+ Meer informatie

HET HUISBEZOEK

21 minuten leestijd

In 1985 verscheen een boekje onder de titel:

Huisbezoek, een handreiking voor ambtsdragers en gemeente.

Het is van de hand van ds. H. Hofman, predikant van de Gereformeerde Gemeenten. Een interessant gegeven is, dat in dit boekje ook een enquête over het huisbezoek is verwerkt, die kennelijk enkele jaren daarvoor was gehouden. Eén van de meest opmerkelijke conclusies uit dat onderzoek is, dat er zowel bij een aantal ambtsdragers als bij vele gemeenteleden een sterk verlangen bleek te leven dat de huisbezoeken anders - dat wil zeggen: beter - zouden verlopen dan tot nu toe het geval was. Hoe een dergelijk onderzoek in onze kerken zou uitvallen, weet ik niet. Maar ben ik ver mis, als ik veronderstel, dat ook onder ons verscheidene wensen en vragen leven over de praktijk van het huisbezoek? In elk geval raak ik er zelf steeds meer van overtuigd, dat een nadere bezinning op dit fundamentele onderdeel van de pastorale zorg in de gemeente dringend gewenst is1.

Bezinning: waarom?

Men zou daarbij de vraag kunnen stellen: waarom is die bezinning eigenlijk nodig? Eén van de redenen is in elk geval dat de betekenis van het huisbezoek minder geworden lijkt te zijn. Tot misschien enkele tientallen jaren geleden was het huisbezoek een gebeurtenis. De ouderlingen kwamen op bezoek als gezanten van de Heere. Het doel van hun komst was volstrekt duidelijk: zij kwamen een onderzoek doen naar de stand van het geestelijke leven. Doorgaans werd in het hele gezin met een zeker ontzag naar de beide broeders opgekeken. In sommige gevallen werd het bezoek gekenmerkt door een zekere gezagsvolle afstandelijkheid, al waren er ook vele huisbezoekers die de spanningen wisten te breken en heel vertrouwelijk en niet zonder gemoedelijkheid met het gezin dat zij bezochten, Spraken.

In onze tijd liggen deze dingen anders. Het bezoek van ouderlingen of diakenen wordt vandaag niet meer als iets bijzonders gezien. De afstand tussen het ambt en de gemeente is kleiner geworden. Het ambt heeft immers te lijden gekregen onder het proces van democratisering, liberalisering en gezagsdevaluatie in de maatschappelijke verhoudingen binnen onze samenleving. Dat het Christus is - het hoofd van de Kerk -die zich in de gemeente in toerusting aan en toezicht op de kudde in ambtsdragers laat vertegenwoordigen, is een gedachte die niet meer zo sterk leeft. En dat is ook onze gemeenten zeker niet voorbijgegaan.

In het licht van dit ailes rijst de vraag hoe we hiermee om moeten gaan? Moeten we in een voortdurend heimwee terugblikken naar ‘vroeger toen alles immers beter was’? Of dienen we bij alle mogelijke en onmogelijke gelegenheden op te komen voor ons ambt en het gezag dat dat ambt toch ook in onze tijd moet uitstralen? Ik denk dat dat een verkeerde weg is. Het is van fundamentele betekenis dat we in ons ambtelijk werk proberen te laten zien wat het bijbels karakter van het ambt is. We stippen de drie belangrijkste aspecten hiervan aan:

1. Belangrijk is dat we de overtuiging hebben gezonden te zijn en daarmee opdracht en volmacht te hebben dit werk in de gemeente te verrichten. Een pastor en een ouderling staan in de dienst van de Goede Herder en vertegenwoordigen Hem. Zij doen hun werk in naam van de Goede Herder. Dat betekent dat het karakteristieke van dit werk daarin bestaat dat zij niet heersen, maar dienen. De ambtsdrager is dienaar van God en wil zo niets anders dan de gemeente dienen die aan zijn zorgen is toevertrouwd.

2. Dat houdt in de tweede plaats in dat de ambtelijke volmacht, of het ambtelijk gezag een eigen karakter heeft. Een ambtsdrager ‘bezit’ dat gezag niet vanwege het simpele feit dat hij nu ouderling is. Hij ontleent het gezag aan het Woord van de Koning van de Kerk. Het is belangrijk dat we dat goed zien. De ouderlingen die op huisbezoek komen, zijn gewone, feilbare, zondige mensen. Maar zij komen met het gezag van het Woord van de Heere. En tijdens het bezoek stellen zij zich samen met de alleenstaande of het gezin dat bezocht wordt, onder dat gezagvolle Woord.

3. In de derde plaats is van grote betekenis vanuit welke houding wij ons ambtelijk werk uitoefenen. In zijn mooie boekje Pastoraat met raad en daad2 laat prof. Velema zien dat in het pastorale werk het herdersambt van Christus zichtbaar moet worden. Dat betekent dat ons ambtelijke werk niet alleen profetische en koninklijke, maar ook priesterlijke trekken heeft. Onze ambtelijke bezoeken zijn bij voorbaat tot mislukken gedoemd, als we niet iets kennen van de priesterlijke bewogenheid met mensen…

Het is van belang dat deze lijnen ons ambtelijk werk bepalen, willen we staande blijven in een tijd van innerlijke uitholling van het bijbelse ambtsbesef. Het is ook noodzakelijk dat de gemeente van tijd tot tijd in de prediking op deze dingen gewezen wordt, opdat zij bij veranderend getij weet wat het ambt is en wat zij van de ambtdragers verwachten mag.

Het doel van het huisbezoek

Een van de belangrijkste aspecten van het gewone ambtelijke werk is het huisbezoek. Wat verstaan we daar eigenlijk onder? Een bekende omschrijving is: “Het gaat er bij het huisbezoek om, dat wij het Woord van God in zijn belofte en eis brengen in het leven van de individuele leden en in de gezinnen van de gemeente”3. Het Woord moet dus aan het woord komen. Het gaat in het huisbezoek niet om een genoeglijk voortkabbelend, ‘gezellig’ gesprek. Neen, dit bezoek staat in dienst van de pastorale zorg die Christus aan Zijn gemeente besteedt, en daarbij moet het Woord van de grote Herder der schapen nadrukkelijk centraal staan. Men kan tegenwerpen, dat het huisbezoek zo wel heel dicht bij de zondagse preek komt te staan. Gaat het hier dan eigenlijk niet op een soort preekje tot de enkeling, of tot een gezin? Nu kan dat in ieder geval de bedoeling niet zijn. Prediking en pastoraal bezoek zijn nauw verbunden, omdat het in beiden gaat om het éne Woord van de levende God. Toch zijn ze niet exact hetzelfde. Anders dan bij de prediking komt het Woord in het huisbezoek immers tot klinken via het gesprek. Dat houdt in dat degenen die bezocht worden, mogen spreken, zich zelfs uit mogen spreken en dat de ouderlingen geroepen zijn te luisteren. Maar de broeders die op bezoek komen, mogen zich beslist niet beperken tot vragen, luisteren, en misschien wat sturen. Zij dienen het Woord van God over te brengen. We kunnen het ook op deze manier zeggen: de ambtsbroeders én degenen die bezocht worden, stellen zich samen onder de Schriften.

Nu wordt in dit verband nogal eens opgemerkt dat daarom op het huisbezoek alles ter sprake kan komen, omdat het Woord van God ingaat op alle werkelijkheden4. Als men hiermee protesteert tegen de gedachte dat op het huisbezoek alleen “geestelijke” zaken aan de orde moeten komen, terwijl de dingen van het dagelijkse leven daar volstrekt niet zouden thuishoren, dan is dat terecht. Op een dergelijk bezoek kunnen namelijk ook dingen als de opvoeding van de kinderen, de verhoudingen in de familiekring, de vragen rond een christelijke levensstijl, werk en werkeloosheid, ziekte en gezondheid een plaats krijgen. Voorwaarde is daarbij uiteraard wel dat deze dingen in het licht van de Schrift aan de orde komen! Maar al zou ik deze cirkel even wijd willen trekken als het Woord dat zelf doet, toch zou ik ervoor willen pleiten dat er binnen deze cirkel een kleinere cirkel getrokken wordt, eventueel met een stippellijn. Daarin wordt dan de speeifieke spits van het huisbezoek aangewezen. Wat is deze spits, wat is de eigenlijke kern van het huisbezoek? We zouden dat in een aantal punten willen samenvatten.

1. De persoonlijke relatie met de Heere

Het is van fundamenteel belang dat de vraag aan de orde komt: ‘Is er bij degene(n) die we bezoeken, sprake van een levende relatie met de Heere?’ Dit aspect komt heel duidelijk aan de orde in de oude kerkordelijke bepaling, die aan het huisbezoek is gewijd: “Tot de ambtelijke opdracht van de ouderlingen behoort (..) zowel voor als na het heilig avondmaal huisbezoek te doen, om de leden van de gemeente te vertroosten en te onderwijzen en anderen te bewegen tot het geloof in Christus”5. Dit nauwe verband tussen huisbezoek en het Heilig Avondmaal gaat terug op Calvijn. In de kerkorde van Genève (1561) wordt onder meer gesproken over de zorg, dat er tengevolge van de verwarring van het pausdom velen waren die in hun jeugd niet onderwezen waren, zodat zij nu als volwassen mannen en vrouwen niet op de hoogte zijn wat het christendom nu eigenlijk is. Vervolgens lezen we deze zin: “Daarom moet er elk jaar van huis tot huis bezoek worden gebracht, om bij ieder een eenvoudig onderzoek in te stellen naar zijn geloof, opdat tenminste niemand tot het Avondmaal komt zonder het fundament van zijn zaligheid te kennen”6. Als we deze woorden op ons laten inwerken, wordt duidelijk dat het Calvijn en de raad van Genève om twee dingen ging: bij de huisbezoeken dient de kennis van de geloofsinhoud ter sprake te komen. Is er voldoende inzicht in de fundamentele leerstukken van het christelijk geloof? Bovendien werd de vraag aan de orde gesteld naar de beleving van het geloof, naar de persoonlijke verhouding tot de Heere. We tekenen bij de woorden van Calvijn nog aan, dat we de uitdrukking: ‘een onderzoek insteilen’ niet verkeerd moeten opvatten. Het ging er de ouderlingen van Genève niet om dat zij het geestelijk leven van anderen zouden ‘beoordelen’, maar dat zij degenen die zij bezochten, tot zelfonderzoek zouden brengen: wie ben ik voor de Heere?

2. De vrucht op de prediking

Nauw hiermee verbonden is het volgende punt: is er vrucht op de prediking en op de bediening van de sacramenten? Voor sommigen van ons klinken deze woorden zeer bekend. Ze komen namelijk vrijwel letterlijk zo voor in het Reglement op de kerkvisitatie7. En het is juist deze vraag die de broeders bij een kerkvisitatie nogal eens in verlegenheid brengt. Hoe kun je immers weten wat de prediking uitwerkt: laat zich dat wel ‘meten’? Nu zal ieder voor deze verlegenheid begrip kunnen opbrengen, want wie zal met absolute zekerheid kunnen uitmaken welke uitwerking de verkondiging van het Woord heeft? Aan de andere kant mogen we ook niet vergeten, dat als we ergens een antwoord kunnen vinden op de vraag naar de vrucht op de prediking, dat juist tijdens de huisbezoeken is.

Toch is dat niet eens de voornaamste reden, waarom deze vraag daar aan de orde moet komen. Huisbezoek staat immers in het teken van de pastorale zorg voor het geestelijk welzijn van de gemeente. En juist in dat licht is het geboden dat de huisbezoekers navraag doen of in de zondagse prediking voedsel aangereikt wordt voor het persoonlijke geestelijke leven. Daarbij behoeven we niet bij het geloofsleven te blijven staan. De vraag mag ook opgeworpen worden of we vanuit het Woord onderricht ontvangen voor het geheel van ons leven. Biedt de prediking ook toerusting en leiding om als christen te staan in de vaak barre werkelijkheid van iedere dag?

3. De persoonlijke omgang met God

Tot de kern van het huisbezoek behoort vervolgens ook het punt van de persoonlijke omgang met de Heere. Wordt de Bijbel regelmatig gelezen en is er sprake van een meditatieve omgang met het Woord? Probeert men ook het inzicht in de Schrift te vermeerderen, bijvoorbeeld door kennis te nemen van geschritten die de Bijbel dichterbij ons brengen? Juist op dit punt vinden we een opmerkelijke bepaling in de Kerkorde. We lezen daar namelijk dat de ambtsdragers de invloed van onrechtzinnige, revolutionaire en zedenbedervende lectuur dienen tegen te gaan. Het is hun roeping om onder meer op huisbezoek daartegen te waarschuwen8. Deze negatieve taak heeft uiteraard ook een positieve keerzijde: het is immers evenzeer hun roeping om de leden van de gemeente aan te moedigen het Woord van God te onderzoeken en zich te verdiepen in goede geestelijke lectuur. Naast de omgang met de Bijbel mag hier ook de praktijk van het gebedsleven ter sprake komen. Dat is een teer onderwerp en er is pastorale fijngevoeligheid voor nodig om dit op de juiste wijze aan de orde te stellen.

4. De relatie met de gemeente

Ook bij dit aspect zou veel te noemen zijn. We beperken ons tot het volgende. Als het gaat over de plaats van het te bezoeken gezin binnen de gemeente, doelen we niet alleen maar op de vraag: voelt u zich hier thuis? Die vraag mag zeker gesteld worden, zeker als men nog niet zo lang tot de gemeente behoort. Maar het gaat toch ook om zaken als het zich betrokken weten bij het gemeentelijke leven en het meeleven met die leden van de gemeente die een moeilijke weg moeten gaan. We kunnen hier een relatie leggen met de voorbede die tijdens de eredienst plaatsvindt. Eén van de bedoelingen daarvan is dat de noden die in het openbare gebed aan de Heere zijn voorgelegd ook in de gebeden in de gezinnen en in onze persoonlijke gebeden een plaats krijgen. Vanuit de relatie met de gemeente laten zich ook wijdere cirkels van aandacht trekken. Zo kan het punt aan de orde komen naar onze houding tegenover hen die van het evangelie vervreemd zijn, zowel veraf als dichtbij. We zouden dat toe kunnen spitsen op de vraag welke betekenis de bede om de komst van Gods koninkrijk heeft in ons leven9.

Nu zou bij het lezen van de bovenstaande punten de indruk kunnen ontstaan, dat ambtsdragers tijdens het huisbezoek vooral veel vragen moeten stellen. Dat is nu juist niet de bedoeling. Wanneer zij een reeks van vragen afvuren, komt dat snel over als een soort verhoor en dat betekent de doodsteek voor een werkelijk gesprek. Neen, het gaat erom dat deze vraagpunten gaandeweg in het gesprek aan de orde komen. Daarbij hoeft niet bij elk huisbezoek ailes ter sprake te komen. Het is echter wel van belang dat de bezoekers bedacht blijven op de diepste kern van hun taak: de zorg voor de geestelijke welstand van dit gezin of van deze alleenstaande.

Hoe zet men een gesprek op het huisbezoek op?

Tenslotte willen we nog ingaan op de vragen rond de praktijk van het huisbezoek. Hoe beginnen we een dergelijk bezoek? Welke dingen moeten we absoluut vermijden? Hoe sturen we het gesprek in de goede richting, zonder daarin al te zeer te ‘domineren’? Bij dergelijk soort vragen bekruipt menig ambtsdrager een stuk verlegenheid. Die kan verschillende oorzaken hebben. Zij kan voortkomen uit het besef dat Paulus - weliswaar in een ander verband - zo verwoordde: “Wie is tot deze dingen bekwaam?” (2 Kor. 2:16). Maar daarnaast bekruipt vele ouderlingen ook nogal eens het gevoel dat het hun aan toerusting ontbreekt om op een goede wijze een pastoraal gesprek te voeren. Daarom is het dienstig om ons van tijd tot tijd te verdiepen in instructief materiaal dat met het oog op het huisbezoek is versehenen. Het vervolg wil slechts een aantal belangrijke aandachtspunten bieden, waarover men in de bekende werken die aan het huisbezoek zijn gewijd, veel meer materiaal kan vinden10.

De voorbereiding op de kerkenraadsvergadering

Het huisbezoek dient regelmatig inhoudelijk op de vergaderingen van de kerkenraad aan de orde te komen. Het is een goede zaak als aan het begin van het seizoen een aantal zaken door de kerkenraad wordt geregeld. Het goed funetioneren van de huisbezoeken is immers een verantwoordelijkheid die door de broeders gezamenlijk wordt gedragen. Bij de dingen die de kerkenraad moet regelen, behoort in elk geval het volgende. Gaan de broeders samen of alleen op huisbezoek? Het is een oude traditie dat de broeders dit werk twee aan twee doen. En in het algemeen verdient dat mijns inziens ook de voorkeur. Wanneer de bezoekers samen zijn, is er een getuige van wat er tijdens het gesprek aan de orde is gekomen. Bovendien kunnen de broeders elkaar aanvullen en dat kan vooral bij een bezoek aan grotere gezinnen een voordeel zijn. Anderzijds draagt het bezoek van één ouderling een meer vertrouwelijk karakter. Het verdient daarom de overweging om huisbezoeken bij bijvoorbeeld alleenstaanden door één broeder te laten doen. Met name bij de bezoeken aan grotere gezinnen en zeker in moeilijke situaties is een bezoek van twee ambtsdragers aan te bevelen. Een andere vraag die door de kerkenraad besproken dient te worden is het aantal bezoeken dat op één avond wordt afgelegd. Het is gebruikelijk dat men twee adressen per avond bezoekt. Dat kan heel goed funetioneren. Er zijn echter situaties denkbaar waarin men zich beperken moet tot één bezoek per avond. Ik zou daarvoor bijvoorbeeld willen pleiten bij een (groter) gezin met een aantal opgroeiende kinderen. We dienen er in elk geval voor te waken dat een bezoek door de al te grote tijdsdruk niet aan zijn doel kan beantwoorden. Een derde aspect is de inhoud van de huisbezoeken. In sommige gemeenten is het gebruik geworden om aan het begin van het seizoen een thema vast te stellen dat op alle huisbezoeken wordt behandeld. De reden daarvan zal zijn om de sleur die op de bezoeken kan optreden, te doorbreken en er een goede inhoud aan te geven. Er zijn echter ook wel bezwaren te noemen. Een thema kan een blokkade vormen voor de spontaniteit van een gesprek. Bovendien kan de uniformiteit van het ene onderwerp ontoereikend zijn om op de vaak heel verschillende (geestelijke) situaties van gezinnen en alleenstaanden in te gaan. In elk geval mogen de broeders de vaste thematiek nooit gebruiken om wezenlijke vragen van gemeenteleden te torpederen. Als we ertoe overgaan om een bepaald thema aan de orde te stellen, laten we het dan zo kiezen dat het gemakkelijk kan leiden tot een persoonlijk geestelijk gesprek. Maar ook wanneer men geen vast thema aan de orde stelt, is het een goede zaak dat de kerkenraad zich met enige regelmaat bezint op de inhoud van het huisbezoek. Als dat op een goede wijze gebeurt, kan dat alleen maar ten goede komen aan het karakter en de kwaliteit van de bezoeken!

Persoonlijke voorbereiding

Het is van levensbelang dat iedere ambtsdrager zich ook persoonlijk op de bezoeken die hij gaat afleggen, voorbereid. Dat betekent in de eerste plaats dat hij dit werk in het gebed aan de Heere voorlegt. Ergens las ik het volgende: een predikant die bij de voorbereiding van de preek het Aangezicht van de Heere niet heeft gezocht, kan geen zegen over de verkondiging verwachten. En ten diepste geldt hetzelfde van een ambtsdrager die zijn bezoeken doet zonder dat werk steeds weer aan de Heere op te dragen. Ambtsdragers dienen in dit opzicht vooral mannen van gebed te zijn! Bij de persoonlijke voorbereiding kunnen we ook aan andere facetten denken. Zo is het goed om te overwegen bij wie we op die bepaalde avond op bezoek gaan. Laten we het een regel maken om voor onszelf de samenstelling van het gezin na te gaan en onszelf af te vragen of er in de laatste tijd bij die familie ingrijpende gebeurtenissen waren. Het is namelijk buitengewoon pijnlijk, als degenen die bezocht worden, al in het begin van het gesprek merken dat de broeders een aantal belangrijke dingen niet weten, die ze wel hadden kunnen weten en ook hadden moeten weten!

Het gesprek

Voor een goed verloop van het gesprek is het in de eerste plaats van betekenis dat de bezoekers op tijd komen. Het komt - vrees ik - nog al te vaak voor dat met name het tweede bezoek op een avond niet geheel aan zijn doel beantwoordt omdat de broeders veel te laat waren. We dienen ons uiterste best te doen om dat te vermijden. Laten we erop bedacht zijn dat sommige mensen meer tegen een bezoek gaan opzien, naarmate de afgesproken tijd verstrijkt. Vervolgens is het belangrijk dat de broeders op een zo natuurlijk mogelijke wijze leiding zoeken te geven aan het gesprek. Doorgaans wordt van hen verwacht dat zij het gesprek openen. Laten we daarbij proberen degenen die we bezoeken, zoveel mogelijk op hun gemak te stellen, zeker als we merken dat er wat spanning hangt. Verder verdient het aanbeveling om aan te knopen bij de concrete levensomstandigheden van het gezin. Laten we niet vergeten daarbij meteen al de kinderen te betrekken, zo die er zijn. Als er bijzonder verdrietige of bijzonder vreugdevolle omstandigheden waren, is het goed om ook daar op in te gaan. Het is van belang om van hieruit op een pastorale wijze het gesprek op de kernvragen te brengen. Voor een goed verloop is het daarbij erg belangrijk dat de ambtsdragers een evenwicht weten te vinden tussen het luisteren naar wat de mensen zeggen en het leiding geven aan het gesprek. Het is - bijvoorbeeld - volstrekt onjuist om heel persoonlijke geestelijke vragen te gaan stellen, als we merken dat er bij degenen die we bezoeken, allerlei bezwaren leven met betrekking tot de prediking en het gemeentelijke leven. In zo’n geval moet u hun eerst de gelegenheid geven hun dingen naar voren te brengen. Het kan zelfs nodig zijn een heel gesprek aan deze punten te wijden, hoe moeilijk u dat misschien ook valt. Wanneer iemand op het moment van het huisbezoek met geweldige vragen tobt omdat hij pas een ingrijpend verlies heeft geleden, is het van belang dat u hem in de gelegenheid stelt zich daarover uit te spreken. Zeker in zo’n geval is veel luisteren doorgaans meer op zijn plaats dan veel spreken. Aan de andere kant kan het ook nodig zijn heel directe en concrete vragen te stellen. We kunnen hierbij denken aan de situatie dat iemand graag gesprekken voert over alle mogelijke dingen, maar steevast met een grote boog heengaat om de vraag naar zijn persoonlijke verhouding tot de Heere. Het is goed om in zo’n geval eerst de vraag te stellen, of hij het moeilijk vindt om over die dingen te spreken. Soms biedt dat een opening. Maar het kan uiteindelijk zo zijn dat de enige weg die overblijft een heel directe vraag is. Laten we die in liefde stellen, maar tegelijk heel concreet en dringend. Want het gaat hier om pastorale zorg voor het welzijn van deze leden of deze familie!

Een apart punt is de vraag naar het einde van het huisbezoek. Het verdient aanbeveling om zulke bezoeken als regel af te sluiten met Schriftlezing en gebed. Soms wordt daartegenin gebracht dat er bezoeken zijn, die zo siecht verlopen dat het onmogelijk is om samen aan het einde het aangezicht van de Heere te zoeken. Dat komt inderdaad - helaas - voor. Toch dienen we naar mijn overtuiging als het maar enigszins mogelijk is het bezoek in elk geval met gebed te beëindigen. We dienen in deze gevallen er wel voor te waken, dat we het gebed gebruiken om nogmaals ons eigen standpunt naar voren te brengen. Maar we mogen zeker de nood en de moeite van dit gesprek aan de Heere voorleggen en Hem bidden om wijsheid en genade. En indien een gebed absoluut onmogelijk blijkt, bijvoorbeeld omdat het niet gewenst wordt, kunnen we toch laten voelen dat we de betreffende broeder of zuster persoonlijk aan de Heere zullen blijven opdragen.

De rapportage

We ronden af met de rapportage van de huisbezoeken op de vergadering van de kerkenraad. Naar mijn gedachte dienen we hierbij voor twee uitersten te waken. Enerzijds kan het namelijk niet de bedoeling zijn dat van ieder bezoek een gedetailleerd verslag wordt gegeven. Dat zou te tijdrovend zijn. Bovendien zouden er gemakkelijk al te veel bijzonderheden naar voren komen die een wat vertrouwelijk of incidenteel karakter dragen. Anderzijds mogen de verslagen ook weer niet nietszeggend kort zijn. Zo is het te weinig als we een hele reeks van huisbezoeken afdoen met de stereotiepe formulering: “Het was een goed bezoek. Geen bijzonderheden”. Huisbezoek staat in het kader van de zorg voor de welstand van de gehele gemeente, waarvoor de gehele kerkenraad de verantwoording draagt. Daarom is het goede zaak dat ook die gehele kerkenraad inhoudelijk kennis neemt van de wezenlijke kern van wat op de huisbezoeken besproken is.

1) H. Hofman, Huisbezoek - Een handreiking voor ambtsdragers en gemeente. Utrecht 1985. blz. 58w.; 79w.

2) Kampen 1994. m.n. blz. 11w.

3) W.A. Wiersinga, Weid en waak, practische leidraad voor de ouderling. Wageningen 1952. blz. 28.

4) K. Dijk, De geestelijke zorg over de gemeente, in: idem (red.), Handboek voor de ouderling. Delft 1952. blz. 61. Zie hierbij ook: W.H. Velema, Het werk van de ouderling in de gemeente, in: D. Koole en W.H. Velema, Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente. Een handreiking voor de ouderling. Kampen 1982. blz. 101-127, m.n. blz. 108vv.

5) Kerkorde van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland. Amsterdam 1993. art. 23.

6) Calvijn, Ordonnances ecclesiastiques (1561), in: P. Barth en D. Scheuner (ed.), Opera Selecta II. München 1962. p. 357; vgl. ook J. Plomp, De kerkelijke tucht bij Calvijn. Kampen 1969. blz. 194.

7) Kerkorde van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Amsterdam 1993. Bijlage 25. blz. 122.

8) Vgl. Kerkorde van de Christelijke Gereformeerde Kerken. Amsterdam 1993. art. 55.

9) Vgl. hierbij de uitleg die de Heidelbergse Catechismus daarvan geeft in Zondag 48.

10) Ik wijs hier met name op het artikel van professor Velema: Het werk van de ouderling in de gemeente, in: D. Koole en W.H. Velema, Uit liefde tot Christus en Zijn gemeente. Een handreiking voor de ouderling. Kampen 1982. blz. 101-127 en de literatuur die daar wordt genoemd. Te denken valt ook aan de lessen die ds. H. van der Schaaf op de vormingscursus aan het huisbezoek heeft gewijd. Deze bevatten veel historisch en praktisch materiaal.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.