+ Meer informatie

Tekort aan vrijwilligers leidt tot kwaliteitsverlies

Lt-generaal "buiten dienst" A.W.T. Gijsbers:

9 minuten leestijd

Luitenant-generaal b.d. (buiten dienst) A. W. T. Gijsbers moeten we nu schrijven. Onlangs heeft deze bekwame onderofficier afscheid genomen als commandant van het eerste legerkorps (1 LK), waarvan de staf in Apeldoorn is gevestigd.

De generaal is met functioneel leeftijdontslag gegaan, zoals men dit noemt, want hij heeft de leeftijd van 55 jaar bereikt. Hoewel thans de VUT (vervroegde uittreding) opgeld gaat doen, is de pensioengerechtigde leeftijd in ons land nog altijd 65 jaar. Militairen dienen — bijzondere omstandigheden voorbehouden — met 55 jaar „de laan uit te gaan" en bij de Marine is het zelfs gebruikelijk dat men bij de leeftijd van jaar de dienst verlaat.

"Vindt u 55 jaar eigenlijk niet te vroeg om op non-actief'te gaan'", zo vroegen wij dezer dagen aan generaal Gijsbers.

"Voor mij persoonlijk vind ik het veel te vroeg, want ik voel mij nog goed fit", zo antwoordde de generaal, die als sportieve hobby veel aan het lopen van grote afstanden doet. Binnenkort gaat hij met zijn vrouw verder aan „de mars" naar Nice, waarmee hij vorig jaar is begonnen en van de afstand hebben zij er meer dan 350 km op zitten. Zij gaan straks verder waar zij vorig jaar gestopt zijn en zo denken zij enkele jaren over de wandeling naar Nice te doen.

Belemmering

Vroeger was de leeftijd 60 jaar om als militair met pensioen te gaan, maar bij ..ging van het KNIL is de leeftijd 35 jaar aangehouden. „Dit is toen gebeurd", lichtte generaal Gijsbers toe, „omdat wij destijds een vrij groot overschot aan officieren hadden. De piramide leek meer op een paddestoel, waarom toen een geleidelijke afslanking naar de 55-jarige leeftijd is begonnen."

Een hogere leeftijd kan toch wel een belemmering zijn om goed te functioneren in het leger, zo meent Gijsbers. De gemechaniseerde krijgsmacht vergt snelle reactie en. om die te garanderen is jeugdig elan gewenst. Het is vaak een indmduele kwestie. Onder de onderofficieren zijn er een paar die de veranderingen in de krijgsmacht moeilijk kunnen verwerken. Door de modernisering is veel gecompliceerder geworden. Naast vele anderen, die zouden willen doorgaan, zijn er niet weinigen, die liever stoppen, waarbij persoonlijke omstandigheden dikwijls een rol meespelen.

Belangenbehartiging

De optrekking van de pensioengerechtigde leeftijd in de krijgsmacht zal naar het oordeel van Gijsbers een moeilijke zaak zijn, omdat de rechtspositie in het geding is. „Wij zijn sterk in „belangenbehartiging" en voor een individuele benadering is men niet zo „in". Het zal dan ook niet meevallen om wijzigingen aan te brengen in het zeer ongedifferentieerde systeem, dat Nederland kent. In andere landen is de leeftijdsgrens gekoppeld aan de functie, waarvoor veel te pleiten zou zijn."

In tegenstelling tot het socialistische Eerste-kamerlid Nagel meent Gijsbers, dat er zeker niet teveel opperofficieren, zoals generaals in Nederland zijn. 1 LK telt 13 generaals, terwijl er vanwege functies in het bondgenootschap ook nog een aantal Nederlandse generaals in het buitenland verblijft. België bijvoorbeeld heeft veel meer kolonels, maar deze hebben eigenlijk de functie van generaal; men zou kunnen spreken van kolonels 1ste klasse. Ook in vergelijking met andere buitenlandse krijgsmachten is de top bij ons beslist niet te zwaar of te groot.

Tekort

Wat generaal b.d. Gijsbers wel zorgen baart, is het tekort aan vrijwillig dienend personeel, waarover hij ook in zijn afscheidsspeech sprak en dat in sommige rangen tot tien procent is opgelopen. Voor de oorzaak daarvan moeten we terug naar de jaren zestig, de tijd van economische hoogconjunctuur. Toen kwamen er te weinig aanmeldingen voor de (onder)officiersopleiding, aldus Gijsbers. Dit tekort gaat nu doorwerken zodat er bijvoorbeeld te weinig sergeant-majoors zijn, maar ook voor officiersrangen — majoor en kolonel — geldt dit. Om dit tekort op te vangen zijn de toelatingseisen verruimd en thans loopt het met de aanmeldingen zeer bevredigend. Ook weer een gevolg van de slechte economische toestand,

Gijsbers meent, dat dit wel leidt tot kwaliteitsverlies. Er worden mensen in rangen geplaatst, waarvoor ze te weinig ervaring hebben. Dit vergt meer aandacht van commandanten over diverse eenheden, een extra inspanning, maar uit ervaring weet de nu „ambteloos burger" Gijsbers, dat het hele korps officieren en onderofficieren bereid is, dit „extra" in te zetten. Een andere oplossing om tekorten tegen te gaan, is het langer dienden na de 55-jarige leeftijd. Dit gebeurt reeds op individuele basis en hiervan wordt vrij veel gebruik gemaakt.

Duidelijke verschillen

Wanneer wij met generaal b.d. Gijsbers praten over het begin van zijn diensttijd, dan ziet hij zeer duidelijke verschillen met nu. Het uitgangspunt was „infanterie te voet", maar wij beschikken thans over een geheel gemechaniseerd leger. In de loop der jaren is alles gemoderniseerd, hoewel wij op sommige gebieden (elektronilsa) achter lopen.

Niet vergeten mag worden, dat de graad van ontwikkeling in deze tijd veel hoger ligt. Men beschikt over veel meer informatie dan in de beginjaren vijftig en men heeft zelfstandig leren denken en initiatieven ontplooien. Bovendien zijn de veranderingen in het normbesef ingrijpend; men is erg vrij in zijn opvattingen geworden. „Dit is een zaak van opvoeding door de ouders, waarmee wij in het leger te maken krijgen, want het is de taak van officieren en onderofficieren er een gediciplineerd geheel van te maken." Gijsbers zegt onomwonden, dat het leiderschap niet gemakkelijk is en van compagniescommandanten wordt heel wat gevergd.

Nu, na afloop van zijn dienstjaren, waarin hij een van de hoogste posten in het leger heeft bereikt, blijkt de generaal b.d. van mening, dat alle dienstplichtigen, uitzonderingen daargelaten, qua inzet volle bereidheid tonen echt te doen wat van hen wordt verlangd. De Nederlandse militair toont meer eigen initiatief en pakt zelf aan. Gijsbers vertelt daarvan een treffend staaltje.

„Na afloop van een grote oefening in Duitsland, waaraan ook Amerikanen meewerkten, stond ergens een Amerikaanse tank. Urenlang bleef die tank op dezelfde plaats en toen de commandant gevraagd werd, waarom hij niet inrukte, aangezien de oefening allang voorbij was, werd rustig geantwoord, dat hij geen instructies had ontvangen."

Oprecht gemeend

Zo iets gebeurt niet bij onze soldaten. Dezen hadden direct op eigen initiatief gehandeld. Het is beslist niet overdreven te zeggen, dat onze bondgenoten bewondering hebben voor de prestaties van onze militairen, verzekert Gijsbers ons. Zij zien de manschappen niet alleen bij een oefening, maar ook bij talloze wedstrijden, demonstraties en testen, bijvoorbeeld van Sacoeur. De Nederlanders eindigen altijd zeer hoog, ja staan dikwijls op de eerste plaats. De lof, die generaal Haig, destijds NAVObevelhebber, uitsprak over de Nederlandse soldaten in de grote oefening Saxon Drive in 1978 was oprecht gemeend, aldus Gijsbers.

Deze instelling van de Nederlandse militair is ook te danken aan de invulling van de diensttijd. De veertien maanden, waarin de dienst moet worden vervuld, is wel het uiterste minimum, vindt de generaal b.d., die zijn mening daarover nimmer heeft verzwegen. Hij is ook gelukkig met ons systeem van dienstplicht. „Het is een goede zaak, dat jonge mensen de gelegenheid hebben het land te dienen, anders gezegd, zich in dienst van de gemeenschap te stellen, terwijl het voor de legerorganisatie belangrijk is, dat zij gebruik kan maken van de capaciteiten van jongeren."

Nucleaire bewapening
In een gesprek met de man, die zo nauw betrokken is geweest bij de taak en de plaats van onze krijgsmacht in NAVO-verband komen vanzelfsprekend de nucleaire taken van ons land binnen het bondgenootschap ter tafel. Haast in geen land is de discussie daarover zo intens als juist in Nederland, mede door de vraag, of er al of niet kruisraketten op ons grondgebied moeten worden gestationeerd.

Met grote nadruk wijst generaal b.d. Gijsbers erop, dat de positie van Nederland in de NAVO nooit los van het geheel kan worden gezien. „Het gaat om de totale inspanning van het bondgenootschap en daarin is de plaats van 1 LK zeer essentieel. Het neemt een bijzondere positie in en achter onze eigen nucleaire artillerie staat niets meer. Het zou toch", aldus Gijsbers, „een zeer vreemde situatie worden, indien wij een bres zouden slaan in de eigen verdediging, zonder dat dit gat kan worden opgevuld."

De nucleaire bewapening is onmisbaar in het kader van de afschrikking, aldus Gijsbers, hetgeen primair geldt zolang er geen oorlog is. De nucleaire afschrikking dient echter door te gaan wanneer er eventueel een aanval met conventionele wapens zou losbreken. Zou deze vastlopen, dan zouden de Russen wellicht kunnen grijpen naar nucleaire wapens en om ze daarvan te weerhouden is het noodzakelijk, hen af te schrikken met de mogelijkheid een nucleaire terugklap te geven.

Geloofwaardigheid

Wanneer de Bondsrepubliek zou besluiten geen kernwapens in te zetten, zou dit een duidelijke uitnodiging voor „aanvallen" inhouden. De nucleaire afschrikking dient juist een dergelijke aanval te voorkomen. Die afschrikking is alleen geloofwaardig, zo voegt generaal b.d. Gijsbers er bewust aan toe, indien zij gepaard gaat met de bereidheid, kernwapens eventueel te gebruiken. Zou Nederland dit prijs geven, dan kunnen wij wel uit de NAVO stappen, maar dan dienen, wij ons en Gijsbers zegt het met volle nadruk, wel goed te realiseren, dat wij onze vrijheid en onafhankelijkheid op het spel zetten.

Het valt te begrijpen, dat Gijsbers dan ook moeite heeft met mensen als kapitein Stelling, die niet de consequentie trekt uit zijn standpunt, dat het gebruik van kernwapens onverantwoord is en daaraan ook niet wil meewerken. Hij vraagt zich af, waar men de grens moet trekken, wanneer men in het leger dient. De kernwapens vormen een geïntregeerd bestanddeel van het Westerse verdedigingsstelsel en daarmee heeft iedereen te maken.

Praktische bezwaren

Minder moeite heeft Gijsbers met „vrouwen in de krijgsmacht", al ziet hij praktische bezwaren bij de uitvoering van de principiële stellingname, dat alle fimcties voor vrouwen dienen open te staan. De fysieke vermogens van de vrouw zijn nu eenmaal minder dan die van de man en daarom mogen haar niet dezelfde eisen worden gesteld als aan de mannen, hetgeen ook allang gebeurt. Beiden zijn wel gelijkwaardig, maar niet gelijk, meent hij. Er zijn functies die^beter door vrouwen kunnen worden uitgevoerd als het op minutieus werk aan komt. In het legerkorps, bij logostieke eenheden, in de staven 2ijn vrouwen werkzaaïn, wier arbeid zeer wordt gewaardeerd. De gezondheidszorg is toch niet in te denken zonder vrouwen en bij de verbindingsdiensten nemen zij een waardevolle plaats in, maar als het op werkelijke oorlogvoering zou aankomen, dan ziet de b.d.-generaal ze nog niet in de voorste linies. Dat behoeft ook niet, want er is genoeg ander vrouwenwerk voor hen in het verband van de krijgsmacht.

Gaat de „generaal buitendienst" nu stilzitten en uitrusten? Niets ervan, hij gaat daadwerkelijk „meedraaien" in de plaatselijke afdeling van het Nederlandse Hode Kruis en voorts zal hij als militair-deskundige zitting nemen in het ambtenarengerecht te Utrecht. Dus nog werk genoeg, al is hem meer vrije tijd van harte gegund. De status van „ambteloos burger" ligt hem niet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.