+ Meer informatie

Geestelijke leiding in de prediking

49 minuten leestijd

Dit artikel is de inaugurele rede die prof. W. Kremer (1896 - 1985) in 1954 heeft uitgeproken bij de aanvaarding van zijn ambt als hoogleraar aan de Theologische School te Apeldoorn, thans TUA geheten. Deze rede is opgenomen in de bundel Priesterlijke Prediking uitgegeven bij Ton Bolland, Amsterdam in 1976. De redactie heeft toestemming tot plaatsing ontvangen van de dochters van prof. Kremer.

Waar op het erf van kerk en theologie ook over geklaagd kan worden, zeker niet over te weinig belangstelling voor de prediking. Dit is gelukkig te achten; het is ook verklaarbaar.
Gelukkig te achten, omdat daarin nog altijd blijkt het besef van de grote betekenis, die de prediking heeft voor het leven van de kerk. Het woord van Calvijn, dat de kerkelijke prediking de weg der zaligheid is, moge dan al niet ten volle verstaan worden, het leeft nog wek
Verklaarbaar is de belangstelling voor de prediking, omreden in de preek dc theologie, het dogma, onder het gehoor der gemeente gebracht wordt. „De preek onthult de dogmatische instelling”.1
Kan men de theologie vergelijken bij de zee, dan is de preek het strand waarop de golven uitrollen en doorzichtig worden.
Elke theologie, alsook het gemis daarvan, wordt in de prediking publiek en toetsbaar.
Hierbij is een typische wederkerigheid te constateren: de prediker komt langs theologische weg tot de prediking en de kerkganger concludeert van de preek totdc theologie. De prediking biedt, als explicatie en applicatie van het Woord Gods, langs theologische weg bereid, geestelijk voedsel en de gemeente eet daarvan o f. . . weigert het.
De belangstelling voor de prediking is ook daarom te prijzen. Zij bewijst, dat het rapport tussen kerk en theologie, ambt en gemeente, school en kerk nog niet door gesneden is.
In het licht hiervan is het volkomen begrijpelijk, dat de verschillen onder de Gereformeerde Gezindte in Nederland resulteren in de prediking. Gevolg hiervan is weer, dat de prediking het aantrekkings- of afstotingspunt in de kerkelijke verhoudingen is geworden.
Opmerkelijk is verder, dat de belangstelling voor de prediking veelszins een critisch karakter heeft. Deze criiische toon is niet te veroordelen. Daarin functioneert het ambt der gelovigen en treedt de kracht van het leven Gods in de kerk op de voor grond.
Nu is de meest voorkomende entiek heden niet, dat de prediking te weinig exegetisch, te weinig dogmatisch, zelfs niet te weinig actueel is, maar dat zij te weinig geestelijk is, Et moge verscheidenheid zijn in de opmerkingen over dit manco, het is algemeen. Er is vraag naar meer priesterlijke, pastorale, bevindelijke prediking.
Men constateert een tekort aan geestelijke leiding.2
Nu ben ik van mening, dat de leeropdracht, die de kerken mij toevertrouwden, mij noodzaakt aan deze klacht aandacht te schenken.
Immers, de kerken droegen mij op de amhtelijke vakken in combinatie met de uitleg van het Nieuwe Testament te doceren. Versta ik deze opdracht goed. dan gaat het in beide om de prediking Gods aan de gemeente verstaanbaar te maken, en zo geestelijke leiding aan de kudde Gods te mogen geven.
Nu staat onder dc ambtelijke vakken de homiletiek nog altijd op de eerste plaats.
Sta mij daarom toe mijn arbeid aan te vangen door enkele gedachten uit te spreken over:

GEESTELIJKE LEIDING IN DE PREDIKING

Allereerst dient vastgesteld, dat geestelijke leiding in de prediking eis is. De kerk bezit en leeft bij het wonder van het spreken Gods in Zijn Woord. Dit Woord is geen petrefact. Integendeel: het is het Woord „dat ook werkt in u, die gelooft". 1 Thcss. 2 : 1 3 ; het keert nooit ledig weer, het is een hamer en een vuur. Het wordt „levend en krachtig” genoemd cn daarom „een kracht Gods tot zaligheid”. Er mogen vruchten van dit werkende Woord vernacht en gezien worden. De Schrift spreekt van een geteeld worden in het evangelie: een wedergeboren worden door het Woord. Het wordt ook „Woord des geloofs" genoemd, Eveneens spreekt de Schrift van: onderwijzing, vertroosting, stichting, vermaning, door het Woord.
Daarom wordt ook gezegd, dat „het Woord Gods wies” en „kreeg de overhand”.
Dit levende Woord Gods is aan de kerk toebetrouwd om het tc prediken,
De effectiviteit van het Woord Gods rust enerzijds in het feit, dat God Zelf Zijn Woord draagt. Bavinck merkt op: „Het is altijd Zijn Woord; Hij is er altijd bij tegenwoordig. Hij draagt het steeds door Zijn almachtige en alomtegenwoordige kracht. Hij is het altijd Zelf, Die in wat vorm en door wat middelen dan ook, het tot de mensen brengt en er hen door roept”.
Nooit heeft dat Woord een inhaerente magische kracht. „Het Woord Gods is nooit los van God, van Christus, van de Heilige Geest: het heeft geen bestand in zichzelf; het is niet deïstisch van zijn Schepper en Auteur te scheiden, gelijk dc Schrift niet eenmaal door de Heilige Geest geïnspireerd is, maar voortdurend door die Geest gedragen, bewaard cn krachtig gemaakt wordt".3
Anderzijds heeft de kerk zich bewust te zijn, dat God Zijn Woord effectief stelt door haar dienst. De dienst des Woords is het intermediair Gods om Zijn Woord tot een kracht te stellen. De prediking is een vol-the o logische categorie. 4
Zij, die tot het werk van de dienst aan het Woord geroepen worden, dragen dan ook titels, die op grote activiteit wijzen: predikers, gezanten, dienaars, wachters, herders, leraars heten zij.
Hun wordt opgedragen te waarschuwen, te vermanen, de schapen te hoeden, de lammeren te weiden, te bewegen tot het geloof, te bidden van Christus’ wege, te zoeken, dat Christus een gestalte krijgt, te overtuigen, te wederleggen, te bestraffen.
Dit alles is niet te betrekken alleen op de toepassing van de preek, neen het is de fundamentele gedachte, waardoor heel dc dienst des Woords gedragen wordt.
Zoals dc arbeid van de arts gedragen wordt door het „geloof" in de krachten en tegenkrachten in het leven als schepping Gods, zo wTordt de arbeid van de dienaar des Woords gedragen door het geloof in de kracht van het werken Gods door Zijn Woord.
Deze openbaring Gods wil juist als Woord en Waarheid Gods in de mens tot volle gelding komen. Het gaat om wat men zou kunnen noemen de verenkeling van de waarheid in ons en voor ons.
Dc prediking heeft èn als explicatie èn als applicatie van het Woord Gods zich volledig bewust te zijn van en in dienst te stellen aan dit doel Gods.
God wil de geestelijke mens door het Woord doen geboren worden en hem daardoor leren en leiden, opdat Christus een gestalte moge hebben en er zij een opwassen in dc kennis en genade van Jezus Christus.
Paulus ziet de Galaten als kinderen, terwille van wie hij weeën doorstaat, totdat de gestalte van Christus in hen zichtbaar worde, want hij was in zorg over hen. Het is dan ook volkomen in dc lijn der Heilige Schrift, wanneer de belijdenis voortdurend onderstreept de grote betekenis, die de bediening des Woords voor de geboorte en de geestelijke welstand der kerk heeft.
En de Catechismus èn de Confessio Belgica spreken mét de Canones éne taak Eenzelfde gedachtengang vinden wij in vele buitenlandse confessies. Op buitengewoon heldere wijze heeft b.v. de Consensus Bremensis van 1595 de betekenis van de prediking als genademiddel ontschreven, Daar wordt tegenover de Geestdrijvers enerzijds, die alle middel uiisluïien en de Ubiquisten anderzijds, die de genade in het middel doen opgaan, dc volle nadruk gelegd op het wonder Gods, dat het Hem behaagt Zijn werk in de harten van zondaren te werken door het Woord Gods. dat hier als „ein Kraft Gottcs" beleden wordt.5
Omdat de prediking zich nu bewust in dienst heeft te stellen van dit geestelijk bedoelen Gods zal zij op geheel eigen wijze haar weg hebben te gaan.
Op duidelijke wijze heeft God Zelf door Pauliis het pad der prediking gemarkeerd.
In 1 Kor. 2 : 1-3 wordt gezegd, dat juist met het oog op het goddelijk doel der prediking, de verkondiging van hel martunon ion theou, een eigen wijze en vorm meebrengt.
Het kata van de prediking is door eigen inhoud en doel bepaald. Zij dient niet in sophia Iogou, in woord-wijsheid te geschieden, waarbij de tegels van dc rhetor bepalend zijn. Deze woord wijsheid zoekt in de acsthetische en intellectuele sfeer de mens te winnen. Zij richt zich derhalve naar de mens en laat ook de uiteindelijke beslissing aan de mens. Geen wonder, dat de apostel de sophia Iogou, sophia anthropou noemt en haar karakteriseert als sophia tou kosmou. De prediking dient e van gel ie-verkondiging te zijn. Wee haar, als zij op wijsheid der wereld gaat gelijken, juist, omdat zij het getuigenis Gods draagt, moet zij opkomen uit, gedragen worden door, en steunen in het werk van de Heilige Geest in prediker en gemeente beide.
De prediking beoogt geen effect in de aesthetische, noch in de intellectuele sfeer, evenmin in de sensuele naar de wijze van de sophia tou kosmou, maar in de pneumatische sfeer. Pneumatisch hier eerst gezien als de sfeer van de Heilige Geest, maat ook van de mens als geestelijke mens. Het geloof mag op geen enkele wijze rusten op wijsheid van mensen, maar op kracht uit God.
Het geheel eigen karakter van de prediking als geestelijke verkondiging was oorzaak, dat Paulus niet anders begeerde dan door dc Heilige Geest geestelijk te preken.
De prediking heeft daarom, zegt hij, haar eigen wijsheid in mysterie. Daarom is zij sophia tou theou en kan zij het aan om als dwaasheid voor de wereld te verschijnen. Dit raakt niet alleen de inhoud, maai ook dc wijze van bediening van het getuigenis Gods.
En omdat nu èn prediker èn hoorder beide gemakkelijk in de sfeer van de sophia tou anthropou geraken bij de bediening des Woords is hier voortdurende zelfcïitiek en goddelijke correctie nodig.
Mooi zegt J. van Andel: lsZo was de Prediker Paulus op de hemelse heilige leerschool; daar leerde hij van de Geest in welke woorden en in welke stijl hij het geopenbaarde mededelen zou‘\6
Paulus was geen routine-prediker. Hij had niet het meesterschap van de rhetor, die de kunst van de sophia Iogou, de knepen van het vak kent en hanteert. Hij begeerde te zijn dc dienaar, die door Gods Geest geleid, geestelijke dingen met geestelijke mocht samen voegen. Begrijpelijk wordt nu, wat hij schrijft: „En ik was bij u lied en in zwakheid, en in vreze en in veel beving”. 1 Kor. 2 ; 3. Het is juist dit staan in dienst van de effectuering van het getuigenis Gods door de Heilige Geest, dat de prediking zo ernstig maakt,
De volle verantwoordelijkheid komt daarbij op de prediker zelf. Hij kan het kruis van Christus verijdelen door wijsheid van woorden, de sophia Iogou.
In parallellie met de organische inspiratie is er ook een organische illuminatie van de zondaar, waarbij de prediker als auctor instrumentalis dienst mag doen. Hij zoekt de geestelijke mens te dienen, Doet hij dit niet, hij staat de Geest Gods legen en belemmert de welstand der gemeente.
Dit te beseffen maakt klein. Immers, wie is tot deze dingen bekwaam? Anderzijds maakt dit hoge ideaal voor de prediking ook begerig niet anders te willen dan dc Geest Gods wil.
Impliciet is met deze opmerkingen ook het doe! der prediking gegeven, Paulus onderscheidt in 1 Kor. 3 in de gemeente allereerst „natuurlijke” mensen, die de Geest niet hebben. Zij achten de prediking dwaasheid of trachten haar te dringen in de richting van de sophia tou Iogou. Dan onderscheidt hij „geestelijke” mensen, dat zijn zij, die door de Heilige Geest vatbaar geworden zijn voor de wijsheid van het evangelie en het als en kracht Gods hebben leren kennen. Nu zegt Paulus in 3 : 1 dat deze geestclijkr-menscn toch niet altijd als zodanig kunnen worden aangesproken in de prediking, Zij kunnen „sarkinoi” (vleselijk) zijn en daardoor nog slechts nèpioï en Christoi.
Zal de wijsheid Gods in het evangelie worden verstaan, dan dienen de geestelijke mensen teleioï te zijn, volmaakten. Daarom zegt Paulus: wij spreken wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn. De nèpioi heeft hij echter niet verwaarloosd.
Melk heb ik u moeten geven, zegt hij, geen vast voedsel, want dat kondt gij nog niet verdragen,7 *
Tussen deze variaties in de gemeente beweegt zich de prediking. En zij moet met deze verscheidenheid grotelijks tekening houden en deze doelbewust dienen, aangezien het Gode behaagt door de dwaasheid der prediking zalig te maken, die geloven.
Tot deze geestelijke dienst is affiniteit nodig tussen de prediker en de Heilige Geest. Hier klemt de noodzaak, dat de prediker zelf een geestelijk mens zij. die anderen moet kunnen leiden.
Terecht wees L. Lindeboom er reeds op, dat het voor de prediker nodig is „meer gebruik te maken van de binnenkamer, om dd£r, op de knieën voor God, in Jezus* school vurig te worden van geest en met kracht te worden versterkt door Zijnen Geest in den inwendigen mens. . .".8
Miskotte heeft gesproken van het „Waagstuk der prediking*', daarmee doelend op het absoluut onzekere of God ons woord tot Zijn woord wil maken.9 In het licht van 1 Kor. 2 en 3 is de prediking een geloofsstuk. Een geloofsstuk, omdat zij gedragen wordt door de eigen betuiging Gods, dat Hij Zijn Woord, dat wij prediken, wil stellen tot een kracht. Hij wil daardoor geestelijke zegen schenken.
Wanneer wij in heilig beven niet anders begeren dan de boodschap Gods te brengen, mogen wij Gods zegen verwachten.
Wij richten ons dan niet naar dc verlangens der mensen, hoe ook gevarieerd, maar zoeken de zekerheid, dat wij het getuigenis Gods doen klinken met woorden, die de Heilige Geest leert.
Zo is de prediking een geloofsdaad, hoe men dit ook wil smaden, gelijk dat van de zijde der dialectische theologie geschiedt. Een zeer sterk voorbeeld daarvan is wel, wat dr. Hoekendijk zegt in zijn inauguratie. Hij wijst daarop het feit, dat de kerk z.i. teveel aandacht besteed beeft aan de prediking naar binnen. Zij is teveel op zichzelf bedacht gewTeest en heeft de practische theologie „gehomileLiseerd”. Het gaat in de prediking om de wereld. Daarbij is de gemeente slechts klankbodem.
De geestelijke leiding door de prediking in de gemeente en aan de enkeling is hier ingeruild voor de aankondiging van het komende Rijk, een aankondiging, die via de gemeente als klankbodem, dc wereld inschalt.
De gemeente is dan, naar het eigen woord van dr. Hoekendijk, niet anders dan een vehikel van het Rijk in dienst van de wereld,10
De geestelijke leiding aan de enkeling door dc prediking is hier absoluut uit het oog verloren.
Juist het feit, dat God Zelf de prediking wil stellen tot geestelijke leiding, maakt deze voor de persoon van de dienaar des Woords altijd weer tot een geloofsdaad.
De schat van de dienst des Woords wordt gedragen in het aarden vat vol van gebreken. Hoe zijn wij in onszelf dit minister!utn onwaardig!
Wie zijn wijzelf in ons huis, ons hart, onze ootmoed tegenover het wonder van de boodschap, tegenover God Zelf?
Hoe past het gebed van Psalm fi9 op de lippen van elke dienaar des Woords: Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, Heere der heirscharen; laat hen door mij niet tc schande worden, die U zoeken, o God ïsracls! Ps. 69 : 7.
En toch zullen wij in het geloof vasthouden: God gebruikt Zijn Woord tot geestelijke leiding.11
De dwaasheid der prediking is het wapen van de Drieenigc God om alle tegenstand tc overwinnen, maar het is ook de staf, waarmede de schapen worden gehoed en geweid.12

W’anneer nu vaststaat, dat de dienst des Woords is ingeschakeld in het directe werk Gods in en aan Zijn kerk, zijn wij daardoor tegelijk antithetisch komen te staan tegenover opvattingen, die dit öf ontkennen öf scheef trekken.
Wij vinden hier allereerst Rome op onze weg. Naar Roomse opvatting bestaat de genade Gods in het gesteld worden in een bovennatuurlijke hogere zijnsorde, De genade is hier geworden tot gratia infusa, die als mystiek-ontische werkelijkheid in ons zich manifesteert.
Her zijn dan vooral de sacramenten, die tot dragers gesteld wTorden van deze tot een magisch fluïdum verworven genade. Deze sacramenten werken ex opere operato. De genade gaat hierbuiten het bewustzijn om.
Voor een aangesproken worden door het Woord Gods is hier geen plaats. Nog minder voor de I leilige Geest. Die dit Woord hanteert. Hier geen Spreker, geen Woord en geen aangesprokene. Hier is alleen maar een Gever en een ontvanger.
De genade is gemaakt tot een onpersoonlijke kracht. Er is hier van geen geestelijk leven, waarbij de mens zelf is ingcschakeld, sprake, evenmin als hier plaats is voor bevinding. De aanspraak van de prediking als intermediair Gods tot het geloof is hier op non-acticf gesteld, alsook de functie van het geloven zelf.13
Hoe geheel anders de Reformatie. Zij heeft tegenover Rome weer het Woord Gods als genade-middel gezien en in ere hersteld.14
Voor de Reformatie is God niet maai dc Aristotelische oorzaak. Hij is Spreker, de mens mag leren luisteren waar God het gehoor in hem verwekt. En dat horen is geloof, dat geloven verstaan en leven. Psalm 130 is karakteristiek voor de Reformatie: Ik heb op Uw Woord gehoopt. Eveneens Tsalm 56: In God zal ik Zijn Woord prijzen. Noord mans had gelijk: „God en de ziel kunnen niet nader tot elkander komen dan in Woord en geloof’.
Woord en Geest stemmen samen in het wekken en onderhouden van het geloof en door het geloven heeft de gelovige deel aan de verkondigde hei Is werkelijkheid. Hier geldt ten volle: Sola fide.
De levend ge maak te mens wordt door het Woord, dat hem aanspreekt, ten volle in het heil betrokken.
Voor Rome is de prediking verlaagd tot een begeleidingsverschijnsel, heenwijzend naarde andere mystiek-ontische werkelijkheid.
Dr. v, d. Pol heeft volkomen gelijk, als hij zegt, dar de plaats van de Heilige Schrift en de sacramenten in de Katholieke en Reformatorische spiritualiteit een wezenlijk verschillende is.15
1 Kor. 2 wordt door Rome niet gehonoreerd. In het voortdurend conflict met Rome zullen wij dit sterk moeten benadrukken.16
Een tweede beweging, die wij op onze weg ontmoeten, wanneer wij de prediking als het intermediair Gods voor de geestelijke mens beklemtonen, is het zogenaamde Liturgisme.17
Onder deze verzamelnaam vangen wij heden allen die, hoewel nog niet volkomen uit de grondverf gekomen, dit gemeen hebben, dat zij de liturgie stellen boven de prediking. Ook hier ligt een bepaalde opvatting van de genade achter. Leeft de kerk bij de trits Woord-horen-geloof of zoekt zij een krachl en de werking daarvan?
Bij dit Liturgisme wordt de genade een stroom, een goddelijke levensbeweging, die in dc eredienst aanbiddend begroet en vooral in het sacrament ontvangen wordt.
De vraag klemt hier: Komt er Iemand of Iets tot ons in de kerk? Wordt er tot ons gesproken of ondergaan wij alleen maar iets?
Dat hier de prediking qua talis en vooral als geestelijke leiding gedegradeerd wordt, is evident. Dat het oordeel en het heil Gods in dc prediking tot ons komt, is men hier verleerd. De grondwet van het Oude Verbond „Hoor Israël” is hier verwaarloosd. En de Nieuw-Testamentische echo op dit woord in het „Die een oor heeft. hore. wat dc Geest tot de gemeenten zegt”, eveneens.
De prediking is verlaagd rot het werk van de paedagogos, die het kind slechts naar school brengt. De prediking is paedagogic voor het sacrament. De kansel staat op de grens tussen gemeente en Avondmaalstafel.18
In deze religieus-romantieke sfeer heeft men het zien gekozen boven het horen en daarom weet men niet van het zich zalig luisteren bij de opening van Gods Testament.
Ook hier hebben wij de wacht te betrekken bij het pand der prediking, juist in het Nieuwe Testament is dg kerk dekerk van het geloof uit het gehoor.
Wie zich op de lijn van het Liturgisme beweegt, komt bedenkelijk dicht in het zog van Rome. Er is dan ook in verband met deze beweging terecht gesproken van „Katholiserend Protestantisme".19
Als derde ontmoeten wij in oppositie tegen het benadrukken van de prediking als geestelijke leiding het Barthianisme.
Dit moge de objectiviteit en de souvereiniteit van het spreken Gods sterk beklemtoond hebben, ten aan zien van de prediking, hoe zij deze ook heeft zoeken te actualiseren, heeft het een sterke devaluatie gebracht.
Allereerst is het gezag van de prediking ondergraver). Zij wordt namelijk geacht in naam van de kerk te geschieden, De gemeente is dan niet object, maar subject van de prediking. Dc kerk is dc sprekende, niet de aangesprokene.20
Vervolgens wordt hier de zekerheid van de prediking ondermijnd. Door de distantie. die men geschapen heeft tussen Woord Gods en de Schrift, is de prediking van het Schriftwoord tot een „Wagnis” geworden, die slechts in een "disperatio ftducialis” kan worden volbracht. Wel noemt men de „verkondiging" de derde gestalte van het Woord Gods, maar men heeft tegelijkertijd God van Zijn Woord gescheiden. Men heeft dc hoogmoed willen weren bij dc prediking, maar is gevallen in de wanhoop.
Tenslotte heeft de dialectische theologie de vrucht van de prediking in twijfel gesteld door geen oog te hebben voor het werk Gods in ons. En vooral voor het organisch karakrer van dit wTerk heeft zij te weinig oog. De vrees voor wat men psychologisme en zielecultus acht. heeft doen voorbijzien, dat Gods Geest door het Woord en zijn verkondiging in de harten werkt.
Het Barthianisme ziet voorbij, dar God Zelf Zich op het allernauwst verbonden heeft aan Zijn Woord. Het is juist aan deze eigen verbintenis Gods. dat de prediking haar ernst, haar zekerheid en haar vreugde ontleent.

Nu wij, in grote trekken, thetisch en antithetisch, het terrein verkend hebben, kan de vraag onder de ogen gezien worden, hoe de prediking heeft te zijn, die weel, dat het Gode behaagt door haar geestelijke leiding te geven.
Het eerste, waar wij op wijzen is, dat de verkondiging des Woords en de geestelijke leiding, die zij geeft, exegei isch gefundeerd dient te zijn.21
Men heeft de kansel gekarakteriseerd als dc gevaarlijkste plaats in deze wereld. In deze typering schuilt waarheid. Wij kunnen ons op de preekstoel misgaan aan het Woord Gods en ons eigen woord er voor in de plaats stellen. En de resultaten blijven niet uit! Elke dienaar des Woords dient zich diep bewust te zijn: op de kansel heb ik niet het woord .maardienik het Woord!
Dit verplicht tot exegese. Wie preekt zonder grondige exegese is de eer en de taak van de dienaar des Woords onwaardig. Het gaat op de kansel om de vera et viva vox Dei. Het woord „ik” met al rijn ingenomenheid cn zelfhandhaving moet daar zeer vaag en onduidelijk worden cn dc levende God zeer duidelijk en zeer sterk.
Wie in de preek geestelijke leiding begeert te geven, moet in de tekst heel dicht bij de Heere staan. Hel Deus dixit dient doot grondige exegese zo zuiver mogelijk samen ie vallen met het Deus dicit van de prediker.
Het Woord Gods is een dabar Jahwe, dat wonderen doet; de Naam des HEEREN. die er in spreekt, is meer dan een klank.
De prediking mag daarom alleen haar uitgangspunt en inhoud in het Woord des HEEREN vinden. Ook geestelijke prediking moet geen descriptie van zaken uit des mensen geest zijn - het appèl van het Woord Gods dient c r jn door te klinken.
De dienaar des Woords, en die het hoopt te worden, moet de angst kennen en blijven kennen, niet voldoende te zeggen, wat God zegt.
Wie geen exegeet in zijn preken is, kan misleiden en bedriegen voor dc eeuwigheid; hij loopt gevaar tc troosten op valse grond, hij kan verrader zijn aan de grote zaak van het koninkrijk Gods, die nauw verbonden is met tekst en uitleg. Gods Woord is een levend, scherp en scheppend woord, maar wij kunnen het in een foudraal verbergen. Wie geestelijke leiding wil geven moet de grote kunst van het luisteren en nog eens luisteren aan het Woord Gods kennen en steeds meer leren. Hij moet de harteklop der liefde en de scherpte van de toorn Gods er in gehoord hebben. Hij moet de levende kracht van het bloed van Christus tiii het Woord kennen en dat naar het woord van Calvijn in de prediking laten druppen.
Dat dit luisteren naar het Woord geen zaak is van het kennen van alle hermeneutische regels is wel duidelijk. Het is een geestelijke instelling. De exegeet moet kunnen wachten op de opening der woorden Gods, zoals David wachtte op het geruis in de toppen der bomen. Er is ook in de studeerkamer „een uur des Geesies".
Wie in het goddelijk aangezicht van de tekst gezien heeft, zal de glans daarvan aan zich dragen in de preek. Hij komt met het „Alzo spreekt de Heere”, ook al gebruikt hij deze term niet.
Hem, voor wie dc tekst o pen valt, ontbreekt het niet aan stof tot geestelijke leiding. De opening van Gods woorden geeft licht.
Voor wie zo het oor aan de Schriften leent, roept niet, naar het bekende woord van Van Andel, de preekstoel om een tekst, maar de tekst om de preekstoel.22 Een geestelijke leiding in de prediking, die exegetisch gefundeerd wil zijn, zal geen kleinigheid verwaarlozen. Het door de Heilige Geest gekozen woord en de woordvorm kunnen voor de geestelijke leiding van de gemeente van grote betekenis zijn.
Wie - de voorbeelden zijn willekeurig gekozen - in Hosea ( : 10 voorbijziet, dat het goddelijk „nochtans” dc kinderen Israëls en niet het huis Israëls geldt, kan niet verstaan de achtergrond van de profetische boodschap van Hosea, waarin zo scherp het onderscheid uitkomt tussen de vcrbondsbedeling en de verbondsbediening. F.n het is juist dit verschil, dat voor de geestelijke leiding van de gemeente van zo grote betekenis is.23
En wie in Rom. 6 : 22 er geen oog voor heeft, dat er staat: echctc ton karpon en niet een vorm van potein of didonai of pherein kan geen geestelijke leiding geven door de prediking.24
Wie een schatgraver zoekt te zijn, zal uit de schat des Woords oud en nieuw voortbrengen. Gods Woord zal openvallen en zijn geur verspreiden, die de geestelijke mens verkwikt.
Een tweede voorwaarde voor geestelijke leiding in de prediking is. dat dc bediening des Woords theologisch verantwoord zij.
Wanneer theologie is het nadenken van Gods openbaring en de prediking het intermediair, waardoor deze openbaring in de gemeente resoneert, dan spreekt het vanzelf, dat de prediking theologisch dient te zijn. Zij toch mag de zaken noch de orde. waarin zij de zaken voorstelt, ontlenen aan eigen denken. Dc openbaring zelf is hier albe heersend. Geen enkel gegeven van deze openbaring mag dan ook verwaarloosd worden.
Juist omdat het Godc behaagt door de prediking Zijn Woord tot geestelijke spijze te doen strekken, is het van zo grote betekenis, hoe zij bereid wordt.
Daarom dient de prediking, die geestelijke leiding geven wil, gedragen te worden door een theologische bezinning. De prediker dient exegeet en theoloog te zijn.25
Christus heeft aan de apostelen beloofd: hodegesei humas alctheian pasan, daarmee doelende op het werk van de Heilige Geest. Joh. 16 : 13. Juist het pasan, het geheel der waarheid krijgt hierbij volle nadruk. Dit wTerk des Geestes zal theologisch inzicht tot vrucht hebben.
Het is voor de geestelijke onderwijzing en bouw van de gemeente funest, wanneer er wel „waatheden" verkondigd worden, maar het geheel der waarheid Gods nier gezien wordt.
Calvijn heeft er reeds tegen gewaarschuwd, dat het verkeerde leraars zijn, die dit verwaarlozen. Hij schrijft: ,,De Heere onderricht ons in Zijn Woord niet slechts ter helfte, maar Hij biedt ons daarin een alleszins volmaakte en complete wijsheid aan.”
Wie uitdeler der menigerlei genade Gods zal zijn, dient derhalve de schatkamer te kennen en de rijkdommen daarin uit te stallen en te verkondigen.26
Zo dient bijvoorbeeld de prediking, die geestelijke leiding wil geven, een sterk besef te vertonen van de Trin i t ei ts openba ring in heilsbeschikking, heilsverwerving en hei Is bediening. Dit temeer, omdat juist de trinitarische doop dc poort is, waardoor wij krachtens Gods verbondsbeschikking in de gemeente Gods worden binnengeleid.
De prediking zal dit niet theologiserend, maar verkondigend de grote werken van deze Drieënige God, moeten doen uitkomen. Dan treedt aan de dag, wat dit in voorwcrpclijkc en onderwerpelijke zin voorde gemeente betekent, dat zij met zulk een God te doen heeft, Die een zeer overvloedige fontein aller goeden is.27
In het licht daarvan wordt de zonde ten volle vijandschap regen God, de genade ten voile genade, en het heil, dat God schenkt, ten volle Hem verheerlijkend.
Het oordeel van deze Drie enige God over ons is dan beslissend en vernietigend, maar Zijn barmhartigheid onze volle zaligheid.28
Wie preekt, spreke voluit van de Drieënige God, Vader, Zoon cn Heilige Geest. Die God is ons een God van volkomen zaligheid.
Hij is de Eerste, Wiens arbeid uitgaat tot de mens, Hij is de Eerste, Die arbeidt voor de mens, Hij is ook dc Eerste, Die arbeidt aan en in dc mens.
Wie een van de goddelijke Personen op dc voorgrond zou willen sLellen voor de Ander, verkort het evangelie, trekt de prediking scheef en zal dc gevolgen daarvan zien in het geestelijke leven der gemeente.
Wie eenzijdig Patro-centrisch predikt cn het willen Gods beklemtoont, zoals dat in schepping, welbehagen en verkiezing uitkomt, maakt gemakkelijk God tot een koude Aristotelische oorzaak. Zulk een prediking is hard en koel. Haar vrucht is geconserveerde lijdelijkheid met auLi-nomisüschc verwaarlozing van de heiligmaking.
Wie eenzijdig Christo-centrisch predikt, roept gemakkelijk een tegenstelling op tussen de Vader en de Zoon. Hij vergeet, dat Christus Middelaar is, Die als de Wreg tot de Vader voert. De eisen Gods, zoals zij aan de Middelaar gesteld zijn, krijgen hier geen klem. Christus als Borg hlijfr hier buiten het gezicht. Gevolg is, dat de gemeente de Godsopenbaring door Paulus niet meer verstaat. Zij kan Romeinen en Galaten niet meer met haar hart lezen.
Wie eenzijdig Pneumato-centrisch preekt, maakt de Geest van God en dc Geest van Christus tot een zelfstandigheid en toont niet de soberheid te kennen, waarmede dc openbaring over het werk des Geestcs spreekt.
Gemakkelijk krijgt hierbij de wedergeborene een zelfstandige plaats en ligt de weg open naar het nevelig gebied van het mysticisme.29
Een harmonische triniiadsche prediking zal verkondigen, wie de HEERE is en dc weg kunnen vinden naar dc rijke mystiek van het Oude Verbond, waarvan dc psalmen zo vol zijn.29a
Een theologisch verantwoorde prediking zal niet alleen een trinitarisch, maar ook een heilsordelijk karakter dienen te dragen.
Hiermede is niet bedoeld, dat de ordo salutis methodistisch zou moeten worden gehanteerd, maar dar de gegevens der openbaring, zoals die tot ons heil geschonken zijn, moeten worden gezien en gelaten in de orde, waarin God ze zelf gesteld heeft. Zal dc gemeente rondgeleid worden in het paleis der waarheid tot ontdekking, geloof, blijdschap, zekerheid, liefde, hoop, beschaming, enz., dan moeten haar de „stukken" getoond worden, niet als op een veiling, waar wed alles getoond wordt, maar intussen het huis een chaos is, waarin niemand begeert te wonen.
Christus zegt zo schoon, dat de Schriftgeleerde in het koninkrijk der hemden een wel onderwezen iemand is, die „een schat” heeft. Populair gezegd; hij heeft wat achter de hand en zet niet alles dadelijk op tafel. Hij bedient naar behoefte en naar gelegenheid.
Tot geestelijke leiding is beslist nodig inzicht in de verhouding van bijvoorbeeld de verbonden Gods; dc Oud- en Nieuw-Testamentische bedeling: wet en evangelie; recht en genade.
Wie niet verstaat dc plaats en de betekenis van het geloof, van de goede werken, van de wedergeboorte en van de rechtvaardiging en de heiliging, kan moge lijk wel geestelijke, goede zaken zeggen, maar hij bouwt de gemeente niet en komt niet tot het spreken van wijsheid onder de volmaakten.29b
Daarbij dient ook sterk in het oog gevat dc verhouding tussen enkeling, kerk en koninkrijk Gods.
Verder: wat is de theologische plaats van de mens? Hoe is hij te zien als zondaar, als kind, als mandataris, als kerklid, als burger van het rijk? Is hij Adamiet, Abrahamiet of Christen ïn zijn geestelijke positie? Wie hierover geen bezinning kent, kan het adres van de preek niet schrijven, die tot allen, maar ook tot een iegelijk gericht dient te zijn.30
Ei hangt over vele preken vandaag een vreemde gespannenheid.
Dit vloeit voort uit het feit, dat heel wat preken liggen onder de kramp van een theologisch systeem en daarom niet kunnen komen tot de volheid en de vrijheid van een schriftuurlijke theologie.
Overduin schreef mi. terecht: „Wie de geesrelijke macht mist om het evangelie te brengen, vlucht in allerlei schema’s. En er zijn er vele: bekcringsschema’s, ver honds-, mandaten-, wets-, ambts-, kerk- en levens schema's. Daarin worden bepaalde elementen van dc waarheid gepromoveerd tot de waarheid en vervolgens bevroren”.31
Wie de HEERE Zelf ontmoet heeft in Zijn Woord, kan als een wijs gezant een medicijn zijn,
Als derde trek voorgoede geestelijke leiding in de prediking wil ik erop wijzen, dat deze leiding confessioneel georiënteerd dient te zijn.
Niet dat de prediking haar inhoud aan de confessie ontleent: alleen de Schrift is bron. Met deze confessionele oriëntering bedoel ik ook niet, dat de preek zich in dogmatisch opzicht binnen de grenzen van de confessie heeft te bewegen; dit staat vast.
Wat ik bedoel is aan te geven, dat de confessie er oog voor heeft en duidelijk uitspreekt, dat zij dc kerk niet als een vergadering van gelovigen van een standaard type ziet. Ei is in de confessie geen idealistische starheid, waarbij uitgegaan wordt van de gelovige in optima forma.
De confessie heeft oog voor de gemeente als zodanig en dc enkeling in haar. En onder deze enkelingen kent zij een grote variatie. Zij spreekt in de kerk ook over hypocrieten, over een waar geloof, over een zich niet van harte bekeren. Ook spreekt zij van de merktekenen der ware christenen en kent de verscheidenheid zoals die in trap en mate en stand des geloofs uitkomt. De belijdenis heeft oog voor de groei, de zwakheid, de strijd, kortom voor de weg, waarin de Middelaar wordt gekend en dc schatten des ver honds worden geschonken, aangenomen en genoten.
Er is in dit opzicht zelfs van een groei in dc confessie te spreken. De 37 Artikelen spreken in Art. 29 van de merktekenen der christenen en tonen daarin de realiteit van het leven der kerken re kenn en en voor ogen te honden.
Sterker al de Catechismus; Zondag 7: ingelijfd worden en aarmexnen; Zondag 20: alle Zijne weldaden dedachtig make, mij trooste; Zondag 21: levend lidmaat ben; Zondag 23: in zoverre ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem; Zondag 31: zo dikwijls als zij de beloften des evangelies met een waar geloof aannemen; Zondag 32: dat elk bij zich zei ven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij; Zondag 44: hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden; Zondag 48: dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen. Deze en andere uitdrukkingen op andere plaatsen tonen duidelijk. dat Je Catechismus oog heeft voor de verscheidenheid in de gemeente in geestelijk opzicht. Deze verscheidenheid in hei object der prediking stelt haar eisen aan dc geestelijke leiding, die deze prediking zal geven.
Nog sterker vinden wij de tekening van de Verscheidenheid in het geestelijke leven der kerk in de Canones.
Zeer zeker kiezen dc Canones het uitgangspunt voor de prediking in dc ernstige roeping Gods in her evangelie. In het verstaan van deze roepstem hlijkr de verkiezing Gods. Uit roeping en verkiezing Gods komt de gelovige op. Hij is vrucht van het werken Gods. Dit werk Gods heeft dan ook zijn eigen openbaring in wedergeboorte en leven des geloofs.32
In deze lijn hebben dc Canones oog voor de gelovige. Hij draagt de vruchten der verkiezing: I, 12. Uit het gevoel en de verzekerdheid van deze verkiezing nemen de kinderen Gods dagelijks meerder oorzaak om zich voor God te verootmoedigen; 1 ,13.
Zij spreken ook van de strijd van hen. die zich wel bekeerden, maar „nochtans in de weg der godzaligheid en des geloofs zo ver nog niet kunnen komen als zij wel wi ldenI , 16. Ook weten zij van de mate des geloofs: V, 9; van heilige oefeningen der godvruchtigheid; V, 2; van overblijfselen der inwonende zonde; V, 3; van verlies somwijlen voor een tijd van het gevoel der genade; V, 6; van verberging van het aangezicht des verzoenden Gods; V, 13.
Met deze confessionele gegevens heeft de prediking, zal zij geestehjke leiding bieden, rekening te houden. Doet zij dat niet. dan schiet zij tekort.
Wij kunnen ons dan ook niet vinden in de mening, dat her noemen van deze zaken in dc belijdenis zou wijzen op een reeds ingetreden verval, waarbij dc zekerheid des geloofs, gelijk de Reformatie die stelde, al reeds zou worden mgeruild voor dc zekerheden in de gelovige.33
Wij zijn integendeel van mening, dat vooral in de Canones een aanvulling gegeven wordt op de Reformatie.
Evenmin kunnen wij ons vinden in de verdedigde mening, dat de prediking met deze gegevens geen rekening heeft te houden, maar dat zij hier tegenover alleen maar de ge loofsimp datief heeft te stellen. Het is niet juist te menen, dat de Canones over deze gesteldheden van de gelovige in afkeurende zin spreken.34
Ongetwijfeld moeten we niet van de gedachte uitgaan, dat zij deze zwakheden en worstelingen zien als het kenmerk des geloofs, maar zij rekenen er ernstig mede, omdat zij behoren tot de werkelijkheid van het leven van dc gelovige. En het is juist de prediking, die als bediening des Woords tot geestelijke leiding in deze werkelijkheid wil ingaan, De prediking is niet het trekken van rechtlijnige conclusies of het geven van commando's, hoe juist cn zuiver op zichzelf ook. maar het dienen van de gemeente in haar verscheidenheid.
De gemeente heeft er recht op en behoefte aan, dat in de medicina sacra, zoals zij in de prediking beoefend wordt, het vertrouwen gewekt wordt, dat haar strijd en kwalen worden gekend en verstaan.
De enkeling in de gemeente moet zijn „naam” genoemd horen. De prediking is juist een appèl op de enkeling in de gemeente, vandaar dat zij onderscheidend heeft te zijn.
Dit is geen zaak van rubricering en constatering, maar van leiding cn bestiering.35
Zeker dreigt hier het gevaar, dat dc gelovige zal gaan geloven in zijn geloof of dc kenmerken daarvan. Dit is niet hét doel van de geestelijke leiding. Doch daarover straks nog nader.
Dc prediking blijve verkondiging van de belofte des evangelies. Maar dan zo, dat zij ten volle in het licht stelle, wat de vervulling van deze belofte is en uitwerkt.
Zo wordt de sleutel des Woords bediend naar Zondag 31. waarbij de gelovigen uitgelokt worden tot het nochtans des geloofs en hen, die zich niet met waren harte bekeren, verkondigd en betuigd wordt, dat dc toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt. , . Juist als het voile licht van dc zon schijnt, komt het onderscheid tussen de levende plant en dc kunstbloem uit. De eerste groeit, de tweede verkleurt.
Men spreke hier niet van ziekelijkheid en mysticisme, als de geestelijke gesteldheden volle aandacht krijgen in de prediking.
Het kan ook ziekelijk zijn deze niet te zien. Er schuilt waarheid in het woord van Van Rulcr: „Alle angst voor het woord mystiek en voor het woord bevinding bewijst alleen, dat men in dc pneumatolögie nog niet de consistentie bereikt heeft, die nodig is om haar volledig uit te werken. De anti-bevindelijkheid pleegt de bevinding niet anders te kunnen denken dan in een inderdaad verkeerden en gevaarlijken zin ’.36
Het vierde, waarop ik wil wijzen, is, dat deze geestelijke leiding, die de prediking geven wil, afgesiemd dient te zijn op de werkelijkheid in de gemeente. Hier is niet mee gezegd, dar wijze en inhoud van de prediking bepaald zonden worden door de gemeente. Wij zullen echter wel de gemeente hebben te zien zoals zij metterdaad is.
Zij mag in de prediking niet vanuit een apnoristisch schema benaderd worden. B.v. dat uit de aanwezigheid van dc beloften Gods geconcludeerd wordt tot dc geestelijke gemeenschap aan de heilsgoederen.37 Of bij het uitgaan van een „alverzoening ' de gemeente gezien wordt als in Christus tot kinderen Gods aangenomen, die nu het komende Rijk verwachten.
Evenmin moer anderzijds de gemeente gezien worden als een willekeurige groep „hoorders”.
Het staat niet aan ons „schema’s” tc bedenken in het licht waarvan de gemeente Gods moet worden gezien.
Wij dienen ook hier uit te gaan van het spreken Gods, waarin ons de zekerheid gegeven is. dat wij in de prediking staan voor de verbondsgemeente Gods, Hunner is de aanneming tot kinderen en de verbonden en dc belofte. De woorden Gods zijn haar toebetrouwd. Zij is betrokken in het zeer bizondere gesprek, dat God in Zijn bizondere openbaring aangaat. God Zelf heeft de gemeente onder Zijn bizondere zorg gesteld. Daardoor heeft ze bizondere zegeningen. Het is een verkiezing Gods tot de gemeente te behoren.38
De Heere spreekt haar dan ook op bizondere wijze aan: „Mijn zoon. Mijn dochter”, „Mijn volk” , „Mijn schapen ”, „kinderen des koninklijks”, „ranken van de wijnstok”.
De HEERE Zelf heeft deze relatie tussen Zich cn Zijn verbondsgemeente gelegd door Zijn Woord. I lij legt geheel beslag op haar met Zijn beloften en eisen. Zij staat onder het Testament op zegel.
Hier heeft de geestelijke leiding haar basis. De prediking spreekt in aansluiting aan deze Woord-belofte-eis-relatie.
Zij gaat echter fout, wanneer zij zou onderstellen, dat deze relatie in feite bezit van de geestelijke weldaden onderstelt.
Juist in dc verbondsgemeente geldt: Indien iemand niet wederom geboren wordt, bij kan het koninkrijk Gods niet zien en niet ingaan.
Het klassieke doopsformulier zij hier leidraad voor geestelijke leiding.39
Wij mogen in de prediking de genade niet over de natuur zetten en de bondeling aanspreken als ware hij een gelovige. Wij kweken dan wel een „geestelijke” beschouwing, maar onderwijzen niet in het leven door en uit het Verbond Gods.
De prediking dient te leiden tot het besef, dat radicale vernieuwing van de bondeling naar het verbond moet, mag cn kan geschieden, juist omdat God het verbond met ons en onze kinderen aanging. Dit moet juist als evangelie ten volle verkondigd worden.40
Zo kan er ook plaats komen voor Christus als Borg des Verbonds, Christus is geen helpende Zaligmaker, die rijke jongelingen en iongedochters de handen oplegt en hen goedkeurend bemoedigt in hun algemene religieusiteit.
Juist nu het gevaar van vervlakking n!lerwege dreigt, dient de geestelijke leiding helder en scherp te zijn, opdat het snode van het kostelijke klaar worde onderscheiden. Om dit te bereiken is de onderscheiding in onbekeerden, bekommerden en bevestigden ongenoegzaam. Er Is in de verbondsgemeente veel meer verscheidenheid. In een ondcrwerpelïjke, onderscheidende en ontdekkende prediking zal zij daarom benaderd moeLen worden.
De opdracht van het Convent van Wezel aan de prediker blijft heden nog van kracht: „Hij zal trachten zoveel dit in zijn vermogen zal staan alle schuilhoeken cn verborgen omhulsels van het menselijk hart bloot te leggen , > ook zal hij niet alleen dc grove schelmstukken en openbare schanddaden vervolgen, maar evenzo trachten de verborgen geveinsdheid der zielen uit te kleden cn het broeinest van goddeloosheid, hovaardigheid cn ondankbaarheid, dat zelfs bij de aller besten schuilt, in het licht te stellen en op de geschiktst mogelijke manier uit tc roeien”.41
De gemeente moet in haar verscheidenheid met de levende God geconfronteerd w'orden en in Zijn oordeel betrokken, flet „Wie u hoort, die hoort Mij” dient in heilig beven betracht. Dan is er maar bèn zaak belangrijk: Wat zegt de Heere en tot wie zegt Hij het?
Kwaal en medicijn dient dc prediking tot het hart van dc gemeente te brengen. Het Woord des Heeren moet daartoe geadresseerd worden aan de gemeente in haar verscheidenheid. De ernst, waarin de Heere spreekt, en het heil der zielen eisen dat.42
Tenslotte wijs ik u er op, dat de geestelijke leiding in de prediking doelbewust heeft te zijn. Hiermede bedoel ik aan te wijzen, dat de prediking geen andere weg tot geestelijke leiding kieze dan de Heilige Geest wil. Het gaat in de preek niet maar om het zeggen van wat geestelijke zaken. De mens moet maar nier besproken, hij dient aangesproken te worden. Hij dient door de preek gewaar tc worden, wat de Heilige Geest, als de Toepasser des hei Is, in ons wil doen.
Ad hominem moet dc preek zijn. Het „tua res agitur” zij de inzet. Dat is onderweipelijk. Dit persoonlijke element dient zwaar accent Le ontvangen. Er mag niet vrijblijvend voor toeschouwers gepreekt worden. Preken is geen karteringsvlucht over het gebied van het geestelijke leven, De descriptieve preek is krachteloos. Zij is een pijl zonder punt. Calvijns woord, dat her bloed van Christus in dc preek moet druppen, is waar. Daarom waarschuwt hij tegen „ijskoude speculaties”.
De prediker dient te weten, waar de I ledige Geest vloekt, waarschuwt, troost, zegent en bedroefd wordt. En wat dc Geest doet. dient in de preek aan het adres van dc enkeling gebracht te worden. Dc bediening des Woords zij daarin dienst aan de Heilige Geest.
Hierin zal de prediking doelbewust stelling nemen tegen de vervlakking van heden.
Er is een „klimaat”, waarop de kanselboodschap van de Synode van 1953 reeds wees. wraarin met behoud van woorden en symbolen de kern der geestelijke zaken gemist wordt.
Daarnaast is er een cultuur-gere formeerden dom, dat in meedoen aan de zogenaamde eisen des tijds een geestelijke gearriveerdheid beleeft, waarin men meent het onderwerpelijk bevindelijk kennen van de waarheid Gods gepasseerd te zijn. Het gevaar is intussen zeer groot, dat een algemene-rcligieusiteit uitgegeven wordt voor de zuiver gereformeerde religie der genade.
Ook vak op te merken een Woord-gereformeerdheid. die in scherpzinnige exegese de kerkmens onder de klem van zijn mandaat brengt en verder geen onderzoek instelt naar zijn feind-zijn of daaraan leiding zoekt te geven.
Wij blijven het eis van Schrift en Belijdenis achten, dat de preek zich als bediening des Woords niet alleen, maar wel allereerst doelbewust afvrage: Wat wil dc Heilige Geest inde gemeente Gods? (Zondag 20)
De wedergeboorte dient hierbij als noodzakelijk voorop gesteld te worden, De palingenesie zelf kan echter moeilijk rechtstreeks onderwerp van prediking zijn. Zij toch is mysterie Gods en beloofde gave, rustend in verkiezing. De verwekking Gods ten leven ligt absoluut onder de bedekkende hand des HEEREN.43 Wie de wedergeboorte in het middelpunt wil zetten, behandelt een geboortebericht als een ondertrouwkaart. Men wordt geestelijk geboren om bruid van Christus te worden, vrijgekocht door Zijn bloed, De Heilige Geest wedcrbaait om Christus te kunnen verheerlijken. Hij maakt zondaar en schuldenaar om de weelde van een eigen Borg te leren kennen. Her evangelie luidt niet: Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die wedergeboren zijn en daarvan de kentekenen dragen. WTij worden niet geboren om dc wetenschap van de geboorte, maar om het leven.44 De Catechismus zegt nog altijd, dat op het ingelijfd zijn het aan nemen moet volgen van Christus en al Zijn weldaden.
Alleen in een bewuste geloofsgemeenschap met Christus worden de vragen der ziel beantwoord en opgelost. De Heilige Geest wil daarheen door de bediening des Woords leiden. Dat doel mogen wij niet in de weg treden.
Men houde hierbij in het oog, dat bekommerd zijn - hoe werkelijk in her leven ook ^ geen aparte geestelijke staat kan zijn.
Men ga in de bediening des Woords uit van de zekerheid, dat de Heilige Geest getuigenis geeft in de harten van zondaren om hen tc leiden op de weg des levens.
Dit getuigenis des Geest es nu heeft een rijke gevarieerdheid en deze gevarieerdheid dient ook de prediking te kenmerken.
De Geest getuigt van de armoede van de zondaar.
De Geest getuigt van de noodzaak van een levend geloof, dar persoonlijk het heil Gods omhelst.
De Heilige Geest getuigt ook van de noodzaak van een persoonlijke geborgenheid in Christus en de ongenoegzaamheid van alles, wat daarbuiten is.
De Heilige Geest getuigt ook van dc waarachtigheid der beloften Gods en de geoorloofdheid om deze te omhelzen.
De Heilige Geest getuigt ook van de zekerheid van alle heil in Christus.
Maar de Heilige Geest getuigt ook omtrent de echtheid van ons geloof door ons in het licht des Woords de vruchten des levens te doen zien. Dit is niet een aparte verzekering, maar een bemoediging uit de kentekenen des geloofs om voort te gaan op de weg des geloofs.
Ook getuigt de Heilige Geest omtrent de vrijmoedigheid tot persoonlijke omhelzing van Christus, gelijk Hij ook getuigt over alles, wat uit Christus nu ontvangen cn straks verwacht mag worden.
Dit doel of deze doeleinden des Geestes dienen de prediker duidelijk voor ogen te staan.
Zo wordt geen geestelijk schema gepreekt. Dit is tenslotte alleen een the o logo umenon en kweekt een beschouwing.45
De Heilige Geest wil met de gemeente en de enkeling naar het volle heil Gods. De rechtvaardiging door het geloof wordt door de Heilige Geest niet als een onbereikbaar goed verborgen gehouden. Integendeel. Hij maakt er plaats voor en wil er heen leiden.
De prediking mag haar daarom als een gratis geschenk aan goddelozen verkondigen.
De prediker zie zijn voorbeeld in Johanncs dc Doper, die zó Christus wist te prediken, dat zijn discipelen Hem achterna gingen. Het moet ons aangrijpen, daL er veel geredeneerd en geklaagd wordt en weinig echte blijdschap is, waarover het Nieuwe Testament toch zo veelvuldig spreekt. De angst voor het tekort verteert vele zielen, omdat zij de bereidwilligheid cn algenoegzaamheid van Christus niet kennen.
God de Drieënige wil een eenzijdig verbondsh uwe lijk, waarin Christus de Bruidegom is en de Bruid versiert uit de schatten Gods.
En voor dat huwelijk is dc Heilige Geest de Bruidswerver mede door de bediening des Woords. Een voortdurende bezorgdheid vergezelle daarom de prediker of hij dit doel des Geestes wel dient.* 46
Hij sta er naar exegeet en theoloog, psycholoog, maar vooral ook pneumatoloog te zijn.
Wij willen de betekenis van de prediking zeer hoog taxeren en waarderen. Zij is echter niet alles. Wie van de preekstoel af op de huisbezoekstoel gaat zitten, zal dat bemerken.
Wie alles van de prediking laat afhangen, vervalt in de tegenovergestelde fout van Rome. dat alles van de mis verwacht. Gods werk laat zich niet op één noemer brengen. Zeker heeft de prediking een onmisbare en onvervangbare plaats in het heilsproces, maar meer dan middel is zij niet.
Terecht heeft Van Ruler gesproken over „Grenzen der prediking”, Eén van deze grenzen is de mystieke. De preek kan niet het werk des Geestes overnemen of overbodig maken. Wie het hele leven der kerk vastmaakt aan de prediking, kweekt intellectualisme. Het gepredikte Woord moet door de Heilige Geest geïncarneerd worden in het hart van de enkeling.
Men heeft wel eens gezegd, dat in het nagebed te bidden, dat de Heilige Geest de naprediker mocht zijn, de preek ontkrachten was. Toch is er, goed verstaan, voor dit gebed plaats.47
Zal dit gebed echter reden hebben, dan moet de preek zelf de Geest niet weerspreken of bedroeven.
Zo gezien is voorbereiding tot de dienst des Woords hoog nodig en de opleiding daartoe zeer gewichtig. Dc dienst des WToords heeft het rapport te dienen, dat God dc HEERE in Zijn genadige verkiezing wil tussen Zich en Zijn kerk en in dc kerk tussen Zich en de enkeling.


1 Dr. K. Dijk: „Het Dogma in dc prediking”. Almanak F. Q, I, J948,
2 Deze klacht is dc laatste jaren in alle sectoren van het kerkelijke leven in Nederland gehoord, vooral in kerkelijke bladen. Ook dr. T. Hoekstra: „De tegenwoordige cririek op onze preeken", reeds, 1918.
3 Dr. H. Bavinck: Dogmatiek TV, blz, SU2-3.
4 Dr. A. A. van Kuier in: „Grenzen van dc prediking". Kerk t-n Theologie, jaargang 4, nr. 2.
5 E. F, Karl Müller: „Die Bekeimtrosschriften der Reform iert en Kirche", bh. 767.
6 J. van Andd: „Paulus’ eerste brief aan de Korinthiërs", blz. 2S v.v.
7 Dr. F. W. Grosheide' ,, Paulus* eerste brief aan Kor int he", blz. 120 v.v. Comrn, Rottenburg.
8 L. Lindeboom: „De leiding des Heiligen Geestes onmisbaar voor de echte studie der theologie", blz, 35,
9 Dr. K. li, Miskotte in „Om bet levende Woord”, b!z. 221 v,v.. vooral bli. 257 v.v.
10 Dr. J. C. Hoekendijk: „Getemperd ongeduld", 1953, blz. 11.
11 Dr. Jt. Dijk in: „De Bazuin", 18 Oct. 1946. „De geloofsdaad der prediking”, toespraak bij de opening van dc cursus aan dc Theologische School re Kampen.
12 Dr. K. Dijk in: „Dc dienst der Kerk", blz. 79 v.v. De prediking als dienst des Woont. Ook: „Het gepredikte Woord, preken van Joh. Calvijn", dl. I, waar ds. W. H, van de Vegt een inleiding geeft op de preken van Calvijn met vele verwijzingen naar diens werken, blz. 1-73, vooral blz, 17 en 31.
13 Dr. W. H. van de Pol: ..Het Christelijk Dilemma'. Vooral blz. 207 v.v. Van dezelfde: „Geloof en werk dij kb cid in het Reformatorisch Protestantisme", blz. 10 vooral,
14 W. (1. van de Vcgt: „Preien van Joh. Calvijn" Over Lilt hé*: J. C. S. Loc her: „De leer van Luthcr over Gods Woord", waarin de ontwikkeling van de betekenis van het Woord Gods bij Luther gegeven wordt. Over Calvijn ook; Ds, S. van de Linde: „De leer van den Heiligen Geest bij Calvijn", blz, 57-80 en 166-176.
15 Over her tekort in de voorstelling van Van de Pol betreffende het Protestantisme, zie dr. S, van de Unde: „Rome en de Reformatie", blz. 4 v.v.
16 Dr. G, C, Bcrkouwer: „Conflict met Rome", blz. 322 v.v. Dezelfde: „Geloof en Heiliging", biz. 11 v.v.
Van Roomse zijde: „Genade en kerk", een bundel studies van verschillende auteurs, De bespreking daarvan in: „Het Schild’ Nr, 11, Nov. 53, blz. ZSQ.
17 Over de oorsprong hiervan: Dr. A, D, R. Polman: „Onze Nederlandse Geloofsbelijdenis IV", blz. 164 v.v.
18 Voor critiek op dit Liturgisme: L. H. van der Meiden: „Liturgie", Dr, A. F. N. Lekkerketker: „De Reformatie in de crisis", blz. 7 v.v. en SS v.v.
Ook dr. O. Noordmans: „Liturgie”, blz. 163 v.v.; dr. K. Dijk: „De dienst der Kerk", blz. 188 v.v.; R. H. Kuipers: „Dienst des Woords en Eredienst" in dc bundek „Var de dienst des Woords", blz. 55 v.v.
19 Dr, D, Jakubs: „Katholiserend Protestantisme”. 1953.
20 Dr. T, Hoekstra: „Het Woord Gods in de prediking", blz. 43 v.v., oefent sterke critiek, reeds in 1931.
Ook dr. K, Dijk: „De dienst der Kerk", blz. 99 v.v.
Dr. S. I:. H. J. Berkelbach van der Sprenkel: „Over de verkondiging". 1935.
21 L. H, van der Meiden: „De betteken is der exegese voor den Dienst des Woords". Ook dr. Joh. dc Groot: „Exegese en preek". Dr. T. Hoekstra: „Gereformeerde Homiletiek", blz. 2S0 v.v. Zeer duidelijk ook: Albcrt Schaedelin: „Grundriss der Homiktik", blz. 24 v.v., vooral ook blz. 49 v.v., 1952.
22 J. van Andel: „Vademecum Pastorale", blz. 36.
23 Van Gclderen-Gispen: „Conim. op Hosea", t.a.p.
24 Greydanus: „Conun. op Romeinen", fcfl.p.
25 Zie b.v. J. J. van der Schuit: „De Dordtse Synode cn liet Supra-Lapsarisme", blz. ZS vrvr; idem: ,,Het verbond der verbasing \ blz, 34 v.v.
26 Uitlegging op Handelingen 20 : 20, van Joh. Calvijn.
27 J. van Sliedrecht: „Het eigen geluid in de prediking’1, blz, 2$ v.v.
28 Dr. K, Dijk: „Het gericht Gods in de predk ing des Woords”, Ook dr. H. Berkhof: „Crisis der middenorthodoxie”, wijst op een tekort ten deze in de prediking.
29 Zie ook, wat ik over de tdnitarische prediking schreef in: „Toen en thans”, blz. <55.
29a Dr. A. A. van Kuier: „De bevinding in Kerk cn Theologie” I, blz. 75.
29b G. Wisse: „Plaats en betcekenis van het geloof in de bediening des Woords”. blz. 17, Ook dr. B. J. Oosterhoff: „Door het gcloui alleen”, blz. 16 v,v.
30 Zie Zondag 31 Heidelbergse Catechismus. Het zal nodig zijn. dar de toekomstige prediker zich oefenc in de theulogia practica, zoals die b.v. in de schrift idijke nalatenschap van de mannen van de „Nadere Reformatie" te vinden is, zoals van Marcsius, de Tcelincks e,a. £n ook in wat lateren, als bit. Comric en Boston, gaven.
31 J. Overduin in Jubileumnr. van „Dc Rotterdammer”. Oer. 1953, pag. 14,
32 Ook J, R. Velema in: „War is Christelijk Gereformeerd?" blz. 14, 135 v.v.
33 Zo b.v. dr Th, L, Hairjema: „Prediking des Woords en bevinding", 1950.
34 R. H. Öremrncr contra J. H. Veloma in „Gereformeerd Kcrkhlad (art. 31) voor Overijsd en Gelderland", 5e jaargang, nr. 27.17 Jan. '53,
Ook zie men J. H. Velema: „Onze verhouding tol de Gcrcf. Ker!:en (art. 31) nu", blz. 23,
35 Over de kenmerk en-prediking, die hiei van betekenis is. zie, wat de synthese betreft, die de Nadere Reformatie'1 bier vond: Dc, J. van Genderen: „Herman Witsius”. 1953, vooral blz. 205 v.v, en 222 v.v.
Ook dr. M. J. A. dc Vrijer: „Sinij regelt", blz. 98 v.v.
36 Dr. A. A. van Ruler: „De vervulling van de Wet”, blz. 228.
37 Zo b.v. dr. A. Kuyper St.: „E Votu Purdraceno HF*, blz. 76. Het grote bezwaar tegen de nog steeds gehandhaafde besluiten van dc Synoden van de Cieref, Kerken van 194(5, '49, '52, geldt ook dc mogelijkheid daarin gegeven, deze opvatting te handhaven.
38 Zondag27, Catechismus. Ook 1- Kievit: „Tweeërlei kinderen des Verbonds”.
39 Zie de „Kanselboodschap” van de Synode onzer Kerken, 1953,
40 Dr, S. Greydanus: „Actuele vragen in verband met de Wedergeboorte", blz. 7 v.v.
41 Art. van Wezel, II, 23.
42 Van Sliedregt, a.w.. blz. 3. I. Kievit: „Voorwexpelijke ondcrwerpelijke prediking eis der Heilige Schrift '. Ook dr. J, A. C. van Leeuwen 1918; Voorwerpt Lijke en onderwerpelijke prediking". G, Wisse: „Memoires", blz. 91/2, ook blz. 1S5 v.v.
43 Zie Greydanus a.w.
44 Men moet mi weet niet van de bewuste gel oofsomhc Iving van Christus als Dom het grote en ene kenmerk van geestelijk leven maken. Zie b.v. Van Schuppen: „Sterven en leven", voorwoord. Dr. J. G- Wucldtrink: ..Bevinding cn preek” in Herv. Weekblad, 64e jaargang, 10 Sept. '53 v.v.
45 Hiermede is riet gezegd, dat er geen §>rdtt of calena sa lat is is. Zoals dr. G. C. van Ntftrik beweert: „Kleine Dogmatiek ', le druk, bh, 248.
Er is een manier, een orde, een methode, waarnaar de Heilige Geest werkt, en deze dient in de prediking verwerkt te worden, niet alleen genoemd,
46 Dr. H. Visscher: „liet mystieke element in de bediening des Woords", bh. 25.
L. Floor Jr.: „Gereformeerde Mystiek", bk, 14 v.v.
47 Dr. A. A. van Ruler: „De grenzen van de prediking". Kerk en Theologie, blz. 89. Men vergelijke ook L, H. van der Meiden; „De bijzondere Geesteswerking met her Woord”. 1949,
C. Veenhof: „Het Woord Gods in dc Brief aan de Hebreeën”, vergeet teveel de grenzen van het Woord, blz. 42.
Calvijn: ïnst. II. 15,2, legt nauw verband, maar onderscheidt toch Woord cn Geest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.