+ Meer informatie

De Pelgrimsreis is voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

58

Getrouw heeft krachtig gesproken, de naam des Heeren verheerlijkt, maar nu moet hij zwijgen en luisteren naar het vonnis dat over hem zal uitgesproken worden.

Alvorens de heren van het gerecht in de gelegenheid gesteld worden hun vonnis over Getrouw uit te spreken, gevoelde de rechter zich verplicht hem nog eens met de wet van hun vorst bekend te maken. Ogenschijnlijk nemen zij de zaak met alle voorzichtigheid zeer gewichtig op. En dan laat de rechter om klaarheid te geven in het recht der wet, de geschiedenis spreken: „In de dagen van de grote Farao, dienaar van onze vorst, werd er een wet uitgevaardigd, dat, om te verhinderen, dat de belijders van een vreemde godsdienst te zeer zouden vermenigvuldigen en te machtig zouden worden, men hun pas geboren knaapjes in het water zou werpen. En in de dagen van Nebukadnezar, een ander van zijn dienaren, werd er een bevel uitgevaardigd, dat al wie niet zou nedervallen en het gouden beeld aanbidden, geworpen zou worden in de vurige oven. En in de dagen van Darius werd er een bevel uitgevaardigd, dat al wie gedurende enige tijd een verzoek zou doen aan enig God behalve aan hem, in de kuil der leeuwen zou geworpen worden. Deze wetten zijn, wat haar inhoud betreft door de beschuldigde overtreden, en dat niet alleen in zijn gedachten, ’t geen reeds een onvergefelijke misdaad zou zijn, maar ook in woord en daad, en daarom behoort hij met grote gestrengheid gestraft te worden.

Wat de wet van Farao betreft, zij was een toepassing waar nog geen misdaad bestond, met het doel misdaad te voorkomen, maar hier is misdrijf geschied. En wat de beide andere wetten betreft, door zijn spreken tegen onze godsdienst heeft hij getoond dat hij ze overtreden en daarmee de dood verdiend heeft.”

Voor een gerecht zonder een diepgaand rechtsgevoel, had het betoog van de rechter ten volle rechtsgeldigheid. De gezworenen die eerst ieder afzonderlijk het vonnis over hem uitspraken, besloten daarna eenparig hem voor de rechter schuldig te verklaren.

Het eerst sprak Blinde, de voorzitter, en zeide: „Ik zie duidelijk, dat deze man een ketter is”. Toen zeide Nietgoed: „Weg van de aarde met zulk één!” „Ja”, riep Kwaadwillig, „want ik kan hem voor mijn ogen niet zien!” „Weg met hem!” riep Minnelust, „ik heb hem nooit kunnen uitstaan!” „Ik evenmin”, zeide Losbandig, „want hij heeft altijd onze weg veroordeeld!” „Hang hem op!” riep Stijfhoofdig. „Hij is mij een doorn in het oog!” riep Vijandschap. „Een schurk is hij”, gilde Leugenaar. „Hij is nog te slecht voor de galg!” oordeelde Wreedaard. „Laten wij hem uit de weg ruimen!” riep Lichthater uit. En Onverzoenlijk zeide: „Al bood men mij de gehele wereld, ik zou mij niet met hem willen verzoenen. Wij moeten zonder uitstel het doodvonnis over hem uitspreken”. En zo geschiedde het. Hij werd nu veroordeeld en weggevoerd om de op de wreedste wijze ter dood gebracht te worden. Eerst werd hij gegeseld, toen doorstoken met messen, gestenigd, en eindelijk aan een staak tot as verbrand. En zo kwam Getrouw aan zijn einde.

Staande in het geloof, dat de wereld met al haar boosheid en bitterheid overwint, was het oog van Getrouw gevestigd op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus Christus, Dewelke, voor de vreugde die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God”.

Nu zag ik, zo wordt ons betuigd, dat achter de menigte een wagen en paarden op Getrouw stonden te wachten, en zodra zijn vijanden met hem klaar waren, werd hij opgenomen en onmiddellijk door de wolken gedrafen en met triomfgeschal langs de kortste weg naar de hemelstad gevoerd.

Terwijl het aardse huis van Getrouw verteerd werd door de kracht van het vuur, kreeg hij een gebouw van God, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. Tot verheerlijking van Christus in het dragen van de middelaarskroon, heeft Getrouw in de krachten van zijn Heere de martelaarskroon blijmoedig mogen aanvaarden.

Aan de Pelgrim werd enig uitstel verleend en hij werd teruggevoerd naar de gevangenis, waar hij enige tijd bleef. Maar Hij, die alle dingen bestuurt en de woede van Zijn vijanden beteugelt, beschikte het zo, dat de Pelgrim aan hun handen wist te ontkomen en zijn weg kon vervolgen. En terwijl hij voortging, zong hij:


Getrouw, gij hebt trouw uw Heere beleden
En delen zult gij in Zijn heerlijkheden,
Terwijl de ontrouwen, na de korte duur
Van schijnvreugd, wenen in het helse vuur.
Zing dan, Getrouw, zing, Uw naam blijft groot.
En gij, gij leeft, al hebben ze u gedood.


De vijanden denken de kerk des Heeren op deze wijze uit te roeien, maar zij weten niet dat het bloed der martelaren het zaad der kerk is. En dat wordt ook hier aanschouwd. Nu zag ik in mijn droom, dat de Pelgrim niet alleen was toen hij verder reisde, want iemand, wiens naam was Hoop, en die getroffen was door de indruk, die de woorden en daden en het lijden van de Pelgrim en Getrouw op hem hadden gemaakt, had zich bij hem gevoegd. Ook had hij de Pelgrim voorgesteld een vriendschapsverbond te sluiten en gezamenlijk verder te gaan. Zo stierf de één om der waarheid getuigenis te geven en het was als verrees uit zijn as een ander om de ledige plaats naast de Pelgrim te vervullen. Hoop deelde hem nog mee, dat er vele anderen waren van de lieden, die zij op de kermis hadden gezien, welke hem weldra zouden volgen.

Maar de reizigers die de Pelgrim voorshands kwamen te ontmoeten met allerlei geredeneer vanuit de godsdienst, leefden niet vanuit het beginsel der oprechtheid. Wij behoeven ze voor u niet bij name te noemen als u maar let op het gemis van de vreze des Heeren. Het zijn mensen die alles weten, hebben en kunnen. Van de beleving van het afhankelijk zijn en onwaardig zijn, met gebondenheid aan de troon van Gods genade, ontmoet u bij dat ] geslacht niet. Door alle tijden heen is de Heere onteerd en is de kerk gekweld door hypokrieten. De Heere komt het oprechten te leren, het kostelijke van het snode te scheiden. Maar dat moet men altijd van binnen in de eerste plaats op zichzelf in toepassing brengen. In ons bedorven bestaan leeft niet alleen een wereld van ongerechtigheid, doch ook van eigengerechtigheid. En laat ons daarmee rekening houden, want de Heere ziet naar waarheid in het binnenste. Wij zijn altijd in gevaar te vervallen in een wereldse godsdienstigheid. De Schrift bindt ons dat op het hart als zij zegt: „En wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.” En wie dat ter harte mag nemen, bidt van dag tot dag om de vernieuwing van het gemoed. In de staat der genade hebben wij dan ook altijd weer de dierbare werkingen van de Heilige Geest nodig tot de vernieuwing van het gemoed om de Heere kinderlijk te vrezen. En dat leven is geheel onderscheiden van vorm en sleur, want het kleeft de Heere aan.

A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.