+ Meer informatie

DE OPSTANDING UIT DE DOOD

7 minuten leestijd

Sommige theologische thema’s die in het Oude Testament nog weinig aandacht krijgen, worden in het Nieuwe Testament uitvoerig belicht. De opstanding uit de dood is één van die thema’s. In de nieuwtestamentische openbaring is de opstanding zelfs een kernthema. In dit artikel willen we wat grondlijnen uitzetten. De persoon en het werk van Jezus zijn beslissend en richtinggevend voor een Bijbels spreken over de opstanding uit de dood. Dan blijkt onze hoop gefundeerd te zijn op Gods handelen en wordt ons daarin het perspectief van het Koninkrijk ontsloten. Daar mogen we ook in deze tijd vrijmoedig van getuigen.

VERBONDEN MET HET WERK VAN JEZUS

Bij de bezinning op het thema opstanding uit de dood is het van wezenlijk belang dat we letten op de persoon en het werk van Jezus Christus. Reeds tijdens Zijn werk op aarde heeft Hij getoond, dat Hij macht heeft over de dood. In het Evangelie wordt ons duidelijk beschreven hoe Hij doden het leven terug heeft gegeven. Daar zit bovendien een opbouw in: het dochtertje van Jaïrus was zojuist gestorven, de jongeling te Naïn wordt uitgedragen om begraven te worden en Lazarus ligt al enige dagen in het graf. Tot driemaal toe toont Jezus dat er met Zijn komst in beginsel een wezenlijke verandering is ingetreden. Aan Zijn werk kunnen zelfs dood en graf geen grenzen stellen. Johannes 11:40vv. laat duidelijk zien dat Jezus in Zijn goddelijke zending de volmacht heeft ontvangen om doden op te wekken. Zo komt Gods heerlijkheid op bijzondere wijze aan het licht. De grenzen van de dood en van de tijd worden doorbroken. Dat hangt heel nauw samen met het in Jezus gekomen Koninkrijk van God. Dat Rijk is van een andere, nieuwe orde. Daarbij hebben dood en verderf niet meer het laatste woord. In de verschijning van Jezus op aarde laat God zien, dat Hij de Opstanding is en het Leven (Joh. 11: 25). We bemerken in het Evangelie dat het voor omstanders ongehoord is, dat Jezus zo over Zijn volmacht over de dood spreekt. In Marcus 5:40 wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van het hoongelach van de omstanders. De woorden van Jezus over het gestorven kind, waarvan Hij zegt dat het ‘slaapt’, zijn voor de omstanders onbegrijpelijk. Zij tonen daarmee geen zicht te hebben op wie Jezus werkelijk is. Hij is niet zomaar een profeet, een rabbi of een wonderdoener. Hij is de gevolmachtigde Zoon van de Vader en vraagt geen bewondering, maar geloof en overgave. In Zijn komst in het vlees komt zelfs de dood in een ander licht te staan. Het nieuwe van het Koninkrijk van God breekt zich in beginsel baan. De persoon en het werk van de Heiland roepen ook weerstanden op.

HET BESLISSENDE GEBEUREN

De vijandschap tegen Jezus groeit in die dagen meer en meer, juist als de Heiland expliciet laat zien dat Hij gekomen is om het verlorene te zoeken en te redden. De weerstand tegen die genadige boodschap komt vooral van de zijde van de geestelijke leidslieden en loopt uiteindelijk uit op Zijn veroordeling, kruisiging, sterven en begrafenis. Dan heeft het er alle schijn van dat Jezus geknecht is in de sfeer van dood en verderf. Het lijkt alsof de komst van het Koninkrijk is vastgelopen in de dood. Dan laat de kernboodschap van het Nieuwe Testament twee grondlijnen zien. Jezus Christus is door de Vader opgewekt uit de doden, en dat is o.a. blijkens 1 Korinthe 15 de beslissende inhoud van het Evangelie. Daaraan hangt het heil en die heilsboodschap berust op betrouwbare getuigenissen. Met de boodschap van dood en opwekking uit de dood, staat of valt de betrouwbaarheid van het hele Evangelie. Romeinen 4:24 onderstreept dat ook. We geloven immers in Hem, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft. De Heilige Geest leert zien, dat daar voor een christen alles mee staat of valt. Romeinen 8:11 geeft daarvan een helder getuigenis en legt de verbinding tussen het werk in Christus’ opwekking en het levendmakende werk van de Geest in de christen.

De tweede lijn die zich aftekent in het Nieuwe Testament is de opstanding waarbij Jezus Zelf handelend optreedt. De opwekkende kracht gaat van de Vader uit, maar tevens van de Zoon, die eenswezens is met de Vader.

DE BETEKENIS VOOR DE CHRISTEN

Vanuit het nieuwtestamentisch getuigenis is heel helder dat we over de opstanding uit de dood niet abstract kunnen spreken. Het is geen thema om over te gaan filosoferen en/of discussiëren los van datgene wat de Bijbel ons daarover aanreikt. Het gevaar is groot dat we in de eerste plaats bij ons verstand te rade gaan. We moeten ons laten leiden door het werk van God. Daarbij is het optreden van Jezus op aarde al een voorsmaak van de grote Toekomst. De christelijke hoop raakt niet alleen dit leven of alleen ons geestelijk bestaan, maar heeft verstrekkende betekenis voor tijd en eeuwigheid. Het heilswerk van God doorbreekt de grenzen van dood en leven, van tijd en eeuwigheid. Daardoor ontvouwt zich een ongekend perspectief. God is Heere over leven en dood. Wie door een levende geloofsrelatie verbonden is met Vader, Zoon en Geest, mag door genade delen in dat rijke perspectief van het Koninkrijk. Dat heeft betrekking op lichaam en ziel, op leven en sterven, op tijd en eeuwigheid. Het is zo onuitsprekelijk rijk en verreikend, dat de heerlijke beelden uit de Bijbel er ons nog maar iets van kunnen laten vermoeden. Er ligt op dit punt in de Bijbelse boodschap echter geen zweem van twijfel of de opstanding uit de dood wel te verwachten is! Het ‘hoe’ van die opstanding is nog niet ten volle onthuld, maar het ‘dat’ ligt onomstotelijk vast in onze opgestane Heiland, de Eersteling (vgl. 1 Kor. 15:20vv., 52vv.).

Wat kan het juist in de aanvechting van onze broze sterfelijkheid troosten, in geloof te weten, dat ons hele bestaan in Gods handen veilig is. Dat Hij waakt over het stof en dat Hij op de Jongste Dag ook ons zal opwekken uit de dood. Dat het in de aarde gezaaide lichaam toch toekomst heeft in onverderfelijkheid, in heerlijkheid, in kracht. Wat een heerlijke vreugde om dan het beeld van de Hemelse te mogen dragen. Dan is de sterfelijkheid voorgoed overwonnen. Dan is het Rijk van God voltooid en zijn de burgers van dat Rijk de strijd voorgoed te boven. Daar thuis in het Vaderland is de vreemdelingschap vergeten.

DE DISCUSSIE IS BLIJVEND ACTUEEL

Jezus ging de confrontatie aan met de Sadduceeërs die niet geloofden in de opstanding van de doden. Het is ook nu van groot belang dat we het weerwoord van Jezus op ons laten inwerken. De God van Abraham, Izak en Jacob, is niet ‘een God van de doden, maar van de levenden, want voor Hem leven zij allen’ (Luk. 20:38). Wanneer wij dit getuigenis over God veronachtzamen, wordt ons spreken over de opstanding uit de dood onbegrijpelijk en aanvechtbaar.

Uit het apostolisch getuigenis in Handelingen 10:40vv. blijken opstanding en laatste oordeel te behoren tot de apostolische prediking. Vanaf de Pinksterdag is die kernboodschap centraal gesteld en dat heeft gevolgen voor het appel dat in de prediking klinkt. De Opgestane komt weer als Rechter over levenden en doden. Die boodschap heeft Paulus op de Areopagus in alle hoekigheid en aanstotelijkheid verkondigd. In Handelingen 17:30-31 horen we enerzijds van de opstanding van Jezus en anderzijds van bekering en laatste oordeel. Paulus weet dat dit apostolisch getuigenis nooit opgegeven mag worden.

In de theologische discussies merk je daarentegen dat er op verschillende manieren beknibbeld wordt op de persoon en het werk van Jezus. Zo willen sommigen de opwekking in Marcus 5 op een rationele wijze verklaren. Jezus zegt immers dat het kind slaapt. Jezus zou dan onderweg nauwkeurig de ziektesymptomen hebben nagegaan en op grond van Zijn grote medische kennis geweten hebben dat er sprake was van schijndood. Hij heeft het kind weer in het leven geroepen en zou daarmee de begrafenis van een schijndode voorkomen hebben. Dit staat haaks op de boodschap, dat hier al het menselijke en natuurlijke vermogen aan het einde gekomen is, ook dat van de artsen. Nu treedt God in Jezus op als God van de levenden!

Ontkenning van de opstanding maakt het geloof tot een lege huls; dan zouden dood en verlorenheid toch het laatste woord hebben. Nu klinkt het uitdagend en getuigend: ‘Dood, waar is uw prikkel?’

In Rijnsburg valt bij het graf van de Graven van Holland als randschrift te lezen:

‘Een linnen cleet,

Een houten plancke

Vaer ic mede int ander Lant’.

Het is een inscriptie van aangrijpende eenvoud en met een diep geloofsgetuigenis. Hierin komt enerzijds de werkelijkheid van doodskleed en begrafenis in alle ernst tot uiting. Anderzijds is er sprake van een perspectief, dat over de grenzen van dood en graf reikt.

‘Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus.’ (1 Kor. 15:57). Die geloofswetenschap maakt ons nooit lui, maar spoort ons aan (zie 1 Kor. 15:58).

Prof. dr. T.M. Hofman (1952) is hoogleraar Nieuwtestamentische vakken aan de TUA

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.