+ Meer informatie

Een eeuwigheidsvraag en ... een geheimvol geloofsgetuigenis

Is het wel met u? .... En zij zeide; Het is wel! 2 Koningen 4 : 26

10 minuten leestijd

Hoe vermenigvuldigen zich als vanzelf de gedachten, wanneer wij staan aan de grens van 'het jaar. Een jaar, waarin weer zo veel plaats greep, is ten einde, en als de Heere het ons schenkt, ligt er weer een nieuw jaar vóór ons, waarvan wij in het geheel niet weten hoe dat zijn zal.

Hoe nadrukkelijk predikt ons de wisseling des jaars de vergankelijkheid en kortstondigheid des levens, alsook de onbestendigheid van al het aardse. Hoe roept de jaarwisseling ons op om af te zien van al het ondermaanse en te zoeken de dingen, die eeuwig zijn en niet vergaan.

Op de laatste dag des jaars werpen wij onwillekeurig een blik achter ons. Ja daartoe worden wij zelfs opgeroepen en verplicht. Hoevele bemoeienissen kwam de Heere met ons te maken. Hoevele onverdiende weldaden mochten wij in het afgelopen tijdperk verkrijgen, schoon onzerzijds toch alle weldaden verzondigd zijn. Hoe leidde en bewaarde de Heere ons gedurende de gehele jaarkring. Waren Zijn goedertierenheden niet alle morgen nieuw? Hoe ondersteunde Hij en versterkte Hij, hetzij in het verborgen, of met inleving des harten, in dagen van rouw en smart! Hoe heeft Hij zo menig dreigend onheil nog genadig willen afkeren en welk een ernstige roepstemmen deed Hij een elk onzer toekomen.

Hoe ernstvol deed Hij daarin Zijn stem ons horen en door Zijn Woord ons toeroepen: „Ik heb geen lust in de dood des goddelozen, maar daarin heb Ik lust, dat hij zich bekere en leve". Ja meer, ons in de prediking aanwijzende de weg des levens, uitroepende door Zijn dienstwerk: „Dit is de weg; wandelt in dezelve".

Hoe beschamend en vernederend moet de Oudejaarsdag voor ons zijn, wanneer wij letten op de ongehouden en onverplichte goedertierenheden des Heeren, tegenover al onze afmakingen, zonden en ongerechtigheden.

Toch zal dit alles niemand van ons ongemerkt kunnen voorbijgaan. De Heere roept het ons allen ook in deze ure toe: „Geef rekenschap van uw rentmeesterschap". O gedenkt toch, dat er een gedenkboek' voor Gods aangezicht geschreven is.

Rekenschap zal moeten worden afgelegd betreffende ons persoonlijk, huiselijk, kerkelijk en maatschappelijk leven. Wat wij gedaan hebben met de gaven en talenten, ons toebetrouwd; of wij die aangewend hebben, met verloochening van onszelf, tot de eer des Heeren en het heil der naasten. Wat wij gedaan hébben met de weldaden, die de Heere onder Zijn oordelen, die over de wereld gaan, en waarin Hij zo duidelijk betoont ook een twisting met Zijn kerk te hebben, ons schonk in dat vervlogen jaar, hetzij voor de tijd of voor de eeuwigheid.

„Is het wel met u? " Als wij op onszelf zien, zullen wij allen' dan niet moeten uitroepen: „Wie zal bestaan als Hij verschijnt? " Hoe noodzakelijk is het voor een elk onzer, zal het ons wel 'zijn, de toepassende kracht, hetzij voor het eerst of bij vernieuwing, van dat alreinigende bloed des Lams te ervaren, tot verzoening van al onze ongerechtigheden en tot reiniging der consciëntie van dode werken, om de levende God te dienen.

Wat slaat helaas de mens de pinnen in de aarde toch van nature vast in, terwijl wij dagelijks zien hoe spoedig het leven kan zijn afgesneden. Laat ons slechts denken hoe onze geliefde broeder wijlen Ds. Dieleman in het voorjaar van dit vervlogen jaar ons zo plotseling, zelfs op zulk een ontzettende wijze, ontviel, terwijl hij immer nog in de volle kracht van zijn leven was.

Hoevele achtenswaardige ambtsdragers, die wij in het jaaroverzicht met name noemen, ontvielen hun zo geliefde betrekkingen en de gemeenten! Daarbij, hoevele leden en doopleden der gemeenten hebben, hetzij in jeugdige leeftijd, of in de kracht des levens, of in de ouderdom, het tijdelijke met het eeuwige moeten verwisselen. Hoevelen van Gods volk zijn weer ingezameld, en hoe weinig hoort men, dat deze ledig gemaakte plaatsen weer werden vervuld. Welk een sprake des hemels kwam daarin immers tot ons en hoe hebben wij nu temidden van dat alles ons bevonden en wat hebben al die roepstemmen des Heeren in voor- en tegenspoed ons geleerd?

Hoe getuigde de Heere ook in het wereldgebeuren, dat Hij een twisting heeft met de volken der aarde. Hoe duidelijk waren ook de roepstemmen des Heeren tot ons in Zijn kennelijke sprake in zo vele omstandigheden van ons al verder wegzinkende vaderland. En hoe hebben wij onder dat alles geleefd, en waar heeft ons dat gebracht? 

„Is het wel met u? "

Onze tekst wijst ons op de Sunamietische. Deze welgestelde vrouw was echter aanvankelijk onvruchtbaar geweest. Voor de tijd bezat zij zeer veel, doch zij had geen kind. Ongevraagd was izij echter zeer beweldadigd en had op het gebed van Ezra een kind van de Heere verkregen. Op kennelijke wijze had zij mogen ervaren, dat de God van Sara en Hanna, van Manóach en zijn huisvrouw, nog leeft. Welk een troost is dit voor degenen, die geen reden tot enige beweldadiging bij zichzelf kunnen vinden, dat de Heere gisteren en heden Dezelfde is tot in der eeuwigheid. Dat Hij trouwe houdt en waar maakt: „Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen". Hij is echter ook die God, Die belooft en vervult, doch ook beproeft. Bemerkt dit maar bij deze vrouw, want toen haar jongen opgroeide tot een knaap en tot zijn vader ging op het veld, werd hij waarschijnlijk door een zonnesteek getroffen, waardoor hij uitriep: „Mijn hoofd, mijn hoofd!" en, terwijl hij thuisgebracht op zijner moeders schoot zat, stierf.

Wat een smartelijke beproeving moest deze Sunamietische doormaken. Eerst zo verblijd door de goedgunstigheden des Heeren, en nu zo ineens m 'droefenis en smart gedompeld. Grote genade is het om in zulk een weg te geloven, wat Paulus zegt, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen, dus die van voor- en tegenspoed, van 'blijdschap en droefenis, van bezit en gemis, dus niets uitgezonderd, moeten medewerken ten goede, namelijk, die naar Zijn voornemen geroepen zijn (Romeinen 8 : 28).

Onze Gode vijandige natuur kan God in al Zijn doen geen God laten, en daarom is het geen kleine weldaad, wanneer de Heere ons vergunt geen kwade gedachten van God te kunnen krijgen, m'aar onszelf, met al wat Hij ons schonk, in het recht Gods te mogen verliezen. Zulken zal Hij ook op Zijn tijd Zijn gunst en herstellende genade vanuit Zijn verbond rijkelijk doen ervaren, hun ten goede.

Deze bedroefde moeder blijft in al haar smart ook niet lijdelijk nederzitten, doch wordt gelovig werkzaam en wenst in' al haar nood te komen op de rechte plaats, dat is aan de voeten van de profeet, die middel was geweest, en alzo bij God. Wanneer zij daartoe zich opmaakt, wordt het haar op de weg, nog vóór zij bij de profeet is, gevraagd: „Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? "

Wat wonderlijk 'is, hoe ontroerd zij ook is, dan haar antwoord: „Het is wei!" Tot welk een jaloersmaking mag dit woord ons strekken. Zo zwaar getroffen, zo diep bedroefd, ja alles kwijt, en toch: „Het is wel!" Dat dit woord geen ijdele klank, naar diepe inhoud had, bewijst niet alleen haar zeggen tot haar man, toen hij vroeg waarom zij tot 'de profeet ging en zij antwoordde: „Het zal wel zijn", doch ook haar spreken tot de man Gods. Niet waard kende zij zichzelf, een zoon van de Heere te verkrijgen, geen rechten in zichzelf te hebben zó beweldadigd te worden, niet ^bekwaam om zulk een gift Gods op de rechte wijze te waarderen en te bezitten. Geen kwade gedachten heeft zij van God. Zij kent Hem in alles recht en gerechtigheid toe, doch begeert met al haar smart zich aan Hem te mogen overgeven. Die in souvereine beweldadiging gaf en ook weer nam, Zuiken valt het altijd mede, wijl de Heere lust heeft Zichzelf te verheerlijken en te betonen-, 'dat alle dingen, ja ook ons lot en leven, in Zijn hand zijn. Hij bestuurt het alles tot Zijn eer en tot zalige blijdschap van allen, die zichzelf met al hun noden en smarten aan Hem mogen toebetrouwen. In Hem en door Hem, Die Zich in Zijn genade, die in Ohristus Jezus is, verheerlijkt, ontvangen zij al wat zij uit Zijn hand ontvingen en verloren in d© weg, die Hij met hen ging, ook weer in genade terug. Hoe duidelijk wordt dit ons getekend bij deze Sunamietische, daar ze haar zoon uit de hand des Heeren ook weer terug verkreeg, en in verwondering des harten zich voor Hem nederboog, om Hem de eer te geven. Hoe gelukkig is het, wanneer wij door genade daarvan iets mogen kennen. Immers dan zullen wij niet in op- Stand murmureren, wanneer de weg des Heeren met ons tegen onze wil en 'begeerten inging. Dan verstaan wij 'het ook, dat alle weldaden, die wij verkregen in het afgelopen jaar, souvereine beweldadigingen des Heeren waren, zonder dat enige reden daartoe in onszelf gevonden werd. Dat alles, wat wij ook nog mochten doen voor Gods kerk, Zijn knechten en volk, voor ons gezin en gans de samenleving, nooit op onze rekening kan worden geschreven, doch geschiedde door de daartoe genegen makende goedertierenheid des Heeren.

Wat een weldaad is het dan ook te achten, met de wisseling des jaars die voortreffelijke gestalte in ware beoefening des harten te hebben, dat wij bij de vraag: „Is "het wel met u? " met de Sunamietische mogen zeggen: „Het is wel!" Zulken kunnen het oude jaar dan zó wel uit, om het nieuwe jaar te mogen ingaan, waarbij de Heere hen niet beschamen zal.

Och, dat het nog eens ware nood mocht worden bij al degenen, die zo rustig voortleven buiten God en zonder God, terwijl toch elk ogenblik de tijd kan aanbreken, om te moeten ervaren, wat de engel zwoer, dat er na de tijd geen tijd meer zijn zal. Nog wordt het ons echter toegeroepen: „Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, waarom zoudt gij sterven? "

Hoe bang is de tijd, waarin wij leven. Welk een doorvloeiingen zijn er in de zonden, ongerechtigheid en wereldgelijkvormigheid, waarbij het moet worden opgemerkt, dat de consciëntiën van velen al meer toegeschroeid schijnen. O ontwaakt, gij die slaapt, want het einde aller dingen is nabij! Hoe schrikkelijk zal het dan zijn onbekeerd voor God te moeten verschijnen en rekenschap te moeten geven van al de roepstemmen, in zegeningen en oordelen tot u gebracht, en waaronder gij u hebt verhard! O, dat het woord in zijn volle betekenis u aangrijpe: „Is het wel met u? " Doorzoekt uzelf nauw, ja doorzoekt u nauw, gij volk, dat met geen - lust bevangen is, eer het besluit bare, want als kaf gaat de dag voorbij.

Het volk, dat het om God te doen geworden is, zal met veroordeling van zichzelf moeten zeggen: Och Heere, het is alléén maar wel, als Gij het wel maakt. Zulken, die echter geleerd hébben wie ze zijn en wie ze behoren te zijn, en zichzelf in hun bestaan daar zo in tegen hebben in smart voor God, en alzo zichzelf mishagen vanwege de zonde, en voor God zich verootmoedigen, zal het. medevallen, daar de Heere het is. Die in de Zoon Zijner liefde in Zijn genade Zich in ellendigen wil verheerlijken, om het alles wel te maken, zó, dat ze, hoe het ook bij tijden onmogelijk kan schijnen, het dan zullen uitroepen: „Het is wel!", en in de uitkomst ook niet zullen - worden beschaamd. Hij zal het zulken immers eenmaal volmaakt doen inleven, dat Hij getuigt: „Het .oude is voorbijgegaan; ziet, het is alles nieuw gewor­den".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.