+ Meer informatie

Kerkregering

6 minuten leestijd

Elementen bij het Avondmaal 2.

De lezer herinnert zich wellicht de vragen die mij gezonden werden naar aanleiding van een artikel van drs. B. Oosterom, werkzaam voor de Gereformeerde Zendingsbond in de Ned. Herv. Kerk op Celebes. De vragen hadden betrekking op de elementen of zoals men ook wel zegt ingrediënten bij het Avondmaal en kwamen hierop neer of in bepaalde omstandigheden ook andere elementen dan brood en wijn mogen worden gebruikt.

Het is niet voor het eerst dat dergelijke vragen opkomen. Vragen betreffende de elementen bij het Avondmaal zijn er in alle eeuwen geweest en waren soms mede-oorzaak van scheuringen. Ze waren er ook in de tijd van de Reformatie der 16e eeuw. Verder kwamen ze op naar aanleiding van allerlei situaties op zendingsterreinen, en soms ook in tijden van oorlog. Incidenteel deden zich nog wel eens omstandigheden voor die de kerken noodzaakten zich over een en ander uit te spreken, bijv. indien er kerkleden waren die beslist geen wijn konden verdragen. Wij kunnen thans slechts enkele hoofdzaken naar voren brengen.

Al betrekkelijk spoedig kwamen er verschillen voor tussen de Christelijke kerk in het Oosten en die in het Westen. In het Oosten gebruikte men bij het Avondmaal gewoon, d.w.z. gezuurd brood, maar in het Westen was het gewoonte geworden om ongezuurd brood te gebruiken. Men mag op sterke gronden aannemen dat de Here Jezus Christus hij de instelling van het Avondmaal ongezuurd brood heeft gebruikt, omdat volgens de Wet des Heren het brood bij het Pascha ongezuurd moest zijn. Het Oosten heeft zijn gewoonte behouden. Het Westen bleef ook bij zijn gewoonte, hoewel volgens de opvattingen van de Rooms-katholieke kerk de geldigheid van het sacrament hiermede niet staat of valt. Maar wel is er een dwingend voorschrift dat het tarwebrood moet zijn, zij het dan ook dat allerlei soorten tarwe geoorloofd zijn. Men neemt, waarschijnlijk op goede gronden, aan dat Christus bij de instelling van het Avondmaal inderdaad tarwebrood gebruikte. Rome heeft hiervan een gebod gemaakt. En zo heeft Rome er ook een bepaling van gemaakt dat de wijn met water moet worden vermengd. Dit was reeds eeuwenlang een gewoonte maar het Concilie van Trente, 1545–1563, maakte er een wet van, en zo is het tot op heden gebleven. Aan deze vermenging van de wijn met water hecht de Roomse kerk grote waarde: zij ziet er een herinnering in aan het feit dat uit de zijde van Christus, toen Hij met een lans werd doorboord, bloed en water vloeiden; zij ziet er een symbool in van de vereniging van de gelovigen met hun Hoofd Jezus Christus, enz. De Reformatie van de 16e eeuw brak evenwel met al deze menselijke opvattingen, fantasieën en wetten. Zij was van oordeel dat Christus de gewone voedingsmiddelen van Kanaän heeft genomen en ze tot tekenen en zegelen heeft gemaakt. Van enig voorschrift van Christus betreffende het brood en wijn weet de Schrift niets, zodat het in de vrijheid der kerk is gelaten of men gezuurd of ongezuurd brood, rode of witte wijn, enz. wil gebruiken, zoals Calvijn nadrukkelijk schrijft, Inst. IV, 17, 43. Calvijn drukte hiermede het algemeen gevoelen der Reformatie uit.

Maar hoe moet de kerk handelen als er in een bepaald gebied of in een bepaalde tijd geen brood en wijn zijn te verkrijgen ? Deze vraag kwam aan de orde toen Franse protestanten in Brazilië een kolonie vestigden. Daar kon men geen brood en wijn bekomen. Moest dan het Avondmaal maar niet worden gehouden zulks tegen het uitdrukkelijk bevel van Christus in ? Zij vroegen Calvijn om raad. Hij heeft toen geantwoord dat wanneer bij een bepaald volk geen brood en wijn in gebruik zijn, men deze voedingsmiddelen niet kent, of wanneer ze voor een bepaalde tijd niet te krijgen zijn, het Avondmaal toch wettig bediend kan worden indien men in de plaats van brood en wijn datgene geeft wat de plaats van brood en wijn bij zulk een volk inneemt, hetzij als algemeen gebruik hetzij omdat bepaalde situaties daartoe noodzaken. Wij kunnen wel zeggen dat Calvijn ook hier het algemeen gevoelen der Reformatie weergeeft. Wij vinden dezelfde gedachte ook bij Voetius, 1589–1676, de grote theoloog van de Nadere Reformatie en de grootmeester van het gereformeerde kerkrecht. Hij vermeldt ook het bovengenoemd oordeel van Calvijn, waarmede Beza volkomen instemde. Als er beslist geen brood en wijn zijn te bekomen dan moeten analoge middelen worden gebruikt, Pol. Eccl. I, 732–739. Natuurlijk mag dit nooit lichtvaardig gebeuren.

Om nu op mijn vrager terug te komen: het komt mij voor dat drs. Oosterom met deze reformatorische opvattingen volkomen op de hoogte is en er mee instemt en daarom terecht kon schrijven: „Het zou dwaasheid zijn om in landen waar dit voedsel (nl. brood en wijn, H.) bekend is en dagelijks gebruikt wordt, andere tekenen te nemen. Maar wat zou er op tegen zijn als een bepaald volk, dat nog nooit van brood gehoord heeft, het dus ook niet weet te bereiden een ander voedsel kiest, dat dagelijks gegeten wordt in het gewone leven ? Waarom zou een christelijke gemeente ergens diep in het binnenland niet een rode vruchtensap mogen drinken aan de tafel des Heren, als daar wijn totaal onbekend is ?” In de eerste zin zou ik mij nog wat sterker uitgedrukt hebben. Het is m.i. niet slechts een dwaasheid iets anders te gebruiken als brood en wijn te bekomen zijn, het is, dacht ik, beslist ongeoorloofd. Wij gaan over deze dingen nu verder geen beschouwingen geven, maar wijzen nog op het feit dat tijdens de Duitse bezetting de vraag betreffende de elementen bij het Avondmaal weer naar voren kwam. Ten aanzien van het Avondmaalsbrood mochten de distributiekantoren bonnen voor brood afgeven, zij het dan langs een voorgeschreven weg. Langzamerhand werd wel de toegestane hoeveelheid verminderd. Of er aan de toezegging van bonnen voor Avondmaalsbrood tijdens de bezetting een einde is gekomen, kan ik niet zeggen. En of er in de kerken in het Westen gedurende de laatste hongerwinter nog Avondmaal gevierd kon worden, weet ik ook niet. Misschien wil iemand hierover nog mededelingen doen. Wat de Avondmaalswijn betreft, zijn er natuurlijk ook moeilijkheden geweest, zij het niet overal. In het uiterste geval zou men bessenwijn hebben kunnen gebruiken, maar of dit inderdaad geschied is, kan ik ook niet zeggen.

Tenslotte, om ons verhaal niet al te lang te maken, nog even een herinnering aan een uitspraak van de Overijselse synode van 1620 in Kampen gehouden. De classis Deventer kwam daar met de vraag hoe het moest met personen die beslist geen wijn konden verdragen. De synode sprak uit dat men in zulk een geval gerust uitgeperst druivensap mocht gebruiken, en verder zou men de zaak aan de eerstkomende nationale synode voorleggen. Maar wij weten, dat door de tegenwerking van de overheid, zulk een nationale synode niet meer gehouden kon worden noch in de 17e noch in de 18e eeuw. Maar genoeg. Wij moeten nu eindigen. Er zijn natuurlijk nog allerlei kwesties met de reeds besprokene verbonden, maar we laten die nu maar rusten, hoewel ze op zichzelf interessant en soms ook van praktisch belang zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.