+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

38

Nog vertoeven wij onder leiding van Stoutmoedig met de pelgrims in het huis van Gajus. De openhartigheid van Eerlijk is ons aangeraam, alsmede de ootmoedigheid van Vreesachtig, die wij mochten volgen tot aan de poorten der eeuwigheid.

Nu wendde Samuel zich tot zijn moeder en fluisterde haar toe: „Moeder, wij zijn hier bij zulk een goede man aangeland, dat ik hier wel gaarne lang zou blijven. Misschien zouden Mattheüs en Barmhartigheid uit dit huis kunnen trouwen voor wij verder reizen”.

De gastheer verstond deze woorden en hechtte er terstond zijn goedkeuring aan. Zij bleven hier dus langer dan een maand, en nu werd weldra het huwelijk tussen Mattheüs en Barmhartigheid vastgesteld. Doch Barmhartigheid vergat haar armen niet, maar vervaardigde als naar gewoonte klederen en rokken om onder hen uit te delen, zodat er een goed gerucht van de pelgrims onder het volk uitging. Maar om tot ons verhaal terug te keren. Toen de maaltijd geëindigd was, verlangden de jongeren zich ter ruste te begeven, want zij waren vermoeid van de reis. Gajus wilde hun nu hun kamers wijzen, maar Barmhartigheid zei, dat zij hen naar bed zou brengen. Dat deed zij en spoedig waren zij rustig ingeslapen. Maar de overigen bleven de gehele avond op, want Gajus en zij waren zulk bij elkander passend gezelschap, dat zij maar niet konden scheiden. Na veel gesproken te hebben van hun Heere, henzelf en hun reis, begon de oude heer Eerlijk, hij, die het raadsel opgegeven had, te knikkebollen.

„Wel mijnheer”, zei Stoutmoedig, tot hem, „begint gij slaperig te worden? Kom, wrijf uw ogen eens uit, dan zal ik u een raadsel opgeven”. „Laat ons horen”, zei Eerlijk. En Stoutmoedig hernam:


Zelf moet ge eerst zijn overwonnen,
Zo gij anderen zult doen sneven,
Zelf in eigen huis eerst sterven,
Wilt gij vrij daarbuiten leven.


„Nu”, zei Eerlijk, „dat is lastig om op te lossen en nog lastiger om in toepassing te brengen. Maar waarde gastheer”, zeide hij, „verklaar gij het liever, ik wil gaarne naar u luisteren!”

„Neen”, zei Gajus, „het is nu opgegeven en wij wachten van u het antwoord”.

„Welaan”, zei de andere man:


Heeft op u Gods genade
Niet eens gezegepraald,
Weet dat gij op de zonde
Geen zegepraal behaalt.
Wilt gij mij overtuigen,
Dat leven in u is,
Zo moet gij aan uzelve
Eerst sterven; houd dat wis.


„Juist geraden”, zeide Gajus. De zuivere leer der waarheid en de ervaring doen ons de geestelijke dingen verstaan. Zolang de genade zich niet aan ons heeft geopenbaard en door haar heerlijkheid onze ziel heeft overwonnen, verzetten wij ons nooit tegen de zonde en haar slavengeest. Daarenboven, wanneer de zonde zelve de keten is, waarmede satan zijn dienaren gebonden heeft, hoe zullen wij die dan breken, zolang wij innerlijk zwak zijn? Niemand, die enige kennis heeft van rede en genade, zal geloven, dat diegene die een slaaf is van zijn eigen verderf, een levend gedenkteken van genade kan zijn. En hierbij komt mij een gebeurtenis te binnen, die waard is, dat ik ze u verhaal:

Twee mannen aanvaardden de pelgrimsreis; de één was jong, de ander oud. De jongeling had met zeer sterke boze neigingen te strijden, maar in de bejaarde waren deze door het natuurlijk sterven van zijn zinnelijke natuur al reeds zwakker geworden. De jongeling zorgde dat hij de oude op zijde bleef en het scheen als ware zijn voortgaan even gemakkelijk als van zijn tochtgenoot, maar in wie blonk de genade nu het meest uit, daar zij beiden gelijke tred hielden?”

Eerlijk: „Ongetwijfeld in de jongste der twee. Wie de sterkste wederstand het hoofd biedt, toont aan, dat hij de meeste innerlijke kracht heeft, indien hij toch gelijke tred houdt. Ik heb opgemerkt dat oude lieden zichzelf misleiden en als genade roemden, wat niets anders was dan een achteruitgaan der natuurlijke levenskracht. Ouden van dagen, die in de genade grijs werden, zijn het beste in staat om jonge lieden te raden, omdat zij de ijdelheid der wereldse dingen hebben leren kennen, maar als een oud en jong man gelijktijdig de goede weg opgaan, heeft de jonge althans dit vooruit, dat hij de overwinning zijner natuur veel krachtiger aanschouwt dan de oude man, wiens hartstochten reeds verzwakt zijn door ouderdom”.

Inderdaad hebben wij jonge mensen de genade des Heeren aan te prijzen voor ’t komen tot de onberouwelijke keus Hem te zoeken en in Zijn wegen te wandelen. Van alle kanten toch worden zij door de wereld aangegrepen en vastgehouden, zodat zij zich alleen door de kracht van de genade des geloofs daaraan kunnen ontworstelen om de Heere te volgen. Laat uw oog op Hem gevestigd zijn daar Hij ons in de Schrift wordt aangewezen en aangeprezen als de Schoonste aller mensenkinderen. Genade is uitgestort op Zijn lippen om die uit te stallen in al haar dierbaarheid. De Heere wil dat wij als ellendige Adamskinderen tot de onuitputtelijke bron van Zijn genade onze toevlucht nemen en dat tot onderwijzing in de beleving en in de volharding van het geloof dat Hem aankleeft.

Met goede voornemens en schone beloften komen wij bedrogen uit, want dat is een godsdienstig werken vanuit de mens. De Heere wil dat wij leren denken, bidden en leven vanuit Zijn volheerlijke heilsopenbaring. Hij komt met de belofte van Zijn genade tot zondaren, die verre van de gerechtigheid zijn en stijf van hart. Van dag tot dag komt Hij tot ons met de lokstem van het Evangelie, om ons er van te overtuigen dat het redelijk en noodzakelijk is naar Hem te luisteren. Hij alleen kan door Zijn Geest ons hart vernieuwen, Zijn liefde er in uitstorten om de zonden te haten en te bewenen. Hij wil dat wij ons in de weg der bekering met Hem laten verzoenen, want van onze kant is dat totaal onmogelijk.

Maar al hebben degenen die oud zijn niet te worstelen met de zonde der jonkheid, zo liggen zij toch eveneens midden in de dood der ongerechtigheid. Daar het oude zondaarshart door al de tegenstand die het Evangelie geboden werd is verhard, is het nog groter wonder als het komt tot bekering. Doch het kan, wij hebben het meermalen mogen aanschouwen. Satan liegt als hij tot jonge mensen zegt, dat zij nog te jong zijn en tot oude lieden dat het te laat is, daar de Schrift tot allen spreekt van het heden der genade, ’t Geldt voor jong en oud. „Heden, zo gij Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet”.

Anderzijds heeft ’t plaats dat kinderen Gods bij het klimmen der jaren niet zo bijzonder delen in de blijmoedigheid van het geloof. En wat mag daarvan toch wel de oorzaak zijn? Want in de grond der zaak is een oud kind des Heeren toch het gelukkigste mens daar deze dicht bij huis is en de verdrukking niet lang meer zal duren. En dan niet blij in de Heere! Laat ons overdenken onze ongerechtigheden om die te bewenen voor het aangezicht des Heeren, want een onverzoende schuld bezwaart het hart, zodat wij niet met blijdschap over Hem kunnen denken. Eens kwam’ ik voor ’t eerst bij een oude pelgrim van ruim 90 jaar, die met veel blijdschap van de Heere sprak. En waarom? Hij zeide: „Zou ik niet blij zijn in de Heere, daar Hij mij al mijn zonden heeft vergeven”. Delende in Gods verzoenende liefde door de offerande van Jezus Christus denkt het hart als de ouderdom daar is met blijdschap aan de Heere. En toch bleef hij wenen over zijn zonden, want hij vergaf zichzelf de zonde niet. Al wenende over zijn zonde bekwam hij steeds meer klaarheid in de enige en algenoegzame offerande van Jezus Christus.

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.