+ Meer informatie

Herinneringen

6 minuten leestijd

9.

In onze tijd is er veel te doen over de vraag hoe lang een kerkdienst moet zijn, en wat zulk een dienst tot inhoud moet hebben. Denk nu niet, dat het onze bedoeling is een poging te wagen om daar een antwoord op te geven. Stel u zelf maar de vraag: Wat heeft een kerkdienst mij persoonlijk te zeggen? Het veiligst gaan wij zo wij dan niet met onszelf of anderen te rade gaan, maar ons afvragen of het leeft in het hart:


Een dag is in Uw huis mij meer
dan duizend, waar ik U ontbeer.
’k Waar liever in mijns Bondgods woning,
een dorpelwachter, dan gewend
aan d’ ijdele vreugd in’s bozen tent.


Bij zulk een gaat het niet over de duur van een kerkdienst of over de liturgie, maar is er behoefte in het hart om de Heere in Zijn huis te mogen ontmoeten, en als dat zo mag zijn, is er steeds weer verlangen opte kunnen gaan, omdat daar de plaats is waar de Heere woont, maar ook door middel van Zijn Woord tot ons spreken wil. Daar gevoelt men zich dan thuis en zingt het van harte: Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.

Dat wij deze regelen schrijven, is naar aanleiding van een geschiedenis, die vaak in mijn herinnering opkomt, en wel het volgende: Het is bijna een halve eeuw geleden wat wij u thans wensen mede te delen, in de tijd, dat Ds. Van Brummen de gemeente van Alphen a/d Rijn diende. De ouderen, die hem hebben gekend, weten met mij, dat hij een oprechte herder en leraar was. Dat zei hij niet van zichzelf, maar dat kwam in alles openbaar, zowel in het herderlijke werk, als in de verkondiging van het Woord Gods.

Zo geschiedde het, dat Ds. Van Brummeneen bezoek bracht in een gezin waar de vreze Gods woonde. Al dadelijk bij het binnen komen werd de vraag gesteld of Ds. een bezoek wilde brengen bij een oude buurman, die ernstig ziek was en ging sterven. Die oude zuster, bij wie wij zo gaarne vertoefden, verzorgde hem met al de liefde, die zij had, want die oude buurman leefde zonder God in de wereld, en daarom ook zonder hoop voor de eeuwigheid. In Gods huis kwam hij nooit, behoefte om Gods Woord te lezen had hij niet, en nog minder dat te onderzoeken. En zowas hij aan het einde van zijn leven gekomen. Uiteraard probeerde onze oude zuster met hem te spreken over de dingen der eeuwigheid, hem in liefde te vermanen, en er tevens op te wijzen, dat wij zo God niet kunnen ontmoeten, want dat er voor onze schuldbetaald moet zijn om de reis naar de eeuwigheid te kunnen maken. Deze woorden schenen enige indruk op hem te hebben gemaakt, want hij had verzocht of Ds. Van Brummen hem eens wilde bezoeken. Direkt gaf Ds. dan ook aan die vraag gehoor enwenddezich dadelijk tot deze ernstige zieke met de vraag: Waarom is het, dat u mij ontboden heeft? Welk antwoord, denkt u, dat gehoord werd?Odominee, ik kan niet meer beter worden en nu ga ik sterven, en ik wil zo graag naar de hemel. Wat zou de dominee hierop antwoorden?Zijn antwoord was kort en zakelijk, en metbeslistheid werd het woord gesproken: Oudevriend, luister eens. U wilt naar de hemel? Och man, daar kunt u het niet uithouden, want daar gaat de kerk aan om nooit meer te eindigen. Op aarde heeft u nooit in Gods huis verkeerd, daar was geen lust en behoefte toe, en nu is er in de hemel voor u geen plaats.

Welk een woord vol ernst in getrouwheid gesproken aan het ziekbed vanhem, diespoedig ging sterven. Ge denkt toch niet: dat woord was hard? Neen, dat was de waarheid. In de hemel geen plaats voor hen, die op aarde geen behoefte hebben gekend om in Gods huis te verkeren. Ds. heeft bij dit woord geen punt gezet, maar heeft, naar het Woord Gods, hem, die ging sterven, gepredikt, dat er nog mogelijkheid was om zalig te worden, uit de geschiedenis van de moordenaar aan het kruis. Als een getrouw dienaar heeft Ds. zijn eerste bezoek herhaald, en of het tot eeuwigheidszegen geweest is, weten wij niet, maar dit weten wij hieruit, dat niemand ongewaarschuwd naar de eeuwigheid gaat. Laten wij hieruit mogen leren, dat een Bileams wens te kort is als grond voor de eeuwigheid. Immers, Bileam wilde ook naar de hemel toen hij zeide: Mijn ziel sterve de dood des oprechten, maar met dat volk leven wilde en kon hij niet. En lezen wij niet van hem: En men doodde Bileam, de zoon van Beor, met het zwaard; in de strijd tegen Israel? Allen, die door genade met Gods volk leren leven, die alleen kunnen ook met dat volk sterven. Welnu, dat volk heeft de ware lust om de Heere te vrezen, en zij verlangen steeds om in Gods huis te mogen verkeren, dat is hun hoogst vermaak, en zij twisten niet hoe lang de kerkdienst moet duren, maar zien steeds weer heilbegerig uit naar dat ogenblik, dat zij mogen opgaan naar de plaats waar de Heere wonen wil.

Ten besluite de vraag: Hoe is het bij mij en u met het verlangen naar Gods huis? Wekken wij anderen op: Kom, ga met ons en doe als wij? Laat het ernstige woord van onze onvergetelijke Ds. Van Brummen tot ons mogen doordringen, ook in deze tijd. Hier op aarde geen behoefte om in Gods huis te verkei'en, dan zal het onmogelijk zijn e^nmaal hier boven altijd bezig te zijn met alien, wier lust en begeerte het was op aarde „in het huis des Heeren een lange reeks van dagen te blijven verkeren”, de Heere te dienen in Zijn tern pel.

Spreekt ook de Catechismus in Zondag 38 niet, dat in dit leven de eeuwige sabbat moet aanvangen? Op aarde is alles ten dele, maar het zal toch een waar begin moeten zijn.


Hoe branden mijn genegenheen
Om’s Heeren voorhof in te treen.
Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen,
Mijn hart roept uit tot God, Die leeft,
En aan mijn ziel het leven geeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.