+ Meer informatie

Voor de jeugd

7 minuten leestijd

Beste Jongelui!

Ik ga in dit stukje met jullie eens praten over „het worden van dominee”. En dit naar aanleiding van een schrijven, dat ik van één van jullie mocht ontvangen, die daar mee zat. Ik zal de schrijver verder maar niet aanduiden en ook geen persoonlijke dingen noemen, die hij omtrent zichzelf heeft meegedeeld.

Ik wil echter wel zeggen, dat ik het prettig vind wanneer iemand mij een en ander omtrent zichzelf meedeelt. Dat wijst op vertrouwen. En vertrouwelijk met elkander omgaan is weer een bewijs van een goede verstandhouding. N iemand zal ontkennen dat dit een belangrijke zaak is.

Misschien zijn er nog wel meerderen, die met dezelfde vragen zitten, n.l. of zij dominee moeten worden of niet.

Laat ik jullie vertellen, dat ik blij ben, dat er nog jonge mensen zijn die dat widen. Want men schrijft er over in de kranten, dat de belangstelling onder de jonge mensen, voor het ambt van predikant, minder wordt. Dat geloof ik ook. Ik weet echter niet of ik dit nu een achteruitgang moet noemen of een vooruitgang.

Dat er minder belangstelling is voor het ambt van predikant kan men een achteruitgang noemen, wanneer je het verleden van de ideale kant beziet. Ik bedoel, wanneer je van de gedachte uitgaat, dat een ieder, die zich vroeger daarvoor meldde, ook werkelijk een door God geroepen predikant was. Ja, wanneer dit zo was, dan is het inderdaad een achteruitgang, dat er nu minder zijn, die het wondere ambt begeren te bekleden. Want dan zou God er nu minder roepen dan voorheen.

Nu is een zaak van de ideale kant bekijken wel heel aardig, maar we moeten altijd ons maar aan de realiteit houden. Dat is de werkelijkheid. Want daar hebben we tenslotte mee te doen. En dan was het vroeger heus niet zo, dat een ieder, die zei begeerte te hebben om dominee te worden, daartoe van God ook geroepen was. Want de praktijk leerde, dat men heel veel bijoogmerken er op na hield.

Men dacht aan een goede boterham. Men dacht aan een aangenaam leven. Men dacht aan het verheerlijkt worden door mensen. Daar is uiteindelijk iedereen wel vatbaar voor in meer of mindere mate. Men dacht..... Ach ja, waar dacht men al niet aan? Wie zal al de gedachten raden van hen, die meenden, dat de weg naar de preekstoel voor hen al openlag? Wanneer er nu minder van die idealisten zijn, kan ik dat echt geen achteruitgang noemen, maar een vooruitgang. Heel veel kaf op dit terrein heeft zich in de loop van de tijd zelf al uitgezuiverd.

Dat wil echter niet zeggen, dat er nu geen kaf meer onder het koren zit. Integendeel. De tijd is wat dat betreft heel donker, en dan zijn we er toch echt niet op vooruit gegaan. Je zou het misschien vandaag wel zo moeten zeggen: Zit er nog wel koren onder het kaf? Is het allemaal geen kaf wat vandaag de dag de preekstoel opgaat? Kaf is heel licht. Men neemt het erg gemakkelijk, men is er zo.

Nu zijn er altijd valse profeten geweest. Veel meer dan ware. En die zullen er wel blijven ook. De Bijbel leert het ons duidelijk. Hoeveel valse profeten waren er ten tijde van Achab niet? En als we de Profeten lezen, dan komen we het herhaaldelijk tegen, dat er mensen waren, die spraken van vrede, vrede en geen gevaar. Zij deden dat nog in de Naam des Heeren ook. Waarom ook niet? Valse profeten hebben in den regel tot kenmerk dat ze erg brutaal zijn. Ze durven alles. Ze durven zelfs op te treden in de Naam des Heeren, zonder dat de Heere hen gezonden heeft.

Dat dit een hachelijke onderneming is, daar hebben ze geen erg in. Want anders zouden ze wel een ander beroep uit gaan oefenen.

Bij alle schijn dus, die er altijd is geweest en ook wel blijven zal, zijn er toch ook nu nog profeten, dominees, die door de Heere tot het ambt geroepen zijn. Daar staat uiteindelijk de Heere Zelf voor in. Hij laat Zijn eigen werk niet in de steek. Dat mogen de waarlijk geroepenen menigmaal ervaren in hun leven. En dat tot roem van Gods genade. Want dominee te mogen zijn en te mogen blijven, dat is een wonder van Gods genade. Dat zal elke geroepen ambtsdrager onderschrijven. Want niemand van hen zal ooit kunnen zeggen zichzelf het ambt waardig gemaakt te hebben. Het is steeds weer een verwaardiging van Gods wege, te kunnen en te mogen preken.

Maar, hoor ik mijn vriend al zeggen, zo ver ben ik nog niet. Waaraan kan ik nu weten dat ik door de Heere geroepen ben tot dat wondere ambt? Want daar zit ik mee. Daar loop ik al jaren mee rond. Daar ben ik nog steeds niet mee klaar gekomen. Met een begeerte zonder meer, zegt hij, kan ik het niet doen.

Nu, daar ben ik, om te beginnen, blij om. Want een begeerte zonder meer is ook niet voldoende.

Met dat woord „begeerte” is echter menigmaal nogal eens wonderlijk omgesprongen. En ik ben er helemaal niet zeker van dat dat ook nu niet meer gebeurt. Want met het woord „begeerte” is de een aangenomen en met dat zelfde woord werd de ander weer afgewezen. Misschien klinkt jullie dat wat wonderlijk in de oren, maar toch is dat zo.

Als iemand zei een begeerte te hebben en hij liet daarbij diverse diploma ’s zien en nog een goed getuigschrift van zijn kerkeraad bovendien, dan was het woord, dat Paulus aan Timotheiis schreef, spoedig bij de hand: 1 Tim. 3 : 1: Dit is een getrouw woord: zo iemand tot eens opzieners ambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk. Met heel veel goede wensen zag zo iemand zich dan de toegang tot de kansel ontsloten.

Terwijl later bleek, dat de arme man beter nooit zo „hoog” had kunnen grijpen. Het werd een mislukking ondanks de begeerte en ondanks alle beste wensen.

Daartegenover staat, als iemand zei tot het opzieners ambt lust te hebben, en hij had op een bepaalde manier de wind niet in de zeilen, hoewel er oogziens overigens niets op aan te merken viel, dat men tot hem zei: 1 Kon. 8 : 18, 19: Dewijl dat in uw hart geweest is Mijn Naam een huis te bouwen, gij hebt wel gedaan, dat het in uw hart geweest is; evenwel, gij zult dat huis niet bouwen.....

De jongeman begreep daaruit dan wel zoveel, dat het voor hem niet weggelegd was om met de profetenmantel getooid door het leven te gaan. Hij vertrok dan ook om zich meestal nooit meer te laten zien. Ook een bewijs, dat hij niet door God geroepen was.

Ten deze ben ik het niet met diegenen eens, die zeggen, dat er rond lopen, die nooit dominee hadden moeten worden, maar ook dat er rond lopen, die het wel hadden moeten worden, maar door omstandigheden niet zijn geworden.

Het eerste geloof ik wel. Het tweede niet, omdat bij mij de vaste overtuiging leeft, dat een ieder, die God roept, er ook zeker komen zal, al gaat het door een weg van onmogelijkheid. Ja, ik geloof dat het bij de waarlijk geroepenen altijd langs de weg van het onmogelijke gaat. Want in die weg komt God Zijn wonderen te verheerlijken, ook in betrekking tot de roeping tot het ambt. Gelukkig die predikant of aanstaande predikant, die ten deze van de „wonderen Gods” in zijn leven mag gewagen. De „wonderen Gods” zijn andere zaken dan allerlei „wonderlijke dingen”. Want die kunnen ook worden opgedist, zonder dat er iets van God bij is.

Als de „wonderen Gods” mogen worden verhaald, dan komt daarbij niet de mens op de troon, maar dan wordt God op het allerhoogst verheerlijkt en de zondaar op het diepst vernederd.

Dat is uiteindelijk het werk van alle waarlijk geroepen predikanten: God op het hoogst verheerlijken en de zondaar op het diepst vernederen. Daarin is zaligheid gelegen voor een ziel, die dat beoefenen mag.

Hebben jullie däär zin in, jongelui? Dat kan ik je eerlijk aanbevelen.

Een volgende keer nog iets meer hierover.

Jullie aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.