+ Meer informatie

Naar de Catechisatie

4 minuten leestijd

66.

DE KENNIS VAN DE VERLOSSING

De oorsprong der verlossing (1)

Onpeilbaar is de val van de mens in het paradijs. Ontzettend zijn haar gevolgen geworden.

U kent het antwoord uit het vragenboekje van Hellenbroek op de vraag: Welk gevolg trekt gij uit ’s mensen ellende? „Dat er naast de duivel geen ongelukkiger schepsel is dan de natuurlijke mens”.

Kennen we dit antwoord ook door persoonlijke ontdekking door de Heilige Geest?

Maar dan wordt ook de vraag geboren: „Mijn ziel, doorziet gij uw lot? Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God?”

De kennis van de ellende gaat aan die van de verlossing vooraf. Het „nieuwe geloof” van onze dagen keert dit om. En men beweert, dat je aan de voet van het kruis eerst je zonde leert kennen. Zou men ermede bedoelen, dat daar de zondekennis verdiept wordt, dan zou men gelijk hebben. Maar dat bedoelt men juist niet. En daarom is deze zienswijze onschriftuurlijk, onkonfessioneel, misleidend.

Schrift en belijdenis leren duidelijk, dat de orde, die God stelt, is: WET en EVANGELIE. „Waaruit kent gij uw ellende?” Dan is het antwoord in onze Heidelberger: „Uit de wet Gods”. Paulus schrijft in Romeinen7: „Ik kende de zonde niet dan door de wet”.

Eerst je zonde en ellende te kennen noemt men thans „remonstrants”. Welk een blindheid. Alsof dit een werk is van de mens, wat aan het geloof vooraf zou gaan. De rechte, zaligmakende zondekennis is door de Heilige Geest, Die het geloof in het hart werkt, door het Woord. Het echte geloof leert amen zeggen op al wat God in het Evangelie geopenbaard heeft. En „de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid”, 2 Kor. 7 : 10.

Nu is het anderzijds ook niet zo, dat iemand eerst heel het stuk der ellende moet doorleren om deel te ontvangen aan de verlossing. Onze Heidelberger laat duidelijk zien, dat ook in het stuk der verlossing en dat der dankbaarheid kennis van ellende gekend wordt. Gods kind raakt ten deze nooit „uitgeleerd” aan deze kant van het graf. Paulus schrijft in 1 Kor. 13 : 9: „Wij kennen ten dele”.

En ook dit. Wanneer de Heilige Geest de zondaar ontdekt aan zichzelf, werkt Hij ook de behoefte in het hart om van zijn ellende verlost te worden. De zonde wordt ook een last, Psalm 38. De tollenaar bad: „O God, wees mij zondaar genadig”. Hij bad dus ook om GENADE. Hij kreeg behoefte aan verzoening met God.

Er zijn mensen, die jaren en jaren lang praten over hun ellende, maar zij openbaren geen behoefte om van die ellende verlost te worden. Zij kennen geen hongeren en dorsten naar de Heere en naar de gerechtigheid. En dit is heel erg. Want met het slechts „praten” erover zal men nog eeuwig omkomen, tenzij de Heere hen hieraan ontdekt.

Boven zondag vijf van onze Heidelbergse Catechismus staat: VAN DES MENSEN VERLOSSING.

Verlossing is er dus voor de „mens”.

Hoe diep de mens gevallen is, hij was „redbaar”. En waarom? Wei, omdat hij gezondigd heeft door „verleiding”. De gevallen engelen hebben overtreden uit henzelf. Al lezen we bij hen van geen „proefgebod”, het was toch zo, dat zij ook een „vrijwillige” gehoorzaamheid moesten betonen. Verder kunnen en mogen wij niet intreden in deze verborgenheid, hoe de engelen, „die hun beginsel niet bewaard hebben” tot opstand tegen God zijn gekomen. De mens heeft gezondigd doordien hij „verleid” is geworden. Dit nam zijn verantwoordelijkheid niet weg of dat dit tot verontschuldiging zou hebben kunnen leiden. Want hij was „goed” geschapen, begiftigd met de allerbekwaamste gaven om vrijwillig zijn Schepper te gehoorzamen. Daarom heeft hij „moeden vrijwillig” overtreden.

De mens niettemin nog „redbaar”.

Wei zijn door de zonde zijn zielsvermogens diep aangetast en bedorven. Zijn verstand is verduisterd, zijn wil boos en verkeerd geworden en zijn hartstochten ongeregeld, onrein.

Maar wat door de zonde totaal bedorven is geworden, kan God VERNIEUWEN, REINIGEN. Vandaar dat we spreken van een HERschepping.

En dit is mogelijk geworden, omdat Christus deze weldaad heeft verworven door Zijn verlossingswerk, door verzoening op grond van Zijn VOLDOENING.

Die verlossing is niet van de zijde van de mens gekomen, maar is alleen te verklaren uit Gods „eeuwige gedachten des vredes”, naar Zijn ondoorgrondelijke wijsheid.

Wie hiervan enige kennis mag ontvangen en ingeleid wordt in dit heilig, aanbiddelijk mysterie der verlossing, zal met de apostel in verwondering uitroepen: „O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft de zin des Heeren gekend of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst gegeven en het zal hem wedervergolden worden?

Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen, Hem zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen (Romeinen 11 : 33–36).

Urk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.