+ Meer informatie

Ter overweging

14 minuten leestijd

De redactie heeft de laatste maanden nog al wat publikaties ter bespreking ontvangen. Om te voorkomen dat de recensies erg lang op zich laten wachten, en in verband met de beperkte plaatsruimte, volstaan we voor onderstaande boeken met een korte aankondiging.

Helmut Thielicke, De verborgen vraag naar God. De achtergrond van ons geestelijk leven, 192 blz., f 19,90, J. V. Voorhoeve, Den Haag, 1974.

Een boek met verzamelde opstellen van de bekende Duitse hoogleraar. De vraag naar de religie, naar de kerk, naar de mens en naar God komt in de vier delen van het boek aan de orde. Met name waar de schrijver ingaat op het moderne mensbeeld en de moderne vragen omtrent God, lijkt het boek ons een waardevolle hulp voor hen die leiding moeten geven in deze tijd. Het ene opstel is moeilijker geschreven dan het andere.

Dr. R. W. M. Croughs, Leven in de tussentijd. Gods heilsplan en onze imitaties, 190 blz., f 17,50, T. Wever, Franeker, ’76. De schrijver is kinderarts, van roomskatholieke huize, nu Nederlands Hervormd. Hij beschrijft uitvoerig het nationaal-socialisme en het marxisme als nabootsingen van Gods heilsplan. Hij doorlicht deze ideologieën op een heldere wijze en reikt bijbelse gegevens aan om de tekenen der tijden te onderkennen. Hij beschrijft indringend hoe de Bijbel zelf over afval, vooral in religieus gewaad, spreekt. In het middelpunt van schrijvers betoog staat Gods heilsplan met Israël. Het boek geeft vanuit psychologisch gezichtspunt karakteriseringen die men elders vergeefs zoekt. Het hart van het Evangelie is in het geding: verlossing door het bloed van Christus óf religieuze en politieke zelfverlossing; de bijbelse gedachte van de heiliging óf het streven naar wereldverbetering zonder de genade van God. Ook al zou men met de schrijver op bepaalde punten verschillen, dan nog is het een boek dat ons deze tijd doet verstaan. Daarom van betekenis!

Het Hervormde Diakonaat en de maatschappelijke dienstverlening. Schets van een ontwikkeling van drie decennia. Uitgave van de Generale Diakonale Raad der Nederlandse Hervormde Kerk, 28 blz., prijs f 3,—, bestellen bij genoemde Raad, Postbus 14100, Utrecht.

Mevr. mr. A. A. van Dellen heeft de geschiedenis van het Hervormde diakonaat en maatschappelijke dienstverlening overzichtelijk beschreven. Theologische achtergronden en knelpunten komen weinig naar voren. Het boekje is verlucht met een aantal foto’s.

Intercommunie en Ambt. Bijbelse achtergronden en kerkelijke perspectieven.

Uitgave van de commissie Intercommunie en Ambt van de Raad van Kerken in Nederland, 124 blz., Boekencentrum, ’s-Gravenhage, 1976.

De commissie kon niet tot een eensluidend standpunt komen, al heeft zij wel in concept bepaalde verklaringen opgesteld over het avondmaal-ambt. Die worden als aanhangsel in dit boek gepubliceerd. Daarvóór treft men de studies aan van twee rooms-katholieke en twee protestantse theologen die als inleiding tot de besprekingen in de commissie van de Raad van Kerken gediend hebben. Men ziet hoezeer de gedachten elkaar naderen, al kan men niet zeggen, dat de verschillen glad gestreken worden. Dit rapport ademt de geest van „samen op weg”.

Dr. K. Runia, Vragen van onze tijd. 159 blz., f 14,90, Kok, Kampen.

Prof. Runia heeft verschillende, eerder verschenen artikelen bewerkt en hier gebundeld. Het boek is verdeeld in een deel theologie en een deel kerk. In het eerste deel komen onderwerpen betreffende de belijdenis van Jezus Christus, de maagdelijke geboorte en de opstanding aan de orde. Ook wordt ingegaan op het boek van Kuitert „Zonder geloof vaart niemand wel”, in verband waarmee de schrijver over vrijzinnigheid spreekt. In het tweede deel gaat het over problemen binnen de Gereformeerde kerken, de betekenis van de sociologie, de gaven van de Geest en de relatie tot het fonds ter bestrijding van het racisme van de Wereldraad van Kerken. Het is een helder geschreven boek, waarin Runia duidelijk positie kiest. Hij neemt het op voor de orthodoxie. Herhaaldelijk heb ik me afgevraagd of hij op bepaalde punten niet te gemakkelijk zijn tegenstander gelijk geeft. Als voorbeeld wijs ik op de grote waardering voor de gedachte van de mondigheid, die een stuk bevrijding meebrengt (blz. 92). Kan men dat zomaar stellen? Is er niet tweeërlei mondigheid. Moet tussen die beide niet scherp onderscheiden worden? Dat geldt bijvoorbeeld ook de waarderende woorden aan het adres van Berkhof, op wie hij toch scherpe kritiek levert.

Al met al een boek dat helpen kan bij het nadenken over de vragen van deze tijd. Het zou interessant geweest zijn te horen waar precies de verschillende hoofdstukken eerder gepubliceerd werden.

Prof. dr. P. J.Roscam Abbing, 60 preekvoorbeelden, 146 blz., f 17,50, Kok, Kampen.

De Groninger hoogleraar bestrijkt met zijn publikaties een breed gebied. Nu ontvangen we, zoals de titel zegt, 60 preekvoorbeelden. Er staan bijzonder mooie schetsen in deze bundel. Twee karakteristieken zou ik willen geven. De auteur diept een bijbels gegeven als een algemeen menselijk gegeven uit en laat er dan weer het licht van de tekst op vallen.

Vervolgens: In Christus komt wel openbaar hoe ernstig onze zonde is, maar dat Christus het offer bracht om door voldoening verzoening tot stand te brengen, is een gedachte die we nergens aantreffen. Zie bijvoorbeeld de schets over Hebreeën 5 : 8 (blz. 57v.).

Tenslotte: deze schetsen zijn wel erg vol, wanneer men ze als preekvoorbeeld zou willen gebruiken. De situatie én de Schrift zijn de twee brandpunten in deze preekvoorbeelden. Daarin herkent men de theologische positie van de auteur. Ik moet zeggen, dat ik met de term preekvoorbeelden niet erg gelukkig ben. We moeten elkaar eerder materiaal aanreiken dan voorbeelden geven.

Drs. T. A. Bos, Tussen isolement en assimilatie. Gereformeerde organisatievorming in sociologisch perspectief, 78 blz., f 15,-. De Vuurbaak, Groningen, ’75. De publikatie van deze doctoraal-scriptie heeft reeds verscheidene kolommen in kerkelijke weekbladen gevuld. De auteur heeft bij christelijke gereformeerde en bij (vrijgemaakt) gereformeerde studenten in Groningen nagegaan hoe ze praktisch kerkelijk meeleven, hoe ze denken over religieuze, ethische en kerkelijke problemen. Resultaat is de stelling dat zij die een school van algemeen christelijk onderwijs bezochten, veel opener staan voor de wereld om hen heen en de invloeden daarvan meer waarderen, dan zij die (vrijgemaakt) gereformeerde scholen bezochten. De schrijver pleit ervoor om de vrijgemaakte scholen meer dan tot heden geschiedde, open te stellen voor christelijke gereformeerden. Naar aanleiding van gesprekken met studenten uit Groningen heb ik over de methode wel een aantal vragen. Was de gereformeerde studentenkring niet bij voorbaat geselecteerd? Zijn alle gegevens van christelijke gereformeerde zijde even serieus verwerkt? Suggereert de vraagstelling soms al niet een antwoord in een bepaalde richting? Is de ondertitel Gereformeerde organisatievorming niet veel te breed voor dit beperkte onderzoek?

Niettemin staan hier dingen in, die christelijke gereformeerde ambtsdragers tot nadenken moeten stemmen. Ook al zouden er fouten gemaakt zijn en al zou het beeld enigermate vertekend zijn, de gegevens die we hier tegenkomen, liegen er niet om. Dat moet nopen tot bezinning. In dezelfde richting wijst dr. Brienen in zijn „Ten Geleide”.

De titel duidt op een probleem waar onze kerken niet aan kunnen voorbijgaan. Ik heb soms de indruk dat velen geen van beide willen: noch assimilatie noch isolement. Maar wat ligt daar tussen? De bijbelse gedachte van de vreemdelingschap staat in elk geval uitermate kritisch tegenover assimilatie.

Dr. H. Jagersma, „…Ten derden Dage….”. 32 blz. Prijs paperback f 7,50. Met deze rede aanvaardde dr. Jagersma het ambt van hoogleraar aan de prot. theologische faculteit in Brussel. Hij zal daar de oudtestamentische vakken doceren. Hij gaat na wat in het Oude Testament de betekenis is van „drie dagen”. Resultaat van zijn nauwkeurig onderzoek is dat de derde dag steeds weer een dag is waarop belangrijke dingen gebeuren, waarop God Zich in het bijzonder openbaart. Dat zal meegeklonken hebben bij de belijdenis ’opgewekt ten derden dage’. Een boeiende rede.

Ir. J. van der Graaf. In de Mozes en Aäronstraat. 141 blz. Prijs paperback f 11,90, Echo, Amersfoort, 1976.

De schrijver is eindredacteur van het orgaan van de Gereformeerde Bond, De Waarheidsvriend. Daarin schrijft hij elke week een fors artikel, dat getuigt van een wel versneden pen. Daarnaast houdt hij vaak lezingen en schrijft hij nog in andere periodieken dan het reeds genoemde.

Vrucht van al dit werk heeft hij hier voor een deel gebundeld. In dit boek gaat het eigenlijk vooral om de verhouding Kerk en Staat, of wel om de invloed van het Evangelie op het volksleven en om de roeping van christenen daarbij.

De elf artikelen (plus een aanhangsel) getuigen van een duidelijke plaatsbepaling en geven ook inzicht in de achtergrond van Van der Graafs stellingname. Hij staat met zijn boek midden in de problemen van onze tijd: Communisme en Marxisme, Fascisme en Theocratie, Gezag en Vrijheid, Tweeërlei regiment, zowel bij Calvijn als bij Luther, Hoedemaker en diens denken over Kerk en Staat, Participatie in het sociale werk, vormen de onderwerpen. Ik ben er door geboeid en vind het een inzichtgevend en richtinggevend boek. Met name heeft Van der Graaf overtuigend laten zien, dat de democratie niet kan zonder de belijdenis van het gezag van het Woord van God. Zonder deze visie wordt de democratie tot een instrument voor menselijke willekeur en machtswellust, zoals we dat om ons heen kunnen meemaken. In casis op blz. 65 moet zijn in casu; de voorletter van mr. Van Walsum is niet P. maar G. E. Ik vermeld het alleen om te zien hoe nauwkeurig ik het boek heb gelezen. Men zou willen dat vermeld was, waar de artikelen voor het eerst gepubliceerd werden! Het zijn belangrijke opstellen over Kerk, Staat en Maatschappij.

„Krijgsknechten van zoodanigen Veldheer”, uitgegeven onder auspiciën van de Stichting Unie „School en Evangelie” door Uitgeversmij. J. H. Kok B.V., te Kampen. (116 pag.; f 11,90).

Dit werk wil vooral met het oog op onderwijs en opvoeding de betekenis duidelijk maken van het optreden van Groen van Prinsterer en Heldring, die beide honderd jaar geleden stierven.

Het verhaalt van strijd en inzet, van teleurstellingen in mensen onderling, van geloofszegen en rijkdom van genade. Lees het en Uw oog zal gescherpt worden om zaken die heden aan de orde zijn te herkennen en duidelijker in hun betekenis en samenhang te doorzien.

Vier auteurs schreven elk een hoofdstuk. Het eerste hoofdstuk van de hand van drs. Gilhuis zal voor veel lezers verwarrend gedetailleerd zijn. Het geeft een opeenstapeling van indertijd gangbare termen. Ongetwijfeld goed werk in de ogen van hen die op dezelfde wijze als de auteur geïnteresseerd zijn in geschiedschrijving. Het gaat over veel en achteraf gezien vaak grote woorden, over kleine verschillen in kleine kringen van mensjes die mede-christenen met termen als satanisch en demonisch om de oren slaan.

Toch komt ook de trouw in het kleine uit en de inspanning om al zou het slechts gaan om enkele kinderen in enkele scholen die tot Christus zouden worden gebracht.

Het tweede hoofdstuk, geschreven door dr. Puchinger is een evenwichtig en goed leesbaar stuk, dat ons wil doen omgaan met Groen.

De schrijver is er in geslaagd ons te laten meebeleven wat Groen van Prinsterer bewoog. Maar alles blijft in de historische omraming.

Wie van daar uit lijnen zou willen trekken naar het heden moet dat zelf doen. Gelukkig komt H. Algra in het derde hoofdstuk daartoe te hulp.

Hij trekt daarin grote lijnen, ook naar het heden en legt wortels van ontwikkelingen bloot. Het is een zeer lezenswaardig hoofdstuk geworden, vooral met het oog op de nog steeds urgente vragen inzake de vrijheid van onderwijs en de door de regering voorgestane wijzigingen in de grondwet.

Er wordt in deze bijdrage ook het een en ander rechtgezet aan nog steeds heersende historische misvattingen.

Dr. Van der Hoeven doet in het vierde hoofdstuk op een meer verhalende wijze iets dergelijks als Algra. Hij geeft doorkijkjes naar het heden, vertrekkend van gebeurtenissen in Heldrings leven.

Graag aanbevolen.

Dr. K. Runia, Nairobi in Perspectief. 106 blz. Prijs paperback f 9,90. Kok, Kampen, 1976.

Prof. Runia heeft als afgevaardigde van de Geref. Kerken de Assemblee van de Wereldraad van Kerken, die in december 1975 te Nairobi gehouden werd, bijgewoon. Hij doet van zijn ervaringen in dit boekje verslag.

Het is een boeiend verslag, dat achtergrondinformatie geeft. Op een eenvoudige en onderhoudende wijze vertelt hij over de rapporten en resultaten van de verschillende secties; over de werkwijze, en de relatie tot Rome en over het huiswerk dat deze Assemblee voor de aangesloten kerken oplevert.

Bijzonder benieuwd waren we naar het eindoordeel. Dat wordt bepaald door wat we lezen op blz. 10: men doet de Wereldraad geen dienst met overmatige kritiek noch met overmatige lof. Nu voor beiden heeft de schrijver zich gewacht. Het is een welwillende beoordeling van de gang van zaken ter conferentie, met enige kritische noten zonder dat die tot fundamentele of radicale kritiek leiden. Runia maakt zich sterk met het rapport van Sectie I over het belijden van Christus in deze tijd. Dat is eigenlijk ook het enige positieve dat hij kan aanvoeren. Het is mij onbegrijpelijk dat hij zo minimaliserend schrijft over de dialooggedachte. Wat Thomas met christocentrisch syncretisme bedoelde, was in zijn kern toch wel duidelijk. Het is het theologisch fundament voor wat blijkens de praktijk reeds plaats vindt. Men leze de voorbereidingsstukken voor Nairobi, waarin het recht en de plicht tot de dialoog volop verdedigd wordt.

Het is onbegrijpelijk dat Runia niet sterker opkomt tegen de manipulatie die de Russen hebben uitgevoerd met de verklaring omtrent gebrek aan vrijheid van godsdienst; evenzo geen scherpe kritiek op de manipulatie in verband met de verkiezing van Nikodim, van wie in het Westen bekend is dat hij in relatie staat met de Russische staatspolitie, de KGB. Runia constateert de feiten wel, maar zet ze niet in perspectief. Wanneer men de gegevens die Runia zelf verstrekt, op een rij zet, is geen andere conclusie mogelijk dan dat de praktijk van politisering van het Evangelie, zoals die sinds Uppsala werd beoefend, door kan gaan.

Consolidatie als typering betekent dan ook geen halt of pas op de plaats. Het betekent: men kan voortgaan. Dat was het waar het de staf in Genève om ging. Ik vind het levensgevaarlijk voor een kerk om in deze fase mee te doen. Een man als Beyerhaus heeft geadviseerd af te haken. Runia schrijft: doe je huiswerk, terwijl uit de stukken blijkt dat de Bijbel niet meer de basis is. Moet men een kerk aan deze ideologie en praktijk prijs geven? Hier is maar één conclusie mogelijk: waarschuwen tegen wat de Wereldraad wil en zich er tegenover stellen.

Drs. T. M. Gilhuis en drs. K. de Jong Ozn.: „Christelijk voortgezet onderwijs - hoe bestáát dat?” no. 19 in de serie Cahiers voor het Christelijk onderwijs, uitgave Kok - Kampen, geschreven in 1975.

Op het omslag wordt dit boek aangekondigd als een blauwdruk, een profiel van dat wat de christelijke school nu eigenlijk zou moeten voorstellen om het gesprek omtrent de eigenheid van het christelijk onderwijs te dienen.

Allereerst krijgt Gilhuis het woord; hij betoogt dat de bevrijding uit het diensthuis een centraal thema is in oude en nieuwe bedeling en „de gelovigen hiertoe bevrijd, zijn nu af aan geroepen deze bevrijding in hun leven te weerkaatsen”. Vandaar: christelijk onderwijs — spiegel van bevrijding. Nu meen ik dat christelijk onderwijs dat inderdaad óók moet zijn, maar dat daarmee het eigene niet is aangewezen want dit geldt voor alle gelovigen in alle doen en laten (2 Cor. 3). Dit hoofdstuk komt over als een weinig ordelijk geheel — waarmee niet gezegd is dat het on-ordelijk is. Er wordt echter al te vlot heengesprongen over onderscheid tussen christelijke gemeente-zijn, christen gelovige-zijn individueel en gezamenlijk, christelijk leven en optreden, christelijk opvoeden en onderwijzen.

De Jong (de huidige staatssecretaris) geeft enkele lijnen voor de inrichting van het christelijk voortgezet onderwijs. Hij slaagt er in aan het denken te zetten. Vervolgens komen er uit kringen van het onderwijs, de kerk en het maatschappelijk leven telkens vier personen aan het woord om op de ideeën van Gilhuis en De Jong het hunne te zeggen.

Velen van hen wijzen er op dat nog al eens zaken als specifiek christelijk worden aangemerkt die in wezen tot het ideaal-menselijke behoren en ook door anders-denkenden worden betracht en nagestreefd. Prof. Oosterhoff, een van degenen die weerwoord leveren, zet dan ook terecht boven zijn bijdrage „Vrijheid … maar hoe?”

En een ander die „kritisch weerwerk” levert, prof. Berkhof, wijst er op dat moet worden bedacht „dat Exodus en Sinaï bijeenhoren. Na het bevrijden komt het gebieden. Israël wordt bevrijd tot dienst aan God en onderling.”

Het AR tweede-kamer-lid mevr. J. G. Kraayeveld-Wouters doet de suggestie de andere irriterende benadering van uit de invalshoek wat specifiek christelijk onderwijs is te verlaten. Zij doet het voorstel van allerlei wenselijkheden die voor elke school gelden van welke denominatie en kleur ook voortaan te zeggen „dat geldt in ieder geval voor het christelijk onderwijs.” „Christelijke scholen moeten in ieder geval goede scholen zijn. Dat zijn ze aan hun naam verplicht.” Ik geloof niet dat zo’n benadering veel oplost. Wie en wat bepaalt wat „goed” is? Is de noodzaak van vrijheid van richting (art. 208 grondwet) dan nog wel aanwezig?

Dit Cahier geeft in ieder geval, alleen al door de opzet, een benadering die leidt tot nadere bezinning. Daartoe van harte aanbevolen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.