+ Meer informatie

De tering naar de nering

5 minuten leestijd

RONDKIJK

„De tering naar de nering zetten" is een oud spreekwoord. Vroeger was de tering (wat men te verteren had) veel minder dan in onze tijd. Als onze vaders daarvan vertellen, hoe schraal het er toen door moest, dan zeggen sommige jongelui: „maar zo'n tijd krijgen we nooit meer! We leven nu in een tijd van geleide economie!" Wat we nog eens zullen meemaken in ons leven weten we niet, al zit er wat in, dat we moeten toegeven, dat de geleide economie veel in juistere banen weet te leiden. Denk maar aan het Marshalplan) (Marshal is juist dezer dagen overleden) die in de finantiële chaos die er door de oorlog in verschillende landen is ontstaan, met grote geldschenkingen uit Amerika het economische rad weer aan de gang wist te brengen. Ook Nederland heeft daarvan met vele miljoenen dollars geprofiteerd.

Er is na de oorlog een grote mate van welvaart ontstaan, wat we ons in de achterliggende jaren niet hebben kunnen indenken. Men heeft zich door de hogere lonen allerlei noodzakelijke dingen en ook veel luxe kunnen aanschaffen, en wel in die mate, dat er sprake is van verzadiging. Als U de kranten goed leest dan vindt U op de advertentiepagina's een loven en bieden, om de waren aan de man te brengen.

Men doet dat zeer deskundig door op het sentiment te werken en daardoor de kooplust op te wekken. In deze rubriek hebben wij al eens geschreven over het Amerikaanse boek „Verborgen verleiders" waaruit te zien viel dat men er studie van maakt om de mensen te verleiden tot kopen. De vrouwen worden verleid, dat ze b.v. de oude stofzuiger moeten wegdoen en de mannen, dat toch beslist een nieuw radio-, een televisietoestel, een bromfiets of een auto nodig is. Het is een methode die helpt — want er wordt nauwkeurig nagegaan wat de „psychologische bewerking" méér opbrengt. Zo las ik dezer dagen een artikel over de verkoopmethoden in grote warenhuizen als de „Bijenkorf"; de verkoopsters krijgen een speciale opleiding om de kijkers tot kopers te maken, een opleiding die jaren duurt. Van tijd tot tijd worden groepen mensen — mannen en vrouwen — gadegeslagen vanaf het moment dat ze het warenhuis binnenkomen, tot ze er uitgaan. Een nauwkeurige test wordt opgemaakt b.v. waar de belangstelling naar uitgaat; of de dames eerder besluiten om te kopen dan de heren (afzonderlijk of in bijzijn van elkaar) wat wordt gekocht, hoeveel gemiddeld wordt besteed enzovoort. Met deze gegevens gewapend weet men methoden toe te passen, om zoveel mogelijk artikelen van eigenaar te doen verwisselen.

Die verborgen verleiding werkt zo ongemerkt: ga maar eens bij uzelf na, als U in de stad komt en U loopt een warenhuis binnen alleen om rond te neuzen, U komt er weer uit met een of ander artikel, dat U heel niet van plan was te kopen. Daarom is het o.i. nodig, dat men zich tegen deze „verborgen verleiders" wapent en nooit iets koopt, dat men niet beslist nodig heeft. Want dat wordt overbodige luxe. De tering naar de nering zetten is nog altijd een spreekwoord, dat in praktijk dient te worden gebracht.

Als men jong is, moet men zich gewennen om niet maar alles te kopen waar men zin in heeft, maar het geld liever op een spaarbankboekje te zetten, om er later een nuttig profijt van te kunnen trekken. Laten we maar naar de oudjes luisteren, als ze vertellen, hoe men vroeger met het karig verdiende loon moest omspringen om in het gezin rond te komen. Dat zal ons wat zuiniger doen zijn.

Mijn vriend, de oude Flip, was kleermaker en had bepaald een nieuwe naaimachine nodig. Geld was er niet voor, maar de leverancier maakte het hem gemakkelijk — iedere week vijf gulden. Maar die vijf gulden, moesten er dan ook elke week zijn.

Eens op een avond, toen de oude Flip — hij is nu al lang de strijd te boven — de deur van zijn winkeltje sloot en wist dat hij de andere dag de twee rijksdaalders moest betalen die hij niet had, ging hij bezwaard naar bed. Hij boog z'n knieën en legde zijn noden

en behoeften voor de Heere neer, die hem voorkwam met de woorden dat van Hem toch het goud is en het vee op duizend bergen. Hoe het voor elkaar moest komen wist hij niet; in gelovig vertrouwen sliep hij toch de slaap des gerusten.

Maar er was een andere man in het dorp, die de slaap niet kon vatten. Hij ging z'n bed uit om een wandeling door het dorp te maken, menend dat de frisse nachtlucht hem zou opknappen en hij daarna te beter zou kunnen slapen. Komend langs de kleermakerij dacht hij aan de oude Flip, die het wel niet te breed zou hebben. Hij greep z'n portemonnaie haalde er twee harde rijksdaalders uit en schoof die onder de uitgesleten dorpel van de deur. Wat een wonder voor de oude kleermaker, toen hij 's morgens de deur open deed en het geld vond! Hij geeft het zijn beminden als in de slaap! En toen moest Flip weer op de knieën....

Kijk, daar horen we tegenwoordig weinig of nooit meer van. We hebben het zo best, we zijn verzekerd van de wieg tot het graf, A.O.W. met de oude dag, en we kunnen de Heere aan z'n plaats laten. De diaconie — de instelling van Christus — kunnen we missen — de Staat heeft de zorg van de armen en ouden van dagen op zich genomen. Dat is echter een hoofdstuk apart.

We behoeven niet naar de arme tijd van vroeger terug te verlangen; het boven omschreven ouderwetse maar historische verhaal leert ons, dat die oude tijd geestelijk gezien, beter was dan nu.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.