+ Meer informatie

Wereldraad, doof aan het linkeroor

Heidelbergse kerkhistoricus Besier belicht ontwikkeling op frontlijn van Koude Oorlog

10 minuten leestijd

Van de Wereldraad van Kerken hoort men niets meer, kopte het Duitse weekblad Focus onlangs. De Heidelbergse kerkhistoricus prof. dr. Gerhard Besier haalt de zinsnede aan om te onderstrepen dat de Wereldraad zich in een diepe identiteitscrisis bevindt. Hoe is die crisis in de oecumene te verklaren?

Vijftig jaar geleden leek er een gouden toekomst weggelegd voor de eenheid van de kerken. Het waren niet de minste mannen die zich in het door de oorlog verwoeste Europa voor geestelijke en oecumenische wederopbouw inzetten. In een interview in zijn kamer aan de universiteit Heidelberg, prachtig aan de Rijn gelegen, schetst de kerkhistoricus Besier de deels spannende, deels tragische ontwikkeling van de naoorlogse oecumenische beweging. Hij legt uit dat de ineenstorting van de communistische regimes de mensen in de Oost-Europese landen de vrijheid schonk, maar de Wereldraad juist voor grote problemen plaatste. De leiders van de oecumene werden door het verleden ingehaald.

Boekwerk

Aanleiding tot het gesprek is het lijvige boekwerk "Nationaler Protestantismus und Ökumenische Bewegung - Kirchliches Handeln im Kalten Krieg", dat prof. Besier samen met Armin Boyens en Gerhard Lindemann schreef. De ondertitel geeft de kern weer. De ruim 900 pagina's tellende studie behandelt de verhouding tussen de Wereldraad van Kerken en de communistische landen van het Oostblok ten tijde van de Koude Oorlog.

Besier is geen onbekende op het gebied van kerk en politiek in dit tijdvak van de geschiedenis. Al eerder, in de eerste helft van de jaren negentig, liet hij aan de hand van uitgebreide gedocumenteerde banden zien hoe kerkelijke functionarissen in de voormalige DDR zich in het web van een dictatoriaal regime en zijn staatsveiligheidsdienst verstrikten. Daarmee veroorzaakte Besier een storm van kritiek binnen kerkelijke kringen in Duitsland. Met zijn laatste publicatie, waarin hij fundamentele kritiek op de houding van de Wereldraad van Kerken gedurende de laatste decennia van zijn bestaan uit, heeft hij zich zelfs de woede van de huidige secretaris-generaal van de Wereldraad, dr. Konrad Raiser, op de hals gehaald. Wie is deze man en waarom trekt hij zo ijverig tegen de windmolens van kerkelijke en oecumenische machtspolitiek ten strijde?

Conservatief

"Ik ben zelf christen - lutheraan, met contacten in evangelicale kringen. Men zou mij als een conservatief theoloog kunnen karakteriseren, hoewel ik geenszins de historisch-kritische bijbelmethode afkeur", formuleert de professor van middelbare leeftijd bedachtzaam. "Wel meen ik dat het geloof vast in de Heilige Schrift verankerd moet zijn. Daar hebben de grote evangelisch-lutherse kerken in Duitsland echter moeite mee. Zij willen tegelijk kerk zijn en met de tijdgeest meegaan. Die ambitie veroorzaakt onoplosbare problemen. De kerken verwateren en lopen leeg.

Langzamerhand is er weliswaar een proces van heroriëntatie op gang gekomen en wordt er weer meer nagedacht over de wezenlijke taken van de kerk, maar zulke overpeinzingen worden nog niet in praktijk omgezet. Diezelfde ontwikkeling binnen de moderne kerken heeft zich ook binnen de Wereldraad van Kerken voorgedaan, nog verzwaard door de factor van zijn handelen in de Koude Oorlog.

Tijdens mijn onderzoek naar de verhouding tussen het socialistische regime en de evangelisch-lutherse kerken in de DDR is mij reeds opgevallen wat voor belangrijke rol de Wereldraad in het verdeelde Europa speelde. Vanaf de jaren zestig ondernam de oecumenische raad gedurig pogingen om de westerse samenlevingen voor het socialisme te winnen. Let wel: niet voor de socialistische versie van de economie, want de oecumenische leiders bleven allen ontzettend gehecht aan die westerse economie. Genève, waar de Wereldraad zetelt, is immers bij uitstek het symbool voor het aangename burgerlijke leven in het kapitalistische Westen. In merkwaardige tegenspraak met die geografisch bevoorrechte positie begonnen centrale figuren binnen de Wereldraad in de loop van de jaren zestig echter het socialistische gedachtegoed te propageren. Bovendien werden de kerken in het Oostblok geromantiseerd. Die waren pas echt arm en daar kon je pas echt voelen wat christen zijn betekende. Zelfs de bekende Zwitserse theoloog Karl Barth droeg daaraan bij. Deze zinsbegoocheling binnen de Wereldraad trok mijn aandacht. Daar wilde ik de vinger achter krijgen."

Kritiek op subsidie

Het ministerie van Binnenlandse Zaken van de toenmalige regering-Kohl vond het eveneens een interessant onderzoeksthema en ondersteunde Besier en zijn collega's met ruim twee ton Duits geld aan subsidie, een niet ongewone gang van zaken in de Bondsrepubliek. Zodra die subsidiëring bekend werd, barstte de kritiek echter los.

Besier had daar wel op gerekend. "Men wist van mij, door mijn eerdere studies, dat ik kool noch geit spaar. Toch bleef het spannend. Enkele

bischoppen en kerkelijke functionarissen hebben met man en macht geprobeerd de subsidie stop te zetten. Secretaris-generaal Raiser, zwager van ex-bondspresident Richard von Weizsäcker, heeft vrienden op hoog niveau en ageert nog steeds tegen mijn wetenschappelijke activiteiten."

In het voorwoord van deze studie wordt hier nog fijntjes aan herinnerd. De geldkraan werd echter niet dichtgedraaid en Besier kon met zijn medewerkers het stof in de Amerikaanse, Zwitserse, Duitse en Praagse archieven laten opwaaien. Inmiddels is ook bekend geworden welke lijken hij in de kast van de Wereldraad ontdekte.

"De Wereldraad van Kerken was onder de laatste drie secretarissen-generaal volledig geïnfiltreerd door de Oost- Europese geheime diensten. Daarmee is ook het antwoord gegeven op de vraag waarom de Wereldraad de westerse kerken en samenlevingen bij voortduur aanviel. Na de aansluiting van de Russisch- Orthodoxe kerken bij de oecumenische organisatie in 1961 waren de machthebbers in het Oostblok verzekerd van een permanente luidspreker naar het Westen toe. Die kerken functioneerden als het verlengstuk van de communistische buitenlandse politiek.

Hun invloed blijkt uit het feit dat Emilio Castro, secretaris-generaal van 1985 tot 1992, en ook de huidige leider Raiser "Wunschkandidaten" van het Oostblok waren. Verder had de Oost-Duitse staatsveiligheidsdienst agenten in het voorzitterschap van de invloedrijke oecumenische jeugdraad en van twee commissies gekatapulteerd. Ook de KGB had zo haar "mollen": onder anderen de jonge patriarch Nikodim, die op zijn tweeëndertigste al een opzienbarende carrière als aartsbisschop achter de rug had en twee jaar later tot lid van het Centraal Comité van de Wereldraad benoemd werd. Sindsdien waren de Oost-Europese geheime diensten tot op de letter nauwkeurig op de hoogte van alle interne memoranda, gesprekken en besluiten. Open brieven van dissidenten als Andrej Sacharov en vervolgde geestelijken als Richard Wurmbrand en Laszlo Tökes werden door de Wereldraad genegeerd."

Reeds lang bekend

Waren die verontrustende feiten toentertijd niet bekend? Integendeel, beweert Besier. Instituten als Keston College in Groot-Brittannië, Glauben in der 2. Welt in Zürich en het Instituut voor Missiologie en Oecumenica in Utrecht leverden grondige analyses. Ook journalisten (denk aan publicaties van drs. J. A. E. Vermaat in deze krant) en organisaties als "Kruistochten/Open Doors", Stichting Hulp Oost-Europa etc. legden duidelijke gegevens over onderdrukking van christenen in het Oostblok en activiteiten van geheime diensten op tafel.

"De feiten lagen er. Het probleem was echter dat de geheim agenten in de Wereldraad deze organisaties en groepen afschilderden als rechts-radicale Koude-Oorlogshetzers, als reactionaire en aartsconservatieve lieden, die de wereldvrede bedreigden. Het begrip vrede speelt hier wel een heel tragische rol. Daarom hebben die analyses niets uitgehaald. Het merendeel van de moderne, liberale theologen in de Wereldraad was verblind door een gevaarlijk mengsel van naïviteit, idealisme en de wens de wereld te verbeteren. Veel oecumenische functionarissen hadden geen theologische opleiding genoten en waren ook nauwelijks in theologie geinteresseerd. Zij beschouwden zich als profeten en meenden de wereldgeschiedenis en de politiek veel scherper te kunnen analyseren dan anderen. Hier was sprake van een mateloze zelfoverschatting.

Daardoor was het mogelijk dat westerse afgevaardigden zich door de Oost-Europese delegaties lieten inpakken, die sowieso eenderde van het Centraal Comité vormden. En de kerken uit de zogenaamde derde wereld, die zich meestal eveneens aan de zijde van de Oost-Europese kerken schaarden, namen een volgende 30 procent in beslag."

Antiracismeprogramma

Een voorbeeld van de mate waarop de Oost-Europese vertegenwoordigers en daarmee de communistische regimes greep op de agenda van de Wereldraad hadden, is het omstreden antiracismeprogramma. Besier en Boyens besteden er in hun bijdragen uitgebreid aandacht aan. "Het is nauwelijks bekend, maar de meeste ontwikkelingen binnen de Wereldraad van Kerken hebben hun wortels in de Verenigde Staten. Zo ook het antiracismeprogramma dat secretaris-generaal Eugene Carson Blake halverwege de jaren zestig als het ware uit Amerika importeerde, hoewel er in Europa nu niet bepaald van racisme sprake was. Wel van geloofsvervolging, maar daarover werd niet gediscussieerd."

De meeste kritiek van de auteurs op de Wereldraad van Kerken is al vaker geuit. Nieuw zijn een paar cijfers met betrekking tot het antiracismeprogramma. Besier: "Zonder zijn lidkerken daarover te raadplegen schonk de Wereldraad onder Blake ongeveer 1,5 miljoen dollar aan enkele zeer radicale bevrijdingsbewegingen in Afrika. In 1977 kregen de ZANU en de ZAPU, Zimbabwaanse partijen die elkaar naar het leven stonden, elk een bedrag van 85.000 dollar. De gevolgen daarvan lieten niet op zich wachten. Vooral in de Verenigde Staten bleek duidelijk welke mentale kloof er tussen de leiders van degrote denominaties en hun schaapjes bestond. Miljoenen Amerikaanse christenen verlieten uit woede over het antiracismeprogramma van de Wereldraad de liberale kerken en sloten zich bij evangelicale groeperingen aan. Prompt raakten de bij de Wereldraad aangesloten kerken in een financiële crisis en verminderden ze hun oecumenische bijdrage drastisch.

De West-Europese kerken, met name de West-Duitse, werden daardoor vanaf de jaren zeventig de geldschieters van de Wereldraad. De teruggang van de invloed van de Amerikaanse kerken was niet ongunstig voor de Wereldraad. De Duitse kerken stelden zich namelijk veel bescheidener op dan de zelfbewuste Amerikaanse kerken en zouden niet zo snel openlijk kritiek op de Wereldraad formuleren. Idioot genoeg lagen deze bankiers van de oecumene binnen de Wereldraad tegelijkertijd, na Amerika, het zwaarst onder schot."

Treurige opsomming

De opsomming stemt treurig. Besier doet er nog een schepje bovenop. "De Wereldraad van Kerken is uiteindelijk aan het linkeroor doof geweest. Zijn ontvankelijkheid voor marxistische maatschappijkritiek en communistische zelfverheerlijking is voor mij het bewijs dat het Oostblok de Koude Oorlog mentaal gewonnen heeft. Slechts economisch heeft het die verloren. De gevolgen zijn tot op heden te merken. Op het toneel van de wereldpolitiek wordt de Wereldraad nauwelijks meer gehoord. Het grootste gevaar ligt echter in het verlies van theologische en christelijke waarachtigheid."

Prof. Besier weet wel een remedie: "De enige manier voor de Wereldraad om te overleven is breken met zijn sociale ethiek. De raad moet afstand nemen van de "kruistochttheologie", die alleen oog heeft voor sociale misstanden in de samenleving. Die weg heeft in de afgelopen vijftig jaar niet tot eenheid, maar juist tot verdeeldheid geleid. We zien dat de Russisch- Orthodoxe kerken, nu zij niet langer speelbal van de communistische machtspolitiek zijn, terugkeren tot hun oorspronkelijke theologische posities en op het punt staan om af te haken. En de afstand tot de Rooms-Katholieke Kerk is door het fameuze antiracismeprogramma slechts vergroot.

De Wereldraad doet er goed aan de hand in eigen boezem te steken en het onderzoek naar zijn eigen verleden rigoureus ter hand te nemen. Tot nog toe heeft de raad geen schuld bekend, hoewel christenen in Oost-Europa daar met nadruk om gevraagd hebben. De personele continuïteit binnen de Wereldraad stemt de vooruitzichten in dat opzicht echter niet rooskleurig. Aan de andere kant weten we dat de eenheid van de kerk niet afhangt van organisatorische en personele omstandigheden. Wanneer we Gods Woord en zijn leer, de theologie, weer boven aan onze oecumenische agenda zetten en nauwgezet bestuderen, is er nog hoop."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.