+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

36.

Nog had Eerlijk niet uitgesproken of er kwam hun ijlings iemand achterop, roepende: „Vrienden, als gij uw leven liefhebt, vlucht! want er zijn rovers in de nabijheid! ”

Maar Stoutmoedig doorzag het geval „Dat zijn er”, zo sprak hij, „die Kleingeloof beroofd hebben. Welnu, laat hen komen, we zijn gereed hen te ontvangen”. En dat getuigt van het paraat zijn tegenover de vijand. Zij keken naar alle kanten rond, maar waarschijnlijk hadden zij de stem van Stoutmoedig herkend, tenminste er was niets van hen te bespeuren.

Christinne begon zich nu, en begrijpelijk, zeer vermoeid te gevoelen. En nu wenste zij een onderkomen voor haar en voor haar kinderen. Toen Eerlijk dit vernam, sprak hij: „Niet ver hier vandaan is een goede rustplaats, namelijk ten huize van een zekere Gajus, een zeer achtenswaardig discipel”. Men besloot dus bij deze zijn intrek te nemen, te meer omdat de oude Eerlijk zich zeer gunstig over hem uitliet. Toen zij aan de deur van zijn huis kwamen, gingen zij de gastvrije woning binnen en terwijl zij naar de heer des huizes vraagden, trad deze hun reeds tegemoet. Nu verzochten zij hem een nacht in zijn huis te mogen vertoeven.

Gajus: „Gaarne, als gij goed volk zijt, want mijn huis is slechts bestemd om pelgrims te ontvangen” Dit was een blijde verrassing voor Christinne en de haren en op haar verzekering, dat zij pelgrims waren, leidde hij hen rond en wees hun een vertrek aan voor Christinne, haar kinderen en voor Barmhartigheid en voorts nog afzonderlijke vertrekken voor Stoutmoedig en de oude Eerlijk.

Nu zei Stoutmoedig: „Waarde Gajus, wat hebt gij voor ons avondeten? Want mijn vrienden hebben een lange en moeilijke reis achter de rug en ze zijn zeer vermoeid”.

„Het is wel reeds laat”, antwoordde Gajus, „dus heb ik op dit ogenblik niet veel om u aan te bieden, maar wat ik heb is tot uw beschikking”.

Stoutmoedig: „Wij zullen dankbaar zijn voor hetgeen gij ons geeft, want ik weet, dat gij een man zijt, die altijd zorgt, dat het de pelgrims niet aan het nodige ontbreekt”.

Nu ging Gajus heen en raadpleegde met zijn hofmeester Smaak het Goede genaamd. Toen dit in orde was, kwam Gajus weer bij zijn gasten, zeggende: „Komt, lieve vrienden, gij zijt mij hartelijk welkom en ik ben blijde dat mijn huis ruimte genoeg biedt voor u allen. Terwijl men bezig is de maaltijd te bereiden, verzoek ik u zelf terstond met enig goed gesprek te verkwikken”. Allen waren hiermee ten zeerste ingenomen.

Eerst vroeg Gajus: „Wiens echtgenote is deze bejaarde zuster, en dat jonge meisje, van wie is zij de dochter? ”

Stoutmoedig: „Deze zuster is de vrouw van een pelgrim, die reeds vroeger op reis is gegaan, en dit zijn haar vier kinderen. Dit jonge meisje is één van haar vriendinnen, die op haar raad tot de pelgrimstocht heeft besloten. De jongens hebben het karakter van hun vader en zijn begerig in zijn voetstappen te wandelen. Als zij maar een plaats zien, waar hun vader geweest is, en waar hij de voet heeft gezet, dan springt hun hart op van vreugde, en zij wensen te wandelen zoals hij gedaan heeft”.

„Wel”, zeide Gajus, „is dit de vrouw van de Pelgrim en zijn dit zijn kinderen? Ik heb de vader en de grootvader van uw echtgenoot zeer goed gekend. Hij behoort tot een goed geslacht, hun voorouders woonden eerst te Antiochië. De voorouders van uw man waren zeer geachte, eerbiedwaardige lieden, die alles over hadden voor de dienst van hun Meester. Van velen heb ik gehoord, dat zij hun leven willig hebben geofferd in Zijn dienst. Eën der eersten was Stefanus, en hij werd ter dood gesleurd en gestenigd. Jakobus, een ander van dit geslacht, werd gegrepen en met het zwaard gedood. En dan Petrus en Paulus, hoe zijn hun namen niet algemeen bekend geworden! Dan hebt ge Ignatius, die voor de leeuwen geworpen werd. Romanus, wie zij levend de stukken vlees uit het lichaam sneden, en Polycarpus, die in de vlammen stierf. Het zou onmogelijk zijn de namen op te noemen van al degenen, die smarten en de dood hebben verdragen uit liefde tot hun Heere en Heiland. Ik hoop, dat al uw zonen de naam huns vaders eer mogen aandoen en in zijn voetstappen mogen treden en dat hun einde zij gelijk het zijne!”

Stoutmoedig „Ik vertrouw dat het zo zal wezen, want ik heb opgemerkt, dat zij gaarne wandelen in de wegen van hun vader”.

Wat dunkt u, is het niet onuitsprekelijk groot, dat een goddeloze zondaar door het herscheppende genadewerk van de Middelaar Jezus Christus, als martelaar mag en wil lijden tot verheerlijking van Zijn naam en zaak? Enigermate werd het boek der martelaren voor ons geopend en zo begon de martelaarskroon te schitteren in onze ogen. De kinderen des koninkrijks weten niet wat dat is. Het zijn de koningskinderen van Gods genade, versierd met de adeldom van Zijn beeld, die van ganser harte de martelaarskroon knjgen te dragen.

Gajus „Ik hoop, dat het geslacht waartoe zij behoren, zich nog voortdurend zal uitbreiden, ja ik weet, dat het eenmaal de ganse aarde erfelijk zal bezitten.

Ik geef Christinne dan ook de raad naar goede vrouwen voor haar zonen om te zien, opdat de naam van hun vader en zijn geslacht steeds meer over de gehele wereld verbreid moge worden”.

Eerlijk „Wat zou het zeer te betreuren zijn indien zulk een geslacht moest uitsterven”. Gajus: „Dat laatste kan niet gebeuren, maar het kan door eigen schuld afnemen. Daarom gaf ik aan Christinne bovengenoemde raad, die ik hoop, dat zij zal volgen. En Christinne”, ging hij voort, zich tot haar wendende, „ik ben blijde u zo hier te zien in gezelschap van Barmhartigheid. Als ik u een goede raad mag geven, neem dit jonge meisje dan op in uw familie. Indien zij u toegeneigd is, geef haar dan aan Mattheüs, uw oudste zoon, tot huisvrouw. Op die wijze zult gij u een nakomelingschap op aarde verkrijgen” Hiertoe werd aanvankelijk besloten, en na verloop van tijd werden die beiden door de band des huwelijks verenigd. Doch later meer hiervan.

Vanuit het hart van Gajus werd gemeenschappelijk gesproken over de uitbreiding van Gods Koninkrijk. Niet één mens zoekt uit kracht van zijn geboorte op het kerkelijk erf de Heere Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem met aangenomen. In de grond der zaak leeft elk mens van nature uit een verbroken werkverbond. Daarom is de Middelaar van een zo veel beter verbond hun niet recht dierbaar. Hij weet niet wat het is de Gegevene des Vaders aan te nemen in het geloof dat door de liefde werkt. Dat kan alleen door wedergeboorte geleerd worden op de leerschool van de Heilige Geest. Het zijn de geestelijke bruiloftskinderen, die de Bruidegom kennen en liefhebben als geschenk van de Vader.

Maar desniettemin krijgt de Bruidegom ook Zijn bruid van de Vader langs de weg van het huwelijk. En zo heeft Hij het eerste teken van Zijn Goddelijke zending gegeven op een bruiloft. De verandering van water in wijn raakt de kern van het huwelijk. Als de vrouw zalig is in het baren van kinderen door te blijven in het geloof, dan drinkt de man zo hij is in het geloof, ook van die wijn. En zo werd in het huis van Gajus gesproken met een vaderlijke zorg over de heiligheid van het huwelijk tot steun van Christinne, die als weduwe bijstand nodig had omtrent haar zonen.

Deze zaken werden bij de onderhouding van de gemeenschap der heiligen niet op de achtergrond geschoven. Daar werd echt zorg gedragen voor het stichten van een echt christelijk gezin, waarin men elkander waardeert als geschenk van de Heere. Naar dit woord „Gij mannen, hebt uw eigen vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft, en Zichzelf voor haar heeft overgegeven”. Liefgehad heelt als geschenk van de Vader.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.