+ Meer informatie

Op de orgelbank speelt zich heel wat af

6 minuten leestijd

„Het orgel speelde weer hard vanmorgen." „Wat heeft het orgel mooi gespeeld bij die trouwdienst." Uitdrukkingen die nogal eens gebezigd worden door kerkgangers. Zouden ze ook weten van de persoon die het orgel zo hard of zo mooi liet spelen? Het boek "Op de orgelbank" biedt een boeiende kennismaking met 23 orgelisten.

Hoe ervaart een vakorganist in de protestants-christelijke kerken zijn beroep (of is het meer?) en het commentaar of de complimenten die hij met betrekking tot zijn werk ontvangtn? Neem tien organisten, vraag hen naar hun opvatting van hun werk in de eredienst en je krijgt tien verschillende antwoorden. Zoek 23 organisten, neem ze een interview af en je hebt een boek van 200 bladzijden. Over zo'n boek gaat dit artikel. De samenstellers van "Op de orgelbank" zijn geen onbekenden in muziekland. In hun woord vooraf geven zij aan dat het aantal organisten dat aan de aangelegde selectiecriteria voldoet met nog vele zou zijn uit te breiden. De keuze die gemaakt is, geeft evenwel een representatief overzicht van actieve, protestantse kerkmusici.

Toetsenman
Dat organisten niet op de daarvoor aangewezen leeftijd met pensioen behoeven te gaan, daarvan getuigen de eerste vier die aan het woord komen; het zijn allen 65-plussers. Ze leveren al zoveel stof tot overdenking aan, dat zowel de amateurorganist alsook de jongere vakbroeder daar al weken mee vooruit kan. Het is zeer verleidelijk om veel te citeren, maar dat zou inhouden dat ik het halve boek moet overschrijven. Toch enkele uitspraken: „De psalmen hebben het eerstgeboorterecht in de kerkmuziek. Oppassen met vrije geestelijke liederen, wat daar soms voor onzin in staat! 'Aansprekende kerkmuziek' heeft het risico te ontaarden in 'geestelijke carnavalshits'. Kerklied moet stijl hebben, er moet orde zijn, niet alles door elkaar eten, daar word je misselijk van" (Willem Vogel). Het boek is in een boeiende stijl geschreven, die je het haast in één adem doet uitlezen. Maar er staan er voldoende uitspraken in die het waard zijn om eens rustig te overdenken. Treffend zijn de benamingen die de orgelende musici soms toegevoegd krijgen: naast het gangbare 'organist' en het door een enkeling geprefereerde 'orgelist', kom ik de titel 'toetsenman' tegen, ooit eens door een dichtende dominee aan zijn organist gegeven. Of wat te denken van de kwalificatie 'trioboer'?

Eredienst
Stijlinvloeden, authentieke uitvoering van orgelwerken, de manier van koraalbehandeling - ieder weet zijn eigen opstelling met stevige argumenten te verdedigen, de lezer kan zijn mening eraan toetsen en moet hem misschien zelfs herzien. Waar de meeste organisten het over eens zijn is het belang van de eredienst. Deze hoort voorop te staan, is belangrijker dan een concert. Verschil van mening is er over het improviseren in de eredienst: „Een voorbereide improvisatie is prima, maar zomaar achter je orgel gaan zitten improviseren en dan denken 'Ai, ai wat komt er iets heel bijzonders uit m'n orgel', dat is moeilijk voor te stellen. Waarom schrijven al die beroemde improvisatoren anders nooit een improvisatie op? Omdat ze het zelf ook niets vinden" (Willem Hendrik Zwart).

Schibboleth
Niemand neemt een blad voor de mond, maar het is toch verheugend te constateren dat er ondanks verschil in opvattingen (vroeger sprak men van scholen en zelfs wel van 'kampen'!) het respect voor eikaars kunnen en doen duidelijk meer aanwezig is dan pakweg dertig jaar geleden. Over overleden musici, die destijds verguisd of verafgood werden, wordt nu veel genuanceerder gesproken. Dat blijft toch altijd het merkwaardige in de orgelwereld: dat iemands mening over bepaalde organisten, componisten of orgelbouwers als een soort schibboleth gaat fungeren. Verschillend is ook de waardering voor bij voorbeeld het liedboek voor de kerken. De één is er erg gelukkig mee, maar een ander vindt: „Als ze teruggaan naar de bundel van 1938, zou ik het niet erg vinden" (Jan Bonefaas). Ook onder organisten vind je muzikale alleseters en fijnproevers; ze komen beiden aan het woord in dit boek. En dan valt het op dat de meeste van de ondervraagde organisten goed van de tongriem gesneden zijn, hoewel ze niet direct staan te trappelen om een interview te geven. Ze vinden over het algemeen dat ze op hun instrument hun boodschap beter kwijt kunnen.

Restauratie
Een kwestie die veel organisten hoog zit, is het restaureren van historische instrumenten. In hun concertpraktijk spelen ze op orgels uit diverse tijden en stijlperioden, gemaakt door verschillende bouwers. Veel van die orgels zijn gerestaureerd of aan restauratie toe. Afhankelijk van de betrokken adviseur komen dan heel verschillende plannen uit de bus. Werd in het verleden nogal eens een belangrijk instrument bij het afval gegooid omdat er zo nodig een modern instrument moest komen, „tegenwoordig slaan we door naar de andere kant en moet een stukje oud hout van Batz of Schnitger blijven, al valt het morgen van ellende uit elkaar. Dat is de keerzijde" (Herman van Vliet). Mag er dan geen vernieuwing zijn? Natuurlijk, mits die gepaard gaat met vakmanschap, kunstzinnig verantwoord is en gehoorzaamt aan de muzikale wetten. Hetzelfde geldt voor de muziek in de liturgie. Sommige organisten (ze komen niet voor in dit boek) staan een vernieuwing voor en willen daarbij muziek in de kerk brengen waar de doorsnee kerkganger gillend bij wegloopt. Dit soort experimenten leidt volgens anderen juist tot onzekerheid en verwarring: de uitzichtloosheid en wetteloosheid van deze tijd tot uitdrukking gebracht in de muziek. Anderzijds is ook de trend naar popularisering uit den boze. „Er is een scheiding tussen Kerk en Staat, maar ook tussen Kerk en straat. Als ik geen verschil meer hoor tussen muziek van de straat en muziek in de kerk dan klopt er iets niet", aldus Kees van Eersel.

Tempo
Hoewel niet alle vragen die gesteld zijn expliciet vermeld staan, krijg ik wel de indruk dat aan alle meewerkende organisten een aantal standaardvragen voorgeschoteld is, gezien de her en der opduikende uitspraken over hetzelfde onderwerp. Dat deze uitspraken soms lijnrecht tegen over elkaar staan, maakt het alleen maar boeiender. De één zegt: „Als je als organist
gaat trekken, ben je fout bezig. Laat de mensen toch lekker zingen. Waarom moet je daar ais kerkmusicus iets aan doen? Je wekt daarmee ontevredenlieid op. Je moet luisteren naar wat er in de kerk gebeurt" (Peter Eilander). Een ander daarentegen: „Als het om puur muzikale criteria gaat, zoals tempo en ritme van de samenzang, meen ik dat deze dingen op het vakgebied liggen van de kerkmusicus. Daartoe is hij bevoegd, het is zijn mandaat en dus ook zijn verantwoordelijkheid" (Johann Th. Lemckert).

In de korte biografieën die van elke organist zijn opgenomen kom je ook opmerkelijke dingen tegen. Zo blijken kerkmuren weinig belemmeringen op te leveren als het gaat om het aanvaarden van een organistschap in een ander kerkverband, of in twee verschillende kerken tegelijkertijd. Zouden kerkmusici van nature meer oecumenisch denken dan het gewone kerkvolk? Of geeft het orgel de doorslag? Op dit soort vragen wordt in het boek niet ingegaan. Voor de muziekliethebber die geïnformeerd wil worden over de mens achter de 'mannen van naam' is dit boek een aanwinst, die veel uren leesgenot bezorgt. Eén vraag is bij mij nog blijven hangen: zitten er geen vrouwen op de orgelbank die aan de gestelde criteria voldoen?
Het boek zou er wellicht nog een dimensie bij gekregen hebben.


N.a.v. "Op de Orgelbank" onder redactie van J. van 't Hul en
drs. P.J. Vergunst; uitg. Groen, Leiden; / 34,50.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.