieder ingriffen: Besef het toch goed: als er geen vruchten zijn ligt dat niet aan het zaad van het Evangelie, maar aan de bodem waarin dat zaad telkens weer valt.

In kort bestek kan ik over het contact tussen ambtsdragers en gemeente niet veel meer opmerken; slechts dit: misschien heeft een collega-ambtsdrager gelijk, die mij toevertrouwde: „Het lijkt net of ik meer van de gemeente geïsoleerd ben sinds ik in de kerkeraad zit. Ik spreek minder mensen, misschien ook omdat ik er minder tijd voor heb” — maar ik hoop dat dit dan slechts geldt voor „gewoon gezellig” — maar óók nodig — contact met gemeenteleden, doordat je meer geconcentreerd bezig bent met degenen, die permanente of langdurige ambtelijke steun nodig hebben. Als er vervreemding of een communicatietekort tussen de kerkeraad en de rest van de gemeente moet worden geconstateerd, is dat een ernstige zaak, die zeker in een vacante gemeente funest kan worden. Zeer bedenkelijk is het ook als de raad in zo’n gemeente het gevoel heeft er „alleen” voor te staan (al blijft het zo, dat vele gemeenteleden er zich nauwelijks een voorstelling van kunnen maken voor welke zorgen en problemen een kerkeraad zich maar al te vaak gesteld ziet). — Nog èrger voor de ambtelijke bearbeiding der gemeente is het, als kerkeraadsleden zich „alleen” zouden gaan gevoelen in de kring van hun ambtsbroeders; heeft men dat gevoel, dan moet dat op de eerstvolgende vergadering worden uitgesproken èn uitgepraat! Helaas hebben veel ambtsdragers een dermate „bezet” leven, dat er veel te weinig terechtkomt van rustige onderlinge contacten. Het is, helaas, ook geen onbekend verschijnsel, dat juist de gezinnen van ambtsdragers tekortkomen aan ambtelijke bearbeiding. Kan men nauwelijks de gemeente rondkomen, dan vormen hun gezinnen vaak de sluitpost op het rooster van de huisbezoeken.

Het is mij wel opgevallen dat tegenwoordig allerlei problematieken die vroeger nauwelijks of helemaal niet aan de orde kwamen op kerkeraads. (en „meerdere”) vergaderingen, veel tijd en aandacht vragen (niet in het minst die op het diaconale vlak). Worstel je als ouderling of diaken met zaken waarin de betrokkene dringend om geheimhouding heeft verzocht, dan kunnen die m.i. toch „inhoudelijk” aan de medebroeders ter vergadering worden voorgelegd, dus zonder dat namen worden genoemd; soms krijg je nl. met zulke zaken te maken bij leden die tóch vrezen dat zij door „een lek in de kerkeraad” over de tong zullen gaan — ook al wijs je hen op de in het nu geldende bevestigingsformulier uitdrukkelijk gevraagde zwijgplicht. Is het ervaring die hun deze gedachte gaf, is het zelfkennis bij hen, of is het tóch de gedachte dat ouderlingen en diakenen maar „amateurs”zijn?

Ik schreef hier vanuit mijn ambtelijke ervaringen in een vacante gemeente. Ten dele zullen de impressies en overpeinzingen in niet-vacante gemeenten gelijk zijn; diverse accenten liggen echter m.i. in vacante gemeenten anders en zwaarder. Al met al: Ik vind het veel moeilijker nu ouderling te zijn dan — zeg maar — een jaar of vijftien geleden.

Geve de HERE ook in onze niet-vacante gemeenten méér, véél meer gebed om meer arbeiders in Zijn wijngaard, opdat ook vacante gemeenten hun „eigen” predikant binnen afzienbare tijd zullen kunnen ontvangen.

EEN OUDERLING

Over dit thema te schrijven vind ik niet zo’n gemakkelijke zaak. Het ambtelijke werk is veelzijdig. Je komt met zoveel mensen en zaken in aanraking. Het kerkelijke werk en de mensen in de gemeente. Het geestelijke leven van anderen en van jezelf, niet te vergeten. Daarbij heeft het iets persoonlijks, al hebben anderen wellicht soortgelijke ervaringen.

Als ouderling heb ik het ambt altijd ervaren als een mooie, maar ook moeilijke opdracht. Je draagt een bepaalde verantwoordelijkheid, die je drukt. Een verantwoordelijkheid die je ook wel hebt als gewoon kerklid, als christen, krachtens het ambt aller gelovigen, maar die in het bizondere ambt sterker gevoeld wordt. Je voelt dat in bepaalde situaties, wanneer beslissingen genomen moeten worden, bij moeilijke huisbezoeken. Daartegenover staat de intense vreugde, die er kan zijn bij het besef dat je, ondanks alle lek en gebrek, mee mag doen.

Bij het vele werk dat er in de kerk voor de ambtsdragers te doen is, zie ik tegen het huisbezoek altijd het meest op. Hoe kom je binnen, hoe wordt je ontvangen en hoe verloopt het gesprek? Voldoe je aan je opdracht!

In onze kringen is het nog wel zo, dat het z.g. jaarlijkse huisbezoek als een vrij normale zaak wordt gezien. Als iets dat nu eenmaal bij het kerklidmaatschap behoort, al wil dit niet zeggen dat je bij de eerste de beste afspraak binnen komt of met open armen ontvangen wordt. Het komt nog wel eens voor dat vriendelijk gemaakte afspraken op het laatste moment afgezegd worden, zonder dat de motieven je duidelijk zijn. En ben je binnen, dan is het soms moeilijk om tot een vlottend en ter zake dienend gesprek te komen. Veelal heb ik de indruk dat er een geslotenheid is, die moeilijk open te breken is, door een tekort aan contact en vertrouwen.

Als ambtsdragers kom je ’s zondags in de kerk, meestal nog door een aparte ingang, je zit apart (?) en je verlaat de kerk apart, meestal als bijna alle mensen weg zijn. Bij allerlei aktiviteiten in de week komt er van ontmoeting van ambtsdragers en gemeenteleden ook niet zoveel. De gemeente ziet de ambtsdragers dan ook op afstand, als de mensen die éénmaal per jaar (als dat gebeurt) een avond op bezoek komen.

Wanneer ik daar dan nog bij reken de drukke maatschappelijke positie van de doorsnee kerkmens en de materiële instelling van deze tijd, dan is het dubbel moeilijk om tot een goed contact te komen.

Het huisbezoek krijgt dan m.i. iets opzette-lijks en de vertrouwenssfeer ontbreekt. Doe je dan ook nog gewichtig (iets wat m.i. met het ambt niets te maken heeft) dan geeft men zich helemaal niet. Veel gemeenteleden zijn ook kritisch ingesteld t.o.v. de ambtsdrager. M.i. ook een gevolg van gebrek aan contact. Mogelijk ook een vermindering bij gemeenteleden van het besef van de betekenis van het ambt. Men „mag” de ene ambtsdrager meer dan de andere en je verneemt dat dan nog wel eens na een huisbezoek zo in de „wandelgangen”. ’t Lijkt mij een bewijs, dat die huisbezoeken niet tot hun recht zijn gekomen.

Bij al deze ervaringen wil ik niet verzuimen ook te vermelden die huisbezoeken, waarin je tot een open en vruchtbaar gesprek kunt komen. Waarin het een vreugde is van hart tot hart met elkaar te spreken.

In het licht van de weergegeven ervaringen nog iets over alléén of samen op huisbezoek.

Het is naar ik meen veelal de gewoonte om samen op huisbezoek te gaan en dan éénmaal per jaar per adres. De praktijk is, dat je daar niet altijd aan toe komt. En het typische is, dat je een verzuim altijd te horen krijgt, ook van hen die er niet op zitten te wachten. Ik heb, mede door allerlei kerkewerk, er vaak moeite mee gehad om jaarlijks mijn wijk rond te komen. Toch moet dat. Ik meen zelfs dat we heen moeten naar meer bezoeken en dan niet steeds samen, maar ook, of misschien juist alleen. Mijn ervaring is, dat je alleen gemakkelijker tot een gesprek komt. Het bezoek is minder opzettelijk. Ga je samen, dan vraagt dit van beide ambtsdragers een sterk op elkaar ingesteld zijn. Ieder heeft zijn aparte wijze van benaderen en zijn manier van zeggen. Vaak ook een verschillend zien van de dingen, waardoor dán de één, dán de ander zijn benaderingspoging ziet doorbroken. Ook is er door de verplichte aftreding een sterkere wisseling in de koppels.

In het licht van de behoefte aan contact en vertrouwen meen ik, dat het goed en nuttig is, wanneer de ambtsdrager een aantal adressen heeft die hij alleen en meermalen bezoekt. Daar kan hij regelmatig eens aanlopen en belangstelling tonen voor de omstandigheden waarin men verkeert. Het behoeft dan niet steeds een speciaal huisbezoek te zijn. Er komen in die bezoeken vanzelf gelegenheden waarin men dieper kan afsteken. Het regelmatig komen van die ene, dezelfde ambtsdrager zal gemakkelijker doen spreken en contact en vertrouwen bevorderen. Men kan daardoor de wijken halveren en meer tijd vrijmaken. Wil men daarnaast toch het officiële huisbezoek ontvangen, dan is daartegen geen bezwaar. De wijkouderling kan dan een medebroeder introduceren. Uiteraard zullen er adressen blijven, waar het gewenst is dat het bezoek door twee ouderlingen wordt gebracht, maar dit kan m.i. sterk beperkt worden. Zeker het éénmansbezoek voor alleenwonenden, beiaarden, zieken, jongeren, weduwen enz. Het zal ongetwijfeld meer van onze tijd vragen.

Maar de tijd is toch voorbij, dat we meenden te kunnen volstaan met het bijwonen van een kerkeraadsvergadering en het afleggen van een huisbezoek in de week?

Den Haag,

Al heb ik niet veel ervaring in het ambt van ouderling, in totaal vijf jaar met een onderbreking van één jaar, heb ik toch gemeend aan het verzoek van de redactie van Ambtelijk Contact, om iets te schrijven over: „Hoe ik zelf dit ambt ervaar”, gehoor te moeten geven.

Hoe de leden van de kerk, niet in enig ambt staande, het kerkelijke leven, prediking enz. en ook de ambtelijke arbeid ervaren, wil ik als bekend beschouwen. Slechts enkelen van hen is het, doordat zij zitting hebben in een of andere commissie, vergund wat meer achter de schermen van het kerkelijke bedrijf te kijken.

Hoe verandert dit echter als men als ker-keraadslid medeverantwoordelijkheid te dragen krijgt, van outsider insider wordt en met alle kerkelijke arbeid in en voor de eigen gemeente, maar ook in breder verband, wordt geconfronteerd. Ik ervaar dit als een nuttig en leerzaam aspect van het ambtelijke werk, want nù pas gaat men beseffen, dat er op lange kerkeraadsvergaderingen echt wel wat meer gebeurt dan praten en nog eens praten.

Toch ben ik hier bij een punt aangeland, waar ik een critische opmerking wil plaatsen. Niet om provocerend te doen, maar omdat ik het gevoel heb dat hier wezenlijke gevaren het werk als ambtsdrager bedreigen. Ik doel hier op ’t gevaar van het kerkje-spelen, op ’t gevaar dat zakelijke dingen te grote, zoal niet de grootste aandacht krijgen en dat het zonder meer een zegen zou zijn als alles rustig verloopt en de kerkelijke machine maar zo geruisloos mogelijk functioneert. Ik ervaar dit in het ambt als een verzoeking en als een levensgrote kerkelijke zonde!

In aansluiting hierop wil ik ook signaleren de onbelangrijke, niet principiële dingen, waarmee men als kerkeraad vaak te worstelen krijgt, doordat ze voor sommigen wèl heel belangrijk schijnen te zijn. Ik weet wel, zulke dingen doen zich in alle sectoren van het leven voor en ook als meelevend kerklid krijgt men er mee te maken. Toch wordt men als kerkeraadslid er wel bizonder indringend mee geconfronteerd. Het kost ook veel tijd, die zoveel beter had kunnen worden besteed. Ik ervaar dit bij de ambtelijke arbeid als een benauwende en tot moedeloosheid stemmende zaak. Moeilijk is het daarbij niet te vergeten, waar het ten diepste om gaat!

Lettend op het bovenstaande, maar ook om andere redenen, ben ik van mening dat nieuwe kerkeraadsleden een goede, verstandige begeleiding nodig hebben om desillusies te voorkomen. Gebeurt dit wel? Men moet hierin eikaars lasten dragen en verlichten. Modern is het van teamgeest te spreken. Heerst zo’n geest ook onder ons? Misschien klinken mijn opmerkingen tot dusver negatief. Toch is het niet mijn bedoeling om negatief te zijn. Ik hoop dat wordt gevoeld dat de achtergrond van mijn opmerkingen de vrees is voor wezenlijke gevaren. Bij het gesignaleerde heb ik overigens werkelijk niet alleen maar aan anderen gedacht!

Als iets moois in de ambtelijke arbeid ervaar ik het huisbezoek. Het is moeilijk, maar geestelijk verrijkend werk. Ik heb het dit jaar gedaan aan de hand van enkele bijbelboeken, dus niet fragmentarisch met voorkeur voor bepaalde schriftgedeelten. De eenheid, rijkdom en veelzijdigheid van de H. Schrift kwam zo beslist beter tot zijn recht. Niet het ene huisbezoek een doublure van het andere, maar verrassend het verwonderd samen luisteren naar de stem van God, die uit de oude Schriftuur je zo nieuw en fris kan tegenklinken. Klinkt het wat overdreven, men vergeve het mij. ’t Is echt gemeend.

Ik vind dat het de voorkeur verdient met zijn tweeën op huisbezoek te gaan. Voor en na het huisbezoekseizoen moet men zich er op bezinnen. Gebeurt dat niet, dan is dat een groot manco en onefficiënt. Een kerkeraad moet een team zijn met een efficiënte werkverdeling. Bijvoorbeeld moet een ouderling die niet geschikt is voor ziekenbezoek — ook geldt dit m.i. voor een predikant — niet als het ware daartoe gedwongen worden. Het is maar een voorbeeld. Men moet elkaar in zulke dingen aanvoelen en aanvullen. Gebeurt dit, dan wordt er minder geknoeid en verknoeid.

Veel is onbesproken gebleven. Enkele dingen zijn maar oppervlakkig aangestipt. Toch hoop ik dat de opdracht tot dienen naar het voorbeeld van de grote ambtsdrager Jezus Christus als een mooie, maar tevens moeilijke taak getoond is.

Al zal ieder die tot een ambt in de kerk geroepen wordt, dit werk vaak moeilijk in overeenstemming kunnen brengen met de eisen die zijn dagelijkse beroep hem stelt en met de verplichtingen tegenover gezin en samenleving, toch zal het hem ondanks veel teleurstellingen en ondanks veel dat ontmoedigt, een grote voldoening schenken.

Harderwijk,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.