+ Meer informatie

ANTWOORD AAN PROF. VELEMA

4 minuten leestijd

Graag maak ik gebruik van de mij geboden gelegenheid om iets terug te zeggen op het-geen prof. Velema in het vorige nummer schreef. Hij ging daarbij in op mijn reactie (eveneens in het vorige nummer geplaatst) op zijn twee artikelen over „Huwelijksslui-ting” in AC van maart en april jl. Omdat deze discussie m.i. niet te veel van de aandacht van de lezers mag gaan vergen zal ik zo kort mogelijk zijn. Toch wil ik niet ge-heel zwijgen: er is voor mijn besef in het stuk van prof. Velema sprake van enig misver-stand over mijn standpunt, en dat wil graag de wereld (i.e. de kerk) uit hebben.

Prof. Velema betoogde dat in Israël sluiting en ontbinding van het huwelijk publiek-rechtelijke handelingen waren. Nu bevreemdt het hem dat ik dat toegeef en dat dan volgens mij toch niet duidelijk zou zijn waaròm dat (ook voor ons) zo behoort te zijn (biz. 362 regel 16). Maar dat heb ik niet geschreven, althans (want misschien ben ik niet duidelijk genoeg geweest) niet bedoeld te schrijven. Op biz. 360 regel 18-27 van onderen, gaf ik in het kort aan hóe naar mijn mening de noodzaak van burgerlijke hu-welijkssluiting bijbels te funderen is, maar dan alleen op indirecte wijze. Die noodzaak is nog niet zonder meer aangetoond wanneer men, zoals prof. Velema deed, verwijst naar de teksten die zeggen hoe het bij Israël toeging. En „er is geen tekst aan te wijzen waaruit rechtstreeks blijkt dat een huwelijk pas dan huwelijk is, als het ten overstaan van de burgerlijke overheid of haar plaatsvervanger wordt gesloten” - aldus prof. Velema (biz. 361, regel 5-7 van onderen). Daarmee brengt hij precies onder woorden wat ook ik bedoelde. Er is dus op dit punt tussen hem en mij geen verschil.

Dat lijkt mij in wezen ook het geval bij het andere punt dat ik nog wil noemen. Is er, zodra twee mensen eikaar, echter niet publiek, trouw hebben beloofd sprake van een huwelijk en dus - bij verbreking van hun relatie - van echtbreuk? De door prof. Velema vragend gestelde „conclusie”, „dat voor de huwelijkssluiting de wederzijds afgelegde belofte van trouw voldoende is” (biz. 361 regel 3, 4 van onderen) wordt door mij even-zeer afgewezen als door hem. Op biz. 360 regel 27, 28 van onderen schreef ik: „Dat het huwelijk ten overstaan van de overheid gesloten behoort te worden, staat voor mij vast.” Mèt prof. Velema ben ik dan ook van mening dat er, zonder rechtsgeldige voltrekking, sprake is van een principieel onvolledig huwelijk (biz. 363, regel 10, 11). Er valt bij verbreking van zo een verbintenis dan ook niet te spreken van echtbreuk in for-mele zin. Ik ontkende daarom „dat zulk samenwonen gelijk staat met het officiële huwelijk” en dat het „niet uit zou maken of men samenwoont dan wel trouwt” (biz. 361, regel 26, 27). Wel wil ik staande houden dat twee mensen die samenwonen met de onderlinge belofte eikaar trouw te blijven, een relatie hebben die ten diepste op één lijn staat met wat we „de binnenkant” van een huwelijk noemen. En dat het verbreken van zo’n verbintenis een woordbreuk is, die in de kern van de zaak met echtbreuk op een lijn te stellen is.

Waarom hecht ik eraan dat zo te stellen?

Om zo ten voile serieus te nemen, wat mensen die samenwonen zelf verklaren over hun bedoelingen. Dat lijkt mij pastoraal gezien onontbeerlijk. En juist zó kan men immers aan een samenwonend paar de ernst en diepte van wat zij doen, voorhouden.

Naar mijn overtuiging moet een kerkeraad hen die samenwonen, vermanen om van deze verkeerde weg terug te keren. Maar dat terugkeren zal dan niet inhouden dat men, in strijd met gedane beloften, uiteen gaat. Uiteraard wil ook prof. Velema dàt niet. Het vermaan zal ten doel moeten hebben dat men de trouw die men zegt eikaar onderling beloofd te hebben, ook bewijst - en wel in de eerste plaats door die trouwbelofte publiek te maken. Een kerkeraad heeft daarvoor een te sterker motief, als hij de samenwonenden erop wijst hoezeer ze zieh in feite al op onverbrekelijke wijze aan eikaar verbunden hebben. Om mijzelf nog eenmaal te eiteren: „u hebt met eikaar een relatie van zulk een aard, dat ze in een officieel gesloten huwelijk gestalte behoort te krijgen” (biz. 361, regel 30-32). Want - aldus ook mijn antwoord op wat prof. Velema „de kernvraag” noemt, biz. 362, regel 24, 25 - de publiekrechtelijke kant hoort erbij, wil het huwelijk officieel gelden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.