+ Meer informatie

HOE ZIEN WIJ DE TOEKOMST VAN ONZE KERKEN?

21 minuten leestijd

Inleiding

Elk van de drie vragen die mij zijn aangereikt: - Wie waren we? - Wat zijn we nu? - Welke richting wordt ons voor de toekomst gewezen? is een vraag naar de identiteit van onze kerken. Daar zullen we dus mee bezig hebben te zijn vandaag.

In die vragen zit al opgesloten dat we niet alleen maar een portret van de kerk zullen tekenen, maar dat er ook kritisch naar gekeken moet worden. Ik wil beide doen. Als ik probeer te schetsen hoe de kerk eruit zag en eruit ziet, is trouwens dat kritische element al meteen aanwezig. Ik ben er van overtuigd dat er een heel mooie tekening van onze kerken gegeven kan worden. Een tekening die in het licht zet welke rijkdommen de Here onze God ons geschonken heeft, en hoe we gaven van de Heilige Geest in de kerk kunnen opmerken die vruchtbaar zijn. In prediking, pastoraat, diaconaat, in veel goeds binnen de gemeenten waar mannen en vrouwen zich in liefde geven voor de Here en zijn dienst, wordt de gemeenschap der heiligen als een gezegende gemeenschap opgemerkt.

Echter - wanneer we naar de identiteit van onze kerken vragen, kunnen we niet anders dan de hoogste normen hanteren: vanuit wat Gods Woord ons zegt over de gemeente van Christus. Dan mogen we zeggen dat het juist eigen is aan de kerk om die kritiek aan zich te laten voltrekken.

Vanuit dat perspectief wil ik graag over de identiteit van de kerk spreken: Wie we waren, wat we zijn, en welke kant het uit moet met de kerk.

I Gegroeide identiteit

Met veel historisch besef plegen wij te zeggen dat wij stammen uit de Afscheiding van 1834, en dat wij bij de Vereniging in 1892 alleen maar gebleven zijn wat we waren: christelijk gereformeerd. Zo is het. Het ging om het bewaren van wat we van de Here gekregen hadden. De kern daarvan was gelegen in de betekenis van het genadeverbond, in een bijbelse gemeentebeschouwing en in een prediking die, naar Schrift en belijdenis, aan deze dingen recht deed, uitkomend in een fijngevoeligheid met betrekking tot het werk van Gods genade door de Heilige Geest in het persoonlijk geestelijk leven, en in een besef dat deze dingen gekend moeten worden. Een schriftuurlijke, confessionele en bevindelijke prediking gaf herkenning en gemeenschap. Daaromheen groeide een identiteit.

Er is evenwel iets van een spanning op te merken als je probeert het eigene daarvan onder woorden te brengen. Enerzijds is gezegd: als kerken hebben we alleen maar recht te doen aan het Woord van God, en de samenvatting daarvan vinden we als een afgeleide norm in de belijdenisgeschriften. Boven de norm van Schrift en belijdenis gaan we niet uit. Wij willen niet door andere zaken genormeerd worden. Wij willen zeker niet de kerk van De Cock zijn, van Van Lingen, van (C.) Wisse of van Van der Schuit of wie je uit later tijd maar zou willen noemen.

Anderzijds is er niet zelden met een zeker welgevallen gesproken over ‘het eigene van de Christelijke Gereformeerde Kerken’. Er kan iets legitiems in gelegen zijn als het gaat om het omschrijven van wat in Schrift en belijdenis werd ontvangen en bewaard. Gehoorzaamheid is dat legitieme element. Maar is dat alles? Kwam daar op sommige ogenblikken ook niet een ‘Christelijk gereformeerd gevoel’ bij? Met verwijzing naar 1892: Wij zijn de legitieme voortzetting… Bij ons wordt recht gedaan aan de prediking van wet en evangelie… En daarbij was als het om de vergelijking met andere kerken ging - tot aan de Tweede Wereldoorlog de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Gereformeerde Gemeenten en daarna de Gereformeerde Kerken (onderh. art. 31) erbij om het plaatje maar even simpel te houden - ook wel iets van: wij zijn toch de beste keus. In mijn studententijd las ik Kerk tussen klem en knoop van ds J.H. Velema, waarin de fundamenten, maar ook de spanningen en gevaren van ons kerkelijk leven wel worden aangegeven, maar toch bleef mij toen een gevoel over van: als je christelijk gereformeerd bent, dan ben je bij alle zwakheden toch wel aan het beste adres van de kerk van Jezus Christus. Het is bekend dat vrijgemaakte gereformeerden vrij sterk een andere weg plachten te wijzen, etc… en dat, in ontmoetingen tussen leden van verschillende kerken, er gemakkelijk een houding kon ontstaan van: zijn wij nu beter, of zijn jullie het? Tijdens de godsdienstles op een middelbare school van (vrijgemaakt) gereformeerde signatuur maakte een van onze kinderen mee, dat door de docent gezegd werd: ‘Als de apostel Paulus ons zou bezoeken zou hij op zondag de Gereformeerde Kerk (vrijg.) bezoeken.’ Op de vraag van een christelijke gereformeerde leerling ‘… en wij dan?’ was het antwoord: ‘Ja goed, dan komt hij ‘s middags bij jullie.’ Ik ben bang dat dat soort conversatie het gemakkelijke gevolg is van de manier waarop wij geleerd hebben met de identiteit van de kerk bezig te zijn.

Ons historische gelijk is altijd een kwetsbaar gelijk. Ons huidige bewaren van de ontvangen erfenis is altijd bedreigd. Zijn 1834 en 1892 alleen maar zegeningen van vast geloof, helder inzicht en kerkelijke trouw geweest, of waren er ook elementen in die al te menselijk waren? Ik zeg er meteen bij: het is legitiem dat de kerk menselijke trekken vertoont en dat zij die ook in de geschiedenis vertoond heeft. De Here regeert zijn kerk door middel van mensen die met de apostel Paulus in hun kerkelijke roeping erkennen moeten dat ze de schat in aarden vaten hebben (2 Kor. 4:7). Het is in onze kerkgeschiedenis terug te vinden dat menselijke beperktheden hun sporen nalieten. Er is geen volmaakte kerkvader, of kerkelijke vergadering aan te wijzen. In de Reformatie is men zich dat bewust geweest door te zeggen: Ecclesia reformata semper reformanda. De gereformeerde kerk moet altijd weer gereformeerd worden. We zijn er niet met te kijken naar wat we zijn. Het is daarom zinvol de zwakke plekken van onze gegroeide christelijke gereformeerde identiteit met extra aandacht te bezien, meer dan de zegeningen die evenzo zichtbaar zijn.

Laat ik, terugblikkend naar wie wij waren, nog iets noemen. Bij alle onderlinge verschillen hebben wij in onze kerken steeds de eenheid bewaard. Er is wel gesproken van ‘het charisma van de eenheid’ van de christelijke gereformeerden dat dwars door de verschillen heen een besef deed standhouden: we begrijpen elkaar op de meest wezenlijke punten toch. Ik heb dat zelf diverse keren met blijdschap zo ondervonden, bijvoorbeeld tijdens samensprekingen met deputaties van andere kerken. Toch zijn we er daarmee niet. Zeker niet als die eenheid op zijn minst voor een deel zou zijn terug te voeren op een soort christelijk gereformeerd gevoel van bij elkaar horen. Dan is de identiteit wel erg zwak gefundeerd.

II Bedreigde identiteit - bedreigde eenheid

De vraag naar onze huidige identiteit zou kort kunnen worden afgedaan. We hoeven elkaar niet zoveel uit te leggen, want we zitten er middenin. Is vandaag het geheel van onze kerken vertegenwoordigd of zijn er ambtsdragers van uiteenlopende snit die niet kwamen omdat ze bij voorbaat vreesden zich niet te zullen kunnen herkennen vandaag? Op kerkelijke vergaderingen op het niveau van classis, particuliere of generale synode wordt de onderlinge gemeenschap soms alleen maar als een formele zaak beleefd. Wie durft voor te stellen op een generale synode met de viering van het Heilig Avondmaal te sluiten, zoals in de kerk van de Reformatie vroeger gebeurde? We staan niet eens verbaasd als gezegd wordt: die twee predikanten ontmoeten elkaar wel op de classis, maar ze praten niet met elkaar.

Als de generale synode een duidelijke uitspraak heeft gedaan kan het gebeuren dat er kort daarna door synodeleden aan die uitspraak gerefereerd wordt alsof het daarmee nog alle kanten uit kan.

Predikanten die tijdens kerkelijke vergaderingen een coliega als broeder aanspreken, nemen maatregelen om veilig te stellen dat die collega niet op ‘hun’ kansel komt. Kerkenraden geven een verhuizend gemeentelid de raad om in de nieuwe woonplaats maar eens goed rond te kijken, maar zich zeker niet bij de plaatselijke kerk te voegen van het eigen kerkverband.

Studenten die preekconsent hebben gekregen ontvangen van oudere predikanten de raad zo weinig mogelijk in gemeenten te preken waar ze een liturgische praktijk zouden moeten volgen die vanuit hun eigen afkomst niet hun eigen keus zou zijn. Het argument daarbij is: Als men van jou verneemt dat jij bijvoorbeeld uit een andere bijbelvertaling gelezen hebt, dan kan dat het vertrouwen wel eens beschadigen dat je in de ‘eigen’ achterban nodig hebt. Daar achter ligt een identiteitsvraag die in onze kerken inderdaad reëel is, namelijk de vraag hoe een liturgisch patroon dat is gegroeid en dat vertrouwd is mogelijk sterker identiteitsbepalend is dan de inhoudelijke grond van Schrift en belijdenis. Het lijkt mij niet nodig, en ook niet aangenaam, hier uitvoeriger over te zijn. De zaak is duidelijk genoeg. Er is sprake van een onderhuidse desintegratie, een uit elkaar groeien van gemeenten en gemeenteleden in een mate die als het over een huwelijk ging ‘duurzame ontwrichting’ zou heten. Ik noemde het onderhuids. Deels is het dat natuurlijk al lang niet meer, maar is er feitelijk een hartgrondig wantrouwen. Dat is al jaren zo. Bijna veertig jaar geleden verlief een van onze hoogleraren het gebied van de classis waarbinnen hij als predikant had gewerkt. Bij zijn afscheid zei hij in de vergadering: ‘Ik hoef u niet te bedanken voor het vertrouwen dat u in mij hebt gesteld.’ Je zou op die manier eigenlijk niet met elkaar in een gemeente kunnen verkeren. Je zou niet samen avondmaal kunnen vieren. En we verkeren wel in één kerkverband. Wat voor basis heeft dat dan? Een organisatorische? Maar dan klopt er van het taalgebruik op onze kerkelijke vergaderingen niet veel meer. Wanneer aan het begin van een generale synode instemming betuigd wordt met de belijdenis door alle synodeleden, wordt daarmee gezegd: ‘Dit is de grond waarop we vergaderen. Dit is de gemeenschap in het geloof waarin wij elkaar ontmoeten. Christus bouwt zijn gemeente op het fundament van zijn Woord dat we belijden.’ Maar klopt het wel? Moeten we niet doorvragen naar het wezenlijke van onze identiteit als Christelijke Gereformeerde Kerken?

Ben ik te kritisch? Ben ik te negatief? Moet je er niet zo zwaar aan tillen? Ik ben van mening dat het zo ligt. AI zou het maar waar zijn voor een vijfde deel van onze kerken, dan nog gaat het ons allen aan.

Er worden na kerkelijke vergaderingen soms opmerkingen gemaakt in de trant van: ‘Het is goed weer terug naar de eigen gemeente te gaan. Daar vind je de eigenlijke kerk. De moeiten van het kerkverband schud je dan maar weer van je af.’ Ik kan me daar best iets bij voorstellen. Maar alleen op de manier waarop Paulus en Petrus misschien ook niet zo gemakkelijk in dezelfde gemeente zouden hebben gewerkt. Maar ze hebben wel samen kunnen vergaderen met de andere apostelen blijkens Handelingen 15, en de uitkomst daarvan kon zijn: ‘Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht’ (Hand. 15:28).

De identiteit van de kerk is niet alleen plaatselijk aan de orde. Die betreft ook het kerkverband. Ons van elkaar distantiëren is onder de maat van de Here. Het is niet naar Schrift en belijdenis.

Als we opmerkzaam letten op de dingen die in ons kerkelijk leven voor de dag komen, is er nog een fenomeen dat reden tot bezorgdheid geeft. De geest van deze tijd gaat aan de kerken niet voorbij. Dat is natuurlijk in alle tijden zo geweest, maar nader toegespitst zijn er uitingen van een postmodern levensgevoel op te vangen die aan de fundamenten schudden. Het is de openheid naar allerlei Stromingen en ideeën die vandaag in de literatuur en de wetenschappen regeert en ook onder onze jongeren en onder mensen met hogere opleidingen sporen trekt. Een duidelijk uitgangspunt hebben waaraan anderen getoetst worden, is nauwelijks te tolereren. Wat ons sympathiek voorkomt mag op zijn minst meepraten. En als bepaalde aspecten uit de bijbel, bijvoorbeeld de boodschap van verzoening, ons in ons denken en ons gevoelen moeite geeft, dan zeggen wij gewoon, dat wij daar niet meer zo voor voelen. Een dergelijke manier van denken schudt inderdaad aan de grondslagen van de kerk. Het handhaven van ethische normen omtrent huwelijk en seksualiteit omdat de Schrift het zegt, is voor sommigen geen automatisme meer. Er zijn gemeenten die daar mee worstelen. Je ogen ervoor sluiten is niet afdoende. Het plaatst ons langs een heel andere kant niet minder voor de vraag naar de identiteit van de kerk. De Heilige Schrift niet meer het einde van de tegenspraak? Waar blijf je dan? En wat moet je ermee?

Het is duidelijk dat de vragen die ik langs verschillende kanten plaats bij onze identiteit vandaag ook daadwerkelijk op de agenda van de kerk staan. Ik wijs op twee dingen die in de vergadering van onze generale synode passeerden, die elk met een van de probleemvelden van ons huidige kerkelijke bestaan te maken hebben.

Het eerste is het besluit dat de synode nam over de betekenis van onze eigen identiteit. Deputaten voor de eenheid van de gereformeerde belijders zullen zich in het licht van de Heilige Schrift hebben te ‘bezinnen op de vraag welk gewicht aan zaken als eigen kerkelijke cultuur, eigen kerkelijke identiteit en de bewaring van interne kerkelijke eenheid gegeven mag worden en op welke wijze de kerk van Christus in het besef van en onder beslag van Christus’ gebed om eenheid en op weg naar zijn toekomst, daarmee heeft om te gaan.’ Dat is de goede vraag in dit verband. Ik beschouw het als een zegen dat de synode dit zo heeft gesteld en aanvaard. Je kunt zeggen dat daar twee manieren in doorklinken om over de identiteit van de kerk te spreken, een lage en een hoge manier. Dat is precies waarover we vandaag spreken. En waar we mee verder moeten. Ik kom er op terug.

Het tweede besluit van de synode waarin de worsteling aangaande de identiteit van de kerk vandaag uitkomt is de opdracht die aan een deputaatschap gegeven is ‘om attent te zijn op de probleem- en conflictpunten welke door het overheidshandelen opgeroepen zouden kunnen worden met het oog op het huwelijk, zoals de bijbel daarover spreekt.’ Daarover moeten de kerken dan een aanbeveling ontvangen. De kerk heeft blijkbaar behoefte aan richtlijnen temidden van de wereld van nu, om met zoiets helders als het huwelijk te kunnen omgaan. Er is verwarring groeiende die ook de kerk niet voorbijgaat.

III Kerk onderweg naar de toekomst

Als aan de gegeven tekening van onzekerheid over de identiteit van de kerk vandaag een weg moet worden ontleend naar de toekomst zijn we verlegen. Ik ben bezorgd over de kerk. We hebben ziekten onder de leden die tot algehele verlamming kunnen leiden. Wat verwachten wij van de toekomst van onze kerken? Als de polen in ons kerkelijk leven zich nog meer als polen gedragen, kunnen we krachtige uitspraken verwachten die tegen andere sectoren gericht zijn. En dat zonder dat het hart van anderen wordt gezocht. Zonder gemeenschap. Van twee kanten zijn wel voorbeelden te geven van zulke pogingen tot krachtig spreken dat tegen een andere kant van de kerken gericht is. Het is een uiting van de gezindheid: het moet maar eens gezegd worden. Dat is allemaal gelukkig niet definitief, en niet dichtgetimmerd. Er zitten nog wel vensters en deuren in de pantsers, blijkt soms. Maar ik ben toch bezorgd.

Het geestelijk gehalte dat we vertonen is niet zo indrukwekkend.

Willen we als kerken toekomst hebben dan moeten we naar mijn diepe overtuiging dieper tasten naar de identiteit van de kerk. En dan zeg ik het nog verkeerd. Niet: ‘willen we als kerken toekomst hebben’, maar: willen we als kerken deel hebben aan de toekomst van Christus! Daar gaat het om.

Ik wil onze kerken niet relativeren, in de zin van: als je maar deel uitmaakt van de onzichtbare kerk. Als we zo gemakkelijk vluchten in ‘de oecumene van het hart’, laten we teveel los van wat aan de kerk van Christus eigen is, die wel degelijk een organisatorische, een aardse, een menselijke kant heeft. Het is juist de verbinding tussen Christus in de hemel en de kerk op aarde die de sleutel vormt tot het wezenlijke van de identiteit van de kerk. Dan kun je niet relativeren. Dan kun je de kerk op aarde juist niet losmaken van de hemel, en dan kun je de Here Jezus, de Koning van de kerk niet losmaken van zijn kerk op aarde. Dat maakt het niet gemakkelijk. Dat betekent dat er kritiek van de Here Zelf is op de kerk. En dat de kerk dat ook wil zoeken.

Ik wil graag nadruk leggen op het fundament van de kerk zoals we dat gewend zijn: Schrift en belijdenis. De belijdenis onder de Schrift, maar die mag er bij. Die wijst op de menselijke verantwoordelijkheid die in de kerk een grote rol speelt.

Alleen - dat fundament van de kerk moet niet functioneren als de statuten van een vereniging, of als een artikel uit het wetboek van strafrecht. Je gaat er pas naar zoeken als je merkt dat er iets mis gaat. Het fundament van de kerk heeft alles met de identiteit van de kerk te maken omdat het gaat over Jezus Christus. De kerk is Zijn lichaam. De gemeente kent Hern als haar Hoofd. We zullen op die manier aan onze identiteit moeten leren denken. Christus is het Hoofd. En alleen in Hem is de identiteit van het lichaam gelegen. Ik heb om dat te verduidelijken wel het voorbeeld van een pasfoto gebruikt. Als we ons moeten identificeren moet er een rijbewijs of een paspoort zijn met een foto waar gezien kan worden wie we zijn. Wat staat er op die foto? In lichaamslengte gemeten slechts één vijfde van een mens - alleen ons hoofd. In onze buik en in onze voeten, zelfs in onze handen, is men niet geïnteresseerd. De identiteit ligt alleen in het Hoofd. Hoe is dat bij uitstek het geval met de kerk! Het Hoofd zegt wat het lichaam is.

Broeders en zusters - als we ons daarop bezinnen krijgen we het een beetje warm als we spreken over de toekomst van onze kerken. Wij praten er over vanuit de gedachte: Hoe krijgen wij dat toch voor elkaar? Hoe zullen wij eruit zien in de 21e eeuw? Wanneer we echter in Gods Woord lezen wat er staat van Christus die het hoofd is zijner gemeente, dan staat er bij: Hij is het die zijn lichaam in stand houdt (Ef. 5:23). Zo simpel is dat. Het geheim van de toekomst van de kerk heeft alles te maken met de identiteit van de kerk. In Christus ligt ons geheim, onze kracht, onze herkenning. Christus Die Zich overgegeven heeft voor zijn gemeente, om haar te heiligen, haar reinigende door het badwater met het Woord (Ef. 5:26), en zo zelf de gemeente voor zich te plaatsen, strafend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zodat zij heilig is en onbesmet (vs 27). Als de gemeente zijn lichaam is, draagt Hij Zelf daar de zorg voor. Dat betekent niet dat we rustig kunnen wachten wat Hij dan zal doen. Want Hij reinigt zijn gemeente door het badwater van het Woord. En het Woord spreekt. En het heeft God behaagd in de gemeente mensen te plaatsen aan wie Hij oren gegeven heeft.

Maar als het Woord spreekt worden onze identiteiten afgebroken. Dan leren we met Johannes de Doper: Hij moet wassen en ik moet minder worden (Joh. 3:30), en met Paulus: niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij (Gal. 2:20). Zulke woorden geven niet alleen de identiteit van een discipel, maar ook de identiteit van de gemeente aan. ‘In Hern wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here’ (Ef. 2:21). Dat wordt van de gemeente gezegd. In Hern - daarin ligt de identiteit. In de situatie var, de gemeente van Efeze sprak dat bijzonder scherp omdat daar een muur tussen twee identiteiten moest worden, ja was afgebroken. Eén gemeente van Joden en heidenen (Ef. 2:11-22).

Dat zijn geen pijnloze operaties. Toen niet - nu niet.

Ik zou eigenlijk naar conclusies toe willen voor ons eigen kerkelijk leven. Ik denk dat ik voldoende indicaties gegeven heb van de richting waarin we de toekomst van de kerk alleen maar zullen kunnen vinden, maar dat ik nog wat concrete punten moet noemen. We zullen ook als we hier een heel fijne en broederlijke gedachtewisseling over kunnen krijgen vandaag, er toch niet mee klaar zijn.

Wij kunnen de toekomst namelijk niet tegemoet met 1834, en niet met 1892, en niet met schriftuurlijk bevindelijke overtuigingen waar we altijd voor hebben gestaan. Niet dat we die dienen te verloochenen. In het geheel niet. Maar als dat op zichzelf blijft, zullen we ermee kunnen stranden aan de poorten van de eeuwigheid. De toekomst is alleen in Christus ons Hoofd. Ik vrees dat wij ook kerkelijk door een proces zullen heen moeten als Paulus meemaakte, die leerde te zeggen: Alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. Vuilnis dus, drek. En daar was heel wat moois bij. Kerkelijke en theologische waarden waren er bij. (Fil. 3:4-11)

Want wie is Jezus Christus als Hij onze identiteit zal zijn? Is Hij iemand van de 18e of van de 19e eeuw, zodat we als we in ons taalgebruik en in onze kleding ons wat ouderwets voordoen, er beter voorstaan dan wanneer we er uit zien en praten als mensen van nu? Jezus Christus is van het jaar nul. En van het jaar 33. De geboorte, de kruisiging, de opstanding. En zijn kleding was zelfs voor Soldaten aantrekkelijk om te bezitten. Hij was niet van deze wereld. Maar ook niet van die van een tijd terug. Hij was en is van de toekomst. Ons Hoofd heeft de 21e eeuw al in zijn handen, en het tweede millennium na zijn geboorte wordt door Hem al omvat. Dan zal zijn lichaam niet bevreesd zijn ook vooruit te kijken. Niet in afhankelijkheid van de trends van deze wereld, maar vanwege de kennis van Hem midden in deze tijd. Wat is het opmerkelijk dat de Heilige Geest het Nieuwe Testament heeft doen schrijven in de gewoonste, voor ieder te bevatten taalvorm van de eigen tijd, het Grieks dat geen geheimtaal was, maar in de handel en op school en op straat werd verstaan.

De identiteit van de kerk is ons Hoofd. Wat wil Hij met zijn lichaam? Dat is wat Hij zijn Vader gevraagd heeft in het hogepriesterlijk gebed: Ik bid niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze (Joh. 17:15). Jezus voegt daaraan toe: Zij zijn niet uit de wereld gelijk Ik niet uit de wereld ben vs 16). Waar komt de gemeente vandaan? Niet uit een vorige eeuw, maar van daar waar Christus vandaan komt. Niet uit de wereld. Thuis in de hemel waar ons burgerschap is (Fil. 3:20). Daar komt onze toekomst vandaan. En op die manier toch hier present. Als Jezus niet bidt dat we uit deze wereld worden weggenomen, hebben we hier dus present te zijn. Met een identiteit die van Christus spreekt, maar die - juist daarom - niet afstoot.

Ik zou u willen vragen na te denken over wie wij als kerken zullen zijn. Het wordt tijd in verootmoediging, op de knieën, onze identiteit te herijken. Maten en gewichten werden (en worden?) regelmatig door het ijkwezen gecontroleerd. Zou het voor de kerk van Christus die vele jaren druk geweest is zich met de eigen identiteit bezig te houden, niet gepast zijn bijvoorbeeld eens in de honderd jaar intens met de herijking van de eigen identiteit bezig te zijn? Daarbij gaat het inderdaad om de toekomst. Niet van onze kerken, maar van de gemeente van Christus. Mag ons Hoofd kritiek hebben op de kleine identiteiten waar wij ons druk over maken, ja mogen onze identiteiten doorbroken worden vanuit Christus? Niet meer mijn ik, maar Christus. Niet meer mijn christelijke gereformeerde kwaliteiten en zwakheden, maar Christus. Radicale dienst. Radicale liefde, radicale gehoorzaamheid.

Ook: radicale toetsing van wat niet van Hem is. In 1 Johannes 4 worden wij vermaand de geesten te beproeven of zij uit God zijn. Daar staat iets geweidig radicaals. Daar staat: ledere geest die belijdt dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en iedere geest die Jezus niet belijdt is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist..’ (1 Joh. 4:2-3). Let wel, er staat niet ‘ ieder geest die ontkent..’, maar ‘iedere geest die Jezus niet belijdt’. Die is niet uit God.

Daar ligt de toetssteen van de identiteit van de kerk. Jezus belijden, de Zoon van God die in het vlees gekomen is.

Wat zeggen de mensen als ze een christelijke gereformeerde zien? Als ze ons zien? Als ze ons kerkelijk leven zien?

Daar moeten we het over hebben. Over Hern. En over zijn lichaam. En niet over ons, en onze voorkeuren. De toekomst is aan Hem, de alfa en de omega, het begin en het einde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.