+ Meer informatie

Zorg voor de financiën van de gemeente

5 minuten leestijd

Wie een kerkorde in zijn bezit heeft en enigermate met de inhoud daarvan bekend is, zal weten dat bij vele artikelen verwezen wordt naar een of andere bijlage. In hetzelfde boek zijn nl. 90 pagina’s bijlagen opgenomen in twee delen. Deel 1 bevat: formulieren, reglementen en instructies; deel 2: concepten en modellen.

Van die 90 pagina’s waren er bijna 6 nodig voor het reglement op de kerkvisitatie. Dit regiement bestaat uit maar liefst 73 vragen waaraan door de G.S. 1974 nog één vraag is toegevoegd nl. 44a (zie A.C. januari 1975, pag 3) Aan deze vragen gaan 5 algemene bepalingen vooraf en het geheel wordt besloten met 4 slotbepalingen.

De inleidende zin luidt: „De gewone kerkvisitatie, die volgens art. 44 K.O. jaarlijks in de gemeenten moet plaats hebben, zal naar de volgende regels geschieden”.

Nu zullen er maar weinig visitatoren zijn die deze zin zó opvatten alsof zij alle 74 vragen moeten stellen en daar dan ook een antwoord op mogen verwachten, ’t Is trouwens zo dat bepaling 1 spreekt van „de opdracht om aan de hand van dit reglement onderzoek te doen”, dus niet b.v. : bij de kerkvisitatie dienen de navolgende vragen te worden gesteld. Ook zijn een aantal vragen alleen bestemd voor vakante en/of garnizoenskerken.

Alle vragen stellen zou betekenen: een uur durende vergadering of een „ja en neespelletie”.

Het zou m.i. aanbeveling verdienen alle vragen eens nauwkeurig onder de loupe te nemen opdat kerkeraden en visitatoren weten of zij zich letterlijk aan de tekst moeten houden, ook al is de vraag duidelijk gegrond op een bepaling (art.) uit de K.O. Direct bij vraag 2 stuit men dan al op het probleem van de catechismuspreken. Hoe moet dat dan in vakante kerken waar behandeling van de catechismus weinig of nooit aan de orde komt?

Geldt deze bepaling misschien alleen voor niet-vakante kerken? En hoe moeten visitatoren reageren in gemeenten waar voor Heidelbergse catechismus gelezen wordt: de belijdenisgeschriften of waar, om welke reden dan ook beslist niet van een wekelijkse prediking uit de „H.C.” gesproken kan worden? Zo zouden er n.a.v. de vragen nog veel meer vragen gesteld kunnen worden, maar het verzoek is om iets te schrijven over bovengenoemd onderwerp.

Dàt aan de financiën der gemeente zorg besteed moet worden zal dacht ik, niemand betwisten. Duidelijk wordt dat ook weergegeven in de vragen 31 t/m 35, alsmede 70 en 71. De offerande is een wezenlijk onderdeel van de eredienst. Er zal regelmatig aandacht aan geschonken worden in de gebeden en de „aanbeveling” wordt vaak besloten met de woorden „de Here heeft de blijmoedige gever lief”.

Wel moet gevreesd worden dat het „offeren” een automatische handeling is geworden, getuige de veelal gelijke bedragen der collecten, zoals men die in „verantwoordingen” kan lezen. „De zorg begint bij het tellen”.

Worden alle collecten in tegenwoordigheid van verschillende kerkeraadsleden of door een daartoe gemachtigde commissie geteld? ’t Zal duidelijk zijn dat collecten geteld dienen te worden en dat, óók al geschiedt dit door een commissie, toch de kerkeraad verantwoordelijk blijft. M.i. dient elke kerkeraad dan ook bij het tellen betrokken te blijven en zolang het geld niet is geteld zal men moeten zorgen voor een goede bewaring, zó dat niet één persoon met de bewaring of het „vervoer” wordt belast. Dit behoeft geen wantrouwen tegen wie dan ook te betekenen. Is er geen goede brandkast of kluis in de kerk aanwezig dan zal het geld na de dienst moeten worden meegenomen. Dit dient dan echter wel te geschieden in een tas of doos die kan worden afgesloten. De sleutel zal berusten bij een ander dan bij degene die het geld meeneemt. Zo zal men ook voor een brandkast of kluis twee verschillende sleutels dienen te hebben zodat bij het openen altijd minstens twee personen aanwezig moeten zijn. Een andere mogelijkheid is: bij een bank een cassette te vragen en deze na de diensten via de nachtkluis in bewaring te geven. Het ophalen kan dan gebeuren op de dag dat geteld zal worden. Niet door de bank laten tellen dus want dit is de taak van kerkeraad of commissie. Gemakzucht of z.g.n. tijdsbesparing mogen hier geen rol spelen. Tellen na de dienst?

Geen opbergmogelijkheid in de kerk, dan maar tellen na de dienst? In grote gemeenten zal men daar niet zo vlug toe overgaan, maar zowel in grote als kleine gemeenten moet men dit m.i. toch niet doen. Zélfs in een kerkeraadskamer zijn vaak al vogels genoeg om het pas gestrooide zaad weg te pikken Waar direct na de dienst collectezakken worden geleegd, zet men a.h.w. de deur voor nog meer vogels wagenwijd open. Hoe moet het dan wèl?

In het voorafgaande zijn al enkele methoden aangegeven. Het zal duidelijk zijn dat aan de financiën (het geld dus) van de gemeente alle zorg dient te worden besteed en daarom onjuiste handelingen voorkomen moeten worden. Natuurlijk moet ook getracht worden om diefstal en fraude te voorkomen en dat kan m.i. het beste door te zorgen voor een vertrouwde bergplaats, kluis of brandkast, in het kerkgebouw.

Er zijn immers méér waardevolle dingen die opgeborgen dienen te worden? Vraag 35: Worden de gelden en bewijzen van eigendom, zowel van kerk- als armenadministratie, op een veilige plaats bewaard, dat er geen aanleiding kan bestaan tot wantrouwen, noch moeilijkheden bij aftreden of overlijden zich kunnen voordoen?

Hierbij dient dan ook gedacht te worden aan archiefstukken zoals notulenboeken, correspondentie, enz. (vr. 42). Zo zou er nog wel meer te noemen zijn, óók over de administratie maar voor deze keer is het wel voldoende.

Men denke er eens over na en waar nodig, neme men die maatregelen die voor een juiste zorg voor de financiën nodig zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.