+ Meer informatie

DE TUCHT OVER DOOPLEDEN

12 minuten leestijd

I. Historisch overzicht.

1. Bucer

Voor de kerk van de Reformatie bestond er geen twijfel over de vraag of de kinde-ren tot de gemeente behoorden. Wèl heeft zij de toegang tot het avondmaal in verre-weg de meeste gevallen gebonden aan het afleggen van een openbare belijdenis van het geloof. Martin Bucer was een van de eersten die daarvoor regelingen heeft getroffen. In de kerkorde die hij ontwierp voor Hessen (1538) vindt men daarvan de neerslag. Een gedachte die hem daarbij vooral heeft geleid, was de opvatting dat de gemeente een gemeenschap vormt, waarbinnen de tucht wordt gehanteerd. Het is opvallend welk een ruimte hij in zijn kinderleerboeken inruimde voor deze gedachte. In de korte catechismus voor de schoolkinderen in Straatsburg (1537) wordt uit-voerig uiteengezet wat de betekenis is van de kerkelijke tucht. De vergeving der zon-den ontvangen wij in de gemeente door de sleutelmacht die daar bediend wordt. Dat betekent ook dat de kinderen moeten weten, dat de zonden ons daar worden aangezegd. De sleutelmacht bestaat uit twee elementen: wij mogen de troost ontvangen van de vergeving der zonden. Dit is een grote troost voomamelijk voor de aangevochten gewetens. Het andere is, dat wij ook moeten leren dat we ons onder deze tucht en gehoorzaamheid aan de kerk moeten begeven en dat we ons er trouw aan houden, voomamelijk hierdoor, dat we onze naaste, wanneer hij zondigt, vrien-delijk waarschuwen en vermanen, terwijl wij zelf ook gaarne vermaning en straf van een ieder zullen ontvangen.

Dat het Bucer ernst was met deze catechese over de kerkelijke tucht blijkt ten over-vloede nog eens, wanneer hij voor de erg jonge kinderen en eenvoudigen dezelfde vragen nog eens korter formuleert en beantwoordt. Na de behandeling van de leer van de doop en van het avondmaal wordt er gevraagd: welke handelingen zijn er nog meer in de kerk? Kind: het ambt van de sleutelen. Vraag: wat is dat? Kind: waar-schuwing en straf voor de zonden, binden en bannen wie zich niet willen bekeren; losmaken en in de genade opnemen hen die zich willen bekeren. Vraag: wat voor nut heeft dit? Kind: dat ik mij gaarne laat waarschuwen en straffen, mijn naaste ook gaarne wil waarschuwen, dat ik de kerkelijke tucht en troost hoog zal schatten en ijverig zal gebruiken.

Het zou de moeite waard zijn om op dit punt al de leerboeken die Bucer schreef voor zijn catechisanten eens na te gaan. Er zou uit blijken,dat hij de kinderen niet te jong achtte om hen op de hoogte te stellen van wat een gemeente is: een werkelij-ke gemeenschap, waarbinnen men op elkaar toeziet. Deze gedachte heeft vanaf het begin de Straatsburgse reformater voor ogen gestaan. Maar hij werd vooral in de ja-ren dertig in deze gedachte versterkt, toen hij door het conflict met de dopersen steeds meer overtuigd werd van de noodzakelijkheid van de kerkelijke tucht. Wanneer de kerken op deze manier een levend lichaam vormden, waar de heiligheid werd nagestreefd, zou men op een natuurlijke manier het drijven van de dopersen kunnen overwinnen en op zijn minst hun de wind uit de Zeilen kunnen nemen. Zo bestond er van meet af aan binnen de gereformeerde traditie een overtuiging dat ook de kinderen als leden van de gemeente onder de kerkelijke tucht vielen. En het is déze gedachte die vooral bij de openbare belijdenis werd onderstreept. Dan begaf men zich onder de gehoorzaamheid van Christus op een bewuste manier.

2. Calvijn

Het verbaast ons in geen enkel opzicht, dat we deze gedachten bij Calvijn terugvin-den. Er is immers een duidelijk waarneembare invloed van Bucer op Calvijn uitge-gaan. Voornamelijk tijdens zijn verblijf in Straatsburg heeft dit plaats gehad. Het zou te ver voeren om dit hier breed aan te tonen. Maar één ding is wel duidelijk, dat Calvijns opvatting van de kerk grotendeels in de praktijk gevormd is door de idealen, die hij van Bucer heeft overgenomen. Op het punt van de toelating tot het avondmaal is dit evident.

Door de doop is men gekomen in de gemeenschap met de kerk, zo leert ook Calvijn in zijn onderricht voor de kinderen. Soms wekt Calvijn de indruk dat hij over de heel jonge kinderen spreekt als was er geen leer van de erfzonde. Maar dit is alleen een manier van spreken, die tot uitdrukking wil brengen, dat er een leeftijd „der onschuld” is, een leeftijd waarop een kind nog niet kan worden aangesproken. Hij noemt dan de kinderen „teer”, of „onschuldig”, of „van zichzelf onschuldig”. Het zijn voor hem de kleine kinderen, die hij in een preek ten voorbeeld kan stellen: „daar waar men slechts onschuld ziet”. Maar al deze uitdrukkingen dienen om aan te geven, dat zij (misschien ook kerkelijk gezien) nog niet aanspreekbaar zijn. Toch behoren zij tot het lichaam van de gemeente, zijn het huisgenoten. De doop is een soort binnentreden in de kerk, een soort van inwijding in het geloof. In zijn „Artikeln betreffende de organisatie van de kerk....” (1537) spreekt hij vooraf over de wenselijkheid van het kerkelijke onderwijs aan de kinderen, die zonder twijfel aan de kerk een belijdenis van hun geloof zijn verschuldigd. De catechese moet hen zo ver brengen. In de bijbel behoren geloof en belijdenis bij elkaar. Welnu, de kinderen dienen vooral onderwezen te worden om getuigenis aan de kerk af te leggen van hun geloof, waartoe zij bij hun doop niet in staat waren. De ouders hebben deze taak van onderricht geven.

Vier jaren later spreekt Calvijn over de toelating tot het avondmaal, waarvoor hij de belijdenis van het geloof noodzakelijk acht. In de „Kerkelijke ordeningen” (1541) wordt geregeld, dat op de zondag voorafgaande aan het avondmaal de afkondiging plaats vindt, „opdat niet een kind zal komen, voordat hij belijdenis van zijn geloof heeft gedaan”.

Deze binding van de openbare belijdenis aan het avondmaal is typerend geworden voor het gereformeerde protestantisme, dat in het door Calvijn gewezen spoor ging. Vanaf hun tiende jaar dienden de kinderen de catechisatie te bezoeken, terwijl op ongeveer vijftienjarige leeftijd de openbare belijdenis plaats vond. Calvijn wilde daarbij vooral gelet hebben op de kennis van het geloof. Maar zoals men weet, is deze kennis bij Calvijn nimmer los te denken van het vertrouwen van het geloof, zodat men niet mag beweren, dat Calvijn volstond met het verstandelijk beamen van waarheden uit de Schrift. Dit laat zich niet rijmen met de vraag: Mijn kind, ben je in waarheid christen gelijk je het in naam bent? Of met die andere vraag: In Wie geloof je, en op Wie stel je het hele vertrouwen van je hart?

Uit de geschiedenis van de reformatie in Genève is ons bekend, dat bij het opzicht en tucht over de gemeente ook de kinderen werden betrokken.

Een eigenaardig probleem doet zich voor, wanneer we letten op de leeftijd waarop de kinderen belijdenis deden. Deze leeftijd lag bij alle reformatoren aanmerkelijk lager dan wij thans gewend zijn. Maar we mogen daarbij niet vergeten, dat in de eeuw van de Reformatie in vele opzichten jongere mensen grotere verantwoordelijkheden hadden te dragen dan in latere tijden. Zonder twijfel waren kinderen eerder volwas-sen, zoals het ook zonder twijfel lijkt, dat de leeftijd der volwassenheid ondanks het Verlagen van vele drempels voor onze kinderen later intreedt. Een andere factor die eveneens van betekenis is, doch hier niet nader besproken kan worden is die van de invloed van het latere piëtisme op de opvattingen omtrent het doen van belijdenis.

Wel is duidelijk, dat ook bij Calvijn er een onmiddellijke relatie is tussen de doople-den en de kerkelijke tucht, zij het ook dat de formele relatie eerst gelegd werd bij de openbare belijdenis. In die zin heeft dr. J. Plomp gelijk (De kerkelijke tucht bij Calvijn 1969, 68) „Pas na deze belijdenis, die afgelegd wordt op ongeveer vijftienja-rige leeftijd, kunnen de kinderen ook in aanmerking komen voor de kerkelijke tucht!

3. Joh.a Lasco; Marten Micron

Het is van betekenis om iets te weten over de gang van zaken in de vluchtelingenge-meente in Londen. A Lasco heeft voor deze gemeente een kerkorde ontworpen, waarvoor Bucer hem een model had verschaft en waarvoor ook de kerk van Genève voorbeeld was geweest. Micron heeft in zijn „Christelijke ordinantiën”de gang van zaken in deze Nederlandse vluchtelingengemeente beschreven. Toen in de Gerefor-meerde Kerken de zaak van de tucht over doopleden aan de orde werd gesteld terstond na de Vereniging van 1892 heeft het beroep op deze Londense toestanden een roi gespeeld. Maar men was het niet eens over de interpretatie van de gegevens. H. Bavinck en F.L. Rutgers schreven een rapport voor de synode van Middelburg (1896), dat later juist op dit punt werd aangevallen.

Er is sprake van tucht over doopleden: jongeren die in de gemeente gedoopt zijn. Wanneer zij de leeftijd van veertien jaren hebben bereikt of daaromtrent, zonder voldoende in de religie onderwezen te zijn of terwijl zij een onbandig leven leiden, dan zullen de dienaren hen (nadat ze de geheime vermaningen van de broeders verachten) vermanen en bestraffen uit het Woord van God. De dienaren zullen ook een onderzoek instellen naar de oorzaak van hun onkunde of bandeloosheid teneinde hen tot een vroom leven te brengen.

Blijkt het, dat de schuld van een en ander bij de ouders moet worden gezocht, dan worden dézen eerst vermaand. Verachten de ouders deze bijzondere vermaningen, dan zullen zij vanwege hun grote en onuitsprekelijke zonde bestraft worden naar de orde en eis van de christelijke straf. Blijkt het echter, dat de kinderen alleen schuld dragen en niet de ouders, dan zal men de ouders vertroosten en met hen beraadsla-gen op welke manier men de tuchteloosheid der kinderen het beste zou kunnen be-teugelen. Intussen zullen deze kinderen door de dienaren van het Woord bestraffend vermaand worden (nochtans met wijsheid) door het voorhouden der goddelijke be-dreigingen. Treedt er ook zo geen betering in, dan zullen zij tot het gebruik van het avondmaal niet worden toegelaten, totdat zij zich bekeren. Doet het zich voor dat iemand van deze kinderen door het afhouden van het avondmaal en door de bestraffingen niet wordt geroerd en het gaat in alle boosheid verder in het verachten van zijn ouders (welke zonde naar Gods ordinantie met de dood gestraft behoort te worden), dan zal het, wanneer het op zijn achttiende of twintigste jaar is gekomen met algemene droefheid van de gemeente worden afgesneden als een verachter van de genade en van het verbond van God. Er moet dan sprake zijn van een voortgaan in het verachten van de goddelijke kerkelijke vermaningen. Het kind volgtde wereld. Uit de excommunicatie van zulke kinderen kan men leren, dat het voor het christen-zijn niet genoeg is om het zegel van het verbond, de doop in onze jeugd te hebben ontvangen en ons op deze wijze tot oneer van Christus met zijn naam versieren, ten-zij ons leven daarmee overeenkomt.

Zulke kinderen, die leven in schuldige onwetendheid of in bandeloosheid, kunnen niet tot de gemeente worden toegelaten. Wanneer zij eenmaal toegelaten zouden zijn, dienden zij geweerd te worden.

In de weergave van A Lasco treft ons nog de verwijzing naar de diakenen, die in het bijzonder de ouders, die zelf niet over de middelen beschikken om hun kinderen te laten onderrichten, te hulp moeten komen. Ook is opvallend, dat men de ouders van zulke kinderen niet vergeet. Zij moeten vertroost worden.

Bijzonder sterk is bij A Lasco dat het onverdragelijk is, dat jonge mensen Christus zèlf verachten, wanneer zij onder elkaar het openbare ambt in de kerk belachelijk maken en onteren.

Uit het bovenstaande wordt duidelijk, dat de jonge gereformeerde kerk die voor het merendeel bestond uit vluchtelingen, ternauwernood ontkomen aan het zwaard van Alva, de tucht begeerde te handhaven. De verschrikkingen van de tijd en de losbandigheid onder de jongeren komen niet alleen in deze kerkelijke bepalingen naar vo-ren, zij blijken ook uit de notulen van de kerkeraadsvergaderingen die bewaard zijn gebleven. Wij kunnen ons nauwelijks een voorstelling vormen van wat er in zulk een gemeente omging. Maar de kerkeraad trachtte ook de jongeren erbij te betrekken.

Uit wat we hebben vermeid uit A Lasco en Micronblijkt echter eveneens duidelijk, dat de voorbeelden van deze gemeente niet bij uitstek geschikt waren om het pro-bleem te belichten, waarvoor de Gereformeerde Kerken zich gesteld zagen: het pro-bleem van de volwassen doopleden, dat vooral in het Noorden ná de Reformatie langzamerhand was gegroeid. lets daarvan vinden we terug in de Acta van een enke-le synode en vooral bij Voetius.

De synode van Dordrecht (1578)

Toen in 1572 de vrijheid daagde voor de kerken onder het kruis moest ook het kerke-lijke leven worden geordend. In Wezel was daartoe voorbereidend werk gedaan. In Emden (1571) kwam er een kerkelijke orde. Maar het bleek alles wel heel ideaal ge-steld. Hoe moest het in concrete gevallen? In een „particuliere vraag” werd daar in 1578 naar geinformeerd.

De vraag werd als volgt gesteld: Of de kinderen die in de gereformeerde gemeente ge-doopt zijn, wanneer zij tot hun jaren zijn gekomen aan de kerkelijke straf onderwor-pen zullen zijn, en wanneer zij vermaand zijnde hardnekkig blijven, dan afgesneden zullen worden, hoewel zij hun geloof nog niet beleden hebben en zij zich nog niet tot het avondmaal des Heren hebben begeven?

Antwoord: Omdat de doop een algemeen getuigenis is van het verbond van God, het-geen de kinderen toebehoort, zolang zij door openbare afval hetzelve niet verwerpen, zo zullen de openbare en algemene vermaningen, zoals de profeten die voor het volk van Israël hebben gebruikt in de openbare en vrije gemeenten genoeg zijn. Maar omdat de belijdenis van het geloof en de gemeenschap van het Heilig Avondmaal een bijzon-der getuigenis is in de kerk van God, waardoor degenen, die tegen het verbond van God gezondigd hebben, weder opgenomen worden (zoals eertijds de afvallige Israëlieten niet door een nieuwe besnijdenis maar door de gemeenschap met het paaslam tot de ware kerk van Israël werden terug gebracht), zo zal men geen afsnijding gebruiken dan tegen degenen aan wie door het avondmaal des Heren het verbond Gods opnieuw is verzegeld.

Er zijn bij deze regeling vragen te stellen over de betekenis van de doop en het avondmaal. Maar voor ons doel is wel duidelijk 1. dat men meende een dooplid niet te kunnen afsnijden, en 2. dat men de publieke vermaning, d.i. de prediking zelf als tuchtmid-del genoeg achtte. Doopleden vallen zo buiten de tucht, d.w.z. wanneer het op excom-municatie aankomt. Toch mogen we niet te snel concluderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.