+ Meer informatie

Kerkelijk besef

7 minuten leestijd

(5.)

We zagen, dat de Afscheiding van 1834 geen afscheiding van de Kerk was, maar van hen, die wel in de Kerk nochtans niet van de Kerk waren; die zich dus wederrechtelijk erin bevonden en op wie — indien de Kerk (door middel van de ambtsdragers) de haar door God opgelegde sleutelmacht getrouw had bediend — de kerkelijke tucht toegepast had moeten worden, als zij na de vermaningen weigerachtig bleven hun grove dwaalleringen af te zweren, evenals dit geschied is op cle generale synode van Dordrecht met cle Remonstranten-aanhang.

We zagen vervolgens, clat de Afscheiding van 1834 — door aan clit wederrechtelijk zich genesteld hebbend gezelschap de afscheidsbrief te geven — terugkeerde tot de ware Kerk. Werd de belijdenis in de Hervormde Kerk van haar kracht beroofd en terzijde geschoven en was het Gereformeerde karakter der Kerk totaal verloochend en verloren gegaan, cle Afscheiding herstelde in de kerk de belijdenis der vaderen, in onderwequng aan cle Schrift. Alzo stichtte — en laten wij clit toch ter dege in ons opnemen — cle Afscheiding geen nieuwe kerkformatie, maar is zij cle voortgezette openbaring van cle aloude Gereformeerde kerk in ons land.

Deze kerk werd — hoe kan het ook anders, als het de waarheid geldt? — van alle zijden fel bestreden. We zouden misschien denken, clat deze zuiver kerkelijke zaken ook alleen kerkelijk afgehandeld zouden worden, maar clan vergissen we ons. De na de Franse tijd in ons land tot stand gekomen liberale grondwet kende godsdienstvrijheid voor iedereen, maar men was zo „liberaal" (vrijheidsminnend), clat men deze vrijheid niet gunde aan de belijders van de waarheid. Dezen moesten — ofschoon zij als Nederlandse staatsburgers niets misdreven hadden tegen de regering — vervolgd, mishandeld, benadeeld, beboet, uitgescholden, rechteloos gemaakt, gevangen gezet worden. Een duidelijk bewijs van liberale „verdraagzaamheid" en hooggeprezen „menselijke verlichtheid".. Het ging met cle Afscheiding echter precies eender als eens met het verdrukte volk Israël in Egypte: hoe meer men het verdrukte, hoe meer het groeide.

De regering, speciaal koning Willem I, zag in, dat cle vervolging tot geen resultaat leidde. In ruim één jaar w r as het aantal „Afgescheidenen" reeds tot ongeveer 4.000 gestegen. De regering zon op middelen om aan deze „nieuwe godsdienst" (!) paal en perk te stellen.

Bij koninklijk besluit wilde zij wel zo goed zijn, de reeds via de heersende grondwet, aan de Afgescheidenen wettig toekomende vrijheid te geven, mits de kerken der Afscheiding. . . . zich eerst geheel ontbonden als kerken en daarna als privé-personen ootmoedig kwamen vragen, of zij als een nieuw soort godsdienstige vereniging erkend konden worden. De regering stelde daarbij zulke eisen, dat geen rechtgeaard Gereformeerde erop ingaan kon.

meerde erop ingaan kon. Allereerst moest cle „Geref. Kerk in Nederland" (clit was cle landelijke naam; plaatselijk noemden de kerken zich meestal: cle Gereformeerde Gemeenten; vanwege cle vervolging zette men er veelal „onder het kruis" bij) zichzelf ontbinden. Was deze eis te aanvaarden op grond van cle Schrift6 Neen!

Daarna moesten zij als een „nieuw godsdienstig genootschap" zich aanmelden. Hoe fijn gesponnen was deze listige zet! Als men dit aanvaardde, erkende men meteen, clat men niet cle ware voortzetting der aloude vaderlandse Gereformeerde kerk was. Was deze eis aangrond van cle Schrift? Neen!

De regering eiste vervolgens indiening van „nieuwe reglementen" dezer godsdienstige verenigingen." (Let wel: van „kerken" of „gemeenten" sprak de regering niet!) Als men zou komen met cle aloude Dordtse kerkenorde als regel van kerkelijk samenleven, zou de regering deze totaal afwijzen, omdat zogenaamd de Dordtse kerkorde voor de Hervormde Kerk gereserveerd moest blijven, hoewel men die orde niet met zijn pink aanraakte! Had men cle kerkorde maar gebruikt en gehandhaafd, dan zou de kerkelijke situatie van heden er totaal anders uitgezien hebben! Was ook deze eis (afzien van de Gereformeerde kerkorde) aanvaardbaar? Neen!

Verder eiste cle regering: afstand doen van alle bezittingen, inkomsten, rechten en titels der Herv. Kerk. Ook deze eis was niet minder listig gesteld: men wilde cle ten onrechte voor het Hervormde genootschap in bezit genomen kerkelijke goederen tot alle prijs in bezit houden. Dat het reglementaire kerkgenootschap vanaf 1816 tot heden (1957) alle bezittingen der oud vaderlandse Geref. Kerk zich toegeëigend heeft en nog steeds ten onrechte in bezit heeft, is door velen vergeten en tot cle meesten onzer niet meer doorgedrongen. Was deze eis (afzien van de wettige erfenis der vaderen) aanvaardbaar? Neen! Bij het zien van Hervormde kerkgebouwen en van alle andere Hervormd bezit in den lande moeten wij dan ook steeds bedenken: Dit is het wettig bezit van hen, clie cle ware voortzetting zijn van de kerk der vaderen. Niet aan de hedendaagse Herv. Kerk, maar aan de ware kerk in Nederland komt het bezit rechtens toe! Dat er nog geen krachtige pogingen zijn gedaan om via de rechterlijke macht uitspraak te laten doen in deze voor de Kerk zo gewichtige zaak, doet niets af aan cle waarheid van clit feit.

Dit koninklijk besluit van 5 juli 1836 was dan ook in zijn geheel onaanvaardbaar voor cle Geref. Gemeenten. Men besefte duidelijk: ons bestaan als kerk en de vrijheid om Gocl te dienen volgens Zijn

woord mag niet onderworpen zijn aan de goedkeuring van de Staat.

En daarom: inplaats van zich te bukken voor deze ongereformeerde staateisen, waarbij de Kerk dus afhankelijk zou worden van de al dan niet gunstige gezindheid van een aardse overheid, verkozen de Geref. Gemeenten toen veel liever het kruis der vervolging verder te dragen dan ontrouw te zijn aan het enige hoofd, den Koning der kerk, Wien men in deze meer gehoorzaamheid verschuldigd was dan hun vorst, ook al was deze uit het Oranjehuis, dat toen al ver verwijderd was van de leer der vaderen. Op de eerste generale synode, die 10 dagen duurde (men nam voor de belanben van de Kerk ruimschoots de tijd) en die in Amsterdam gehouden werd, verwierp de Geref. Kerk elke gedachte zelfs maar aan een nieuwe kerk: „Wij zijn de wettige, aloude Gereformeerde Gemeente."

Had de Afscheiding dit standpunt maar bewaard! Maar helaas!

Kerkman.

P.S. Brieven adresseren aldus: Kerkman, p.a. Administratie „Daniël", Ridder van Catsweg 244a, Gouda.

Wanneer Paulus met Silas en Timotheüs echter uit Filippi weer verder trekt, schijnt het, clat Lucas in Filippi is achter gebleven, want dan lezen we steeds weer vanaf hoofdstuk 17 van „zij" en „hun" en niet meer van „wij" en „ons".

Vijf jaar later, aan het eind van Paulus' derde zendingsreis is Lucas dan weer in het gezelschap van Paulus want dan lezen we in Hand. 20 : 6 „Wij nu scheepten af van Filippi."

Het is dus waarschijnlijk, clat Lucas die vijf tussenliggende jaren in Filippi is gebleven en wanneer de apostel aan het eind van zijn derde zendingsreis daar weer terugkomt, hij zich weer in Paulus' gezelschap voegt. Lucas blijft dan bij Paulus, tot cleze in Jeruzalem komt (Hand. 21) en dan gevangen genomen wordt.

Als Paulus na enkele jaren gevangenschap vanuit Caesarea naar Rome gaat is Lucas ook bij hem. (Hand. 27 : 1). Lucas is dus met Paulus naar Rome gegaan en daar bij hem gebleven, zoals blijkt uit cle brieven, clie Paulus vanuit zijn gevangenschap aldaar schrijft (Kolossenzen 4 : 14 en Filemon : 24).

Later, gedurende Paulus' tweede gevangenschap, vlak voor zijn marteldood, als alle anderen weg zijn, is Lucas nog bij hem zoals we lezen in 2 Tim. 4 : 11 „Lucas is alleen met mij."

Zo blijkt dus, clat Lucas de apostel Paulus veel heeft vergezeld en die omgang heeft dan ook een stempel gedrukt op Lucas' Evangeliebeschrijving.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.