+ Meer informatie

(K)leervrijheid

3 minuten leestijd

Op de Generale Synode van 1959 diende een voorstel van de PS van het Zuiden (art. 214) om een uitspraak te doen dat bij de uitoefening van het ambt niet alleen ernst, maar ook deftigheid in de kleding past.

Aanleiding was de waargenomen ‘toenemende verwaarlozing van de kerkelijke stijl, o.a. ook uitkomend in de kleding van ambtsdragers, vooral van de predikanten’. Terecht nam de synode deze instructie niet over, echter in het commissierapport merkt de commissie op dat hier wel een taak ligt voor de kerkenraden.

Ten aanzien van ‘ambtskleding ‘ gelden een paar belangrijke uitgangspunten.

Allereerst kennen wij in de strikte zin geen ambtskleding. Een principieel verschil tussen de oudtestamentische eredienst en de nieuwtestamentische is dat de cultische offerdienst – met bijbehorende priesterkleding - is vervuld in Christus en dat de structuur van de nieuwtestamentische gemeente juist daarin verschilt van de oudtestamentische dat het plaatsbekledende karakter van het priesterschap niet meer aan de orde is sinds Golgotha: het gaat nu om de priesterschap van alle gelovigen. Het is principieel onjuist en on-Bijbels dat de Rooms Katholieke Kerk het priesterschap als ambt heeft gehandhaafd mét de daarbij verplichte ambtskleding.

De Reformatie heeft hiermee terecht gebroken. De Christelijke Gereformeerde Kerken staan in de lijn van Afscheiding, die de hervormde toga’s aan de wilgen heeft gehangen. Wij kennen geen leervrijheid, maar wel kleervrijheid. Een toga is een gewaad voor de geleerde en gedoctoreerde, maar niet per se een kenmerk van de bekeerde.

Maar hoever gaat die vrijheid? Zou de Bijbelse ‘deftigheid’ (Titus 2,7; waardigheid HSV ) die van ambtsdragers gevraagd wordt niet alleen slaan op zijn ootmoed en ernst en de liefde waarmee hij zich toewijdt aan de zorg voor de gemeente - maar ook op zijn hele voorkomen? De ambtsdragers dienen voorbeelden te zijn voor de gemeente (1 Tim. 4,12). Dan mogen zij zich zich niet wereldgelijkvormig gedragen. Want als dat al geldt voor ‘gewone’ christenen, hoeveel te meer voor de ambtsdragers (1 Petr. 1,14; Rom. 12, 2).

Sinds de synode van 1959 jaar is er wel wat veranderd, ook in de kleding van ambtsdragers en kerkgangers. Op vergaderingen van classes en synoden verschijnen steeds meer deelnemers in luchtige informele kleding. Eén ding moet mij echter wel van het hart. De geest van de tijd wordt ook door niet-christelijke waarnemers getypeerd als die van informatisering, individualisering en informalisering. En met name die laatste twee worden (ook) geëtaleerd in de stijl van kleding.

Een kerkelijke vergadering zou zich in dit opzicht dienen te onderscheiden door stijlvol te zijn. Een kerkelijke vergadering is immers per definitie niet een informele bijeenkomst. Zolang er voor allerlei gelegenheden verschillende dress-codes gelden : black tie, business, casual, feestelijk, gala, tenue de ville, dienen wij ons voor het kerkelijke werk ook passend te kleden. Niet urban, maar voorlopig ecclesiastical, in de aanloop naar celestial.

Betreffende de kleuren geeft het mij wel te denken dat de eigenschappen betrouwbaarheid, loyaliteit en geloofwaardigheid in een kleuren-roos worden uitgestraald door zwart, blauw en donkerblauw (zie www.dresscode.nl).

De kleding die iedere christen past is: ‘wees met de ootmoed bekleed…’ (1 Petrus 5,5).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.