+ Meer informatie

De Pinksterbeweging V

10 minuten leestijd

De leer van de doop met de Heilige Geest en de geestelijke gaven is het voornaamste kenmerk van de Pinksterbeweging. En die moesten wij afwijzen.

Dat betekent niet dat wij er verder geen bezwaren tegen hebben. Een dwaling staat in de regel niet op zichzelf. Ook in verschillende andere opzichten zijn de opvattingen van de Pinkstergroepen niet in overeenstemming met de Heilige Schrift.

Maar op deze punten zijn ze niet origineel. Inzake de leer van de doop hebben ze immers veel gemeen met de Baptisten, de leer van gemeente en ambt herinnert bij hen aan de Darbisten, hun leer van de heiligmaking is methodistisch en niet zelden perfectionistisch, en hun leer van de laatste dingen is meestal chiliastisch of adventistisch.

Eerst vraagt hun visie op de doop, de kerk en het ambt de aandacht.

De doop

Het ontvangen van de doop met de Heilige Geest is een veel hogere ervaring dan het ondergaan van de doop met water, want de vervulling met de Geest is veel meer dan de wedergeboorte, waarvan de doop het zegel is.

Met een beroep op Rom. 6 omschrijft men de doop als een begraven van de oude mens, en in Hand. 22: 16 leest men, dat de doop de vergeving van zonden is. Om zijn oude mens te kunnen begraven en om in de vergeving van zonden te delen moet men gelovig zijn. Zonder geloof geen doop. Zonder geloofsbelijdenis geen doopsbediening.

Hieruit volgt, dat men evenals de Wederdopers en Doopsgezinden in de 16e eeuw en de Baptisten in later tijd de kinderdoop — de „kinderbesprenging” — verwerpt. Iemand die als kind gedoopt is, wordt in de Pinkstergroepen als niet gedoopt beschouwd.

Maar het is de vraag, of men weet wat de betekenis van de kinderdoop is. Een vooraanstaande figuur als de evangelist Maasbach, die bij het optreden van Osborn in ons land diens medewerker en tolk was, schreef in zijn blad „Genezing”: „De leer dat de kinderbesprenging ons de erfzonde afwast of ons opneemt in het verbond met God is een pertinente leugen en God onterend. De bijbel leert ons dat niet.”

Deze woorden getuigen van weinig begrip en onderscheidingsvermogen. De kerken van gereformeerde belijdenis leren immers niet, dat de erfzonde door de doop weggenomen wordt maar dat de doop een teken en zegel van de belofte van de schuldvergeving is. Ze zeggen niet, dat wij door de doop in het verbond worden opgenomen; dat de kinderen der gelovigen met hun ouders in het verbond begrepen zijn, is juist de grond van hun doop.

Het gaat niet aan om op een dergelijke wijze te opponeren tegen de kinderdoop.

Velen menen er al te zijn met de opmerking, dat de bijbel nergens spreekt over de doop van kinderen, en met het citeren van de tekst: Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden (Mare. 16: 16).

Men vergeet, dat wij deze tekst niet mogen losmaken uit het verband, waarin hij staat. Mare. 16: 16 heeft betrekking op hen, aan wie het evangelie verkondigd wordt (vers 15). Of zij Joden of heidenen zijn, voor hen geldt: Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. De keerzijde is: Maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd (veroordeeld) worden.

Als dit op de kinderen der gelovigen sloeg, zou dit woord niet alleen betekenen, dat de kleine kinderen, die niet kunnen geloven, niet gedoopt mogen worden maar ook dat ze verloren zullen gaan. En die ontzettende consequentie durft men toch niet aan.

Dan zal men ook moeten toegeven, dat het hier niet over de kinderen der gelovigen gaat.

Een letterlijk voorschrift om hen te dopen treffen wij in de Heilige Schrift inderdaad niet aan. Maar zoals de besnijdenis het teken en zegel van het genadeverbond was onder de oude bedeling, is de doop dat in de nieuwe bedeling.

Als de beloften van God ook voor de kinderen zijn, zouden die beloften dan niet aan hen betekend en verzegeld mogen en moeten worden?

Men kan dit alleen ontkennen door aan de eenheid van de oude en de nieuwe bedeling afbreuk te doen. De besnijdenis zou dan in wezen iets anders zijn geweest dan de doop.

Maar men heeft dan geen oog voor de rijkdom van het verbond, dat de Here van kind tot kind wil bevestigen. Men ziet niet, dat de Here met Zijn beloften tot ons gekomen is voordat wij tot Hem kwamen.

Niet Gods verbond en Gods beloften zijn bij de opvatting van de Pinkstergroepen beslissend maar de wedergeboorte en de bekering van de mens moeten eerst gebleken zijn. Dat is een verschuiving naar het subjectieve, die typerend is voor deze mentaliteit.

En werd nu nog maar uitdrukkelijk beleden, dat dit Gods gaven zijn!

Wij horen echter meer spreken over wat de mens doet, die zich laat dopen, dan over hetgeen God doet. De Broederschap van Pinkstergemeenten in Nederland zegt: „De doop is een openbaar getuigenis, dat men Christen geworden is". Het is meer een vrome belijdenisdaad dan een genadedaad Gods (Hutten). Niet alleen is dus de vraag in geding, of de kinderdoop al of niet schriftuurlijk is, maar nog veel meer!

De eenheid van de Heilige Schrift, de eenheid van het genadeverbond in de oude en de nieuwe bedeling, het karakter van het sacrament als teken en zegel van de belofte Gods, en de positie van de kinderen der gemeente staan hier op het spel.

Wat de bediening van de doop betreft, kunnen we begrijpen, dat er zijn, die de voorkeur geven aan de onderdompeling, omdat de symboliek van het sacrament er nog sterker in uitkomt.

Maar men mag de doop door onderdompeling niet als de enige bijbelse doop voorstellen, zoals dat hier gebeurt.

Het moge indrukwekkend zijn om de doop zeer bewust als de grote overgang te beleven, maar het moet niet minder indruk op ons maken, dat de Here in de kinderdoop al tot ons zegt, wie Hij voor ons wil zijn. Juist de kinderdoop is het klaarste bewijs, dat Hij de Eerste is.

Bij een doop op de gebruikelijke wijze gaat het water alleen over het hoofd van de dopeling. Dat heeft echter dezelfde betekenis als wanneer het over het gehele lichaam gaat, want het hoofd vertegenwoordigt de persoon.

De doop spreekt altijd van zonde en genade, van dood en leven. De doop zegt, wie wij zijn in onszelf en wat wij in Christus hebben.

Dat men in de Pinkstergroepen zo staat op de onderdompeling hangt samen met de gedachte, dat zo tot uitdrukking kan worden gebracht, dat men zijn oude mens wil begraven om met Christus tot een nieuw leven op te staan. Wij willen niets afdoen van de noodzakelijkheid van wedergeboorte en geloof, maar het sacrament verzegelt niet iets in ons. God verzegelt Zijn belofte aan ons. Ook als wij de doop ná belijdenis hebben ontvangen, was dat geen bevestiging van onze geestelijke beslissing maar van Gods heilsbelofte.

Het zou er donker uitzien als de waarheid van het sacrament van ons geloof, onze belijdenis en onze beleving afhing. Als dat zo was, zou twijfel aan eigen geloof — en die kan bij ons opkomen — ook onze doop betreffen. Dan zouden wij, als ons geloof in de crisis is geraakt, niet meer kunnen pleiten op onze doop.

Bij deze beschouwing, die in principe die van de doperse richting is, waartegen de Reformatie een felle strijd heeft moeten voeren, blijft van de doop als genademiddel nauwelijks iets over!

Het is de vraag, of men dat zelf wel beseft. Waarschijnlijk staat de doop door onderdompeling hier geheel in de schaduw van de doop met de Heilige Geest en wordt hij gezien als een eerste stadium op de weg naar dat hoge ideaal.

Kritiek op kerk en ambt

Het woord „kerk” heeft bij de sekten geen gunstige klank. Men denkt daarbij aan de kerken met haar geschiedenis, haar gebouwen, haar leer, haar ambtsdragers en haar leden, die het voor een deel alleen maar op papier zijn. Het is ook echt niet moeilijk om allerlei aanmerkingen op de kerk te maken. Ze bestaat uit mensen met zonden en gebreken en ze is lang niet volmaakt Maar naar het oordeel van de meeste Pinkstergroepen deugt er niets van. Men ziet nog wel enig verschil tussen de grote kerk en enkele kleinere kerkgemeenschappen en noemt niet àlle kerken „Babel”, maar overal ontdekt men vervlakking en verstarring.

De Pinkstergemeenten willen zich openstellen voor de werking van de Heilige Geest, waar de kerken zich voor zouden hebben afgesloten. In de kerken heeft men instellingen, ambten en regels, maar waar de Geest is. daar heerst vrijheid.

Met een beroep op de Geest miskent men de ambten, die de Here heeft ingesteld.

Niet allen gaan zover, dat ze in het geheel niet willen weten van enige leiding, die door mensen gegeven wordt.

In zijn bekende boek over de geestelijke gaven waarschuwt Donald Gee b.v. tegen een „ultra-democratische en wetteloze richting”, die allen op één lijn stelt, die tot de gemeente behoren. Volgens hem is dit het ideaal, dat met de vrijheid voor allen om deel te nemen aan de geestelijke bediening de erkenning gepaard gaat, dat sommigen van Godswege zijn aangewezen voor de dienst van het leiderschap en begiftigd zijn met bepaalde bedieningen zoals apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars.

Omdat in Pinksterkringen het gevaar bestaat, dat de profetie wordt overschat, wijst hij erop, dat profeten en leraars elkaar moeten aanvullen en in evenwicht houden. Door de leraars, die de gave der kennis hebben, spreekt de Geest tot het logische in de mens en door de profeten tot het emotionele in hem. „Profetische en emotionele bediening treedt in de regel naar voren in tijden van opwekking, maar ontaardt gemakkelijk in de fout van fanatisme, tenzij zij in evenwicht wordt gehouden door onderwijzing en nuchtere bediening. Onderwijzing vangt de terugwijkende golf van opwekking op. totdat opnieuw het oude profetische vuur zich laat gelden en de gemeente opnieuw door diepe emotie wordt bewogen.”

Ook Steiner spreekt over de apostelen, profeten, herders, leraars en evangelisten, die in de gemeente te erkennen zijn.

Het apostolaat bestaat voort, want er zijn ook nu mensen, die zich onderscheiden door een persoonlijk van Christus ontvangen roeping en volmacht, en vooral door hun bediening, die daarmee in overeenstemming is. In deze zin zou de Pinksterbeweging op ware apostelen van Christus kunnen bogen! De profeten zijn te herkennen aan een uitgesproken profetische gave. Aan de herders wordt de leiding van de gemeente meer speciaal toevertrouwd. En dan zijn er behalve de leraars nog evangelisten, mannen als Branham, Osborn en Roberts.

Het is eigenaardig, dat men in de Pinksterbeweging op biblicistische wijze kan blijven staan bij de letter van een tekst (Efeze 4: 11) maar aan andere Schriftgegevens geheel voorbijgaat.

Herders en leraars zijn blijkens de grondtekst in Efeze 4 geen twee categorieën ambtsdragers! De apostelen hebben een geheel enige plaats in de openbaringsgeschiedenis. En de ouderlingen en diakenen, over wie het Nieuwe Testament herhaaldelijk spreekt, tellen bij de Pinkstergroepen niet eens mee!

Hier verraadt het zich, dat men zich in zijn denken over de gemeente niet door het Woord van God laat leiden. Degenen die met de Geest vervuld zijn, staan hier in het middelpunt. Voor conferenties van voorgangers is plaats, voor kerkelijke vergaderingen niet.

Geen dienaren des Woords, geen ouderlingen en geen diakenen! Alsof de Heilige Geest alleen mensen met bijzondere charisma’s gebruiken kan, en alsof Hij Zich niet zou bedienen van ambtsdragers, die door de gemeente onder biddend opzien tot God gekozen worden.

Alles moet bij de Pinksterbeweging geestelijk zijn, en het is dikwijls zo puur menselijk. Vandaar ook de interne conflicten, die niet bepaald een bewijs zijn van de vervulling met de Heilige Geest.

De geschiedenis van de Pinksterbeweging, zegt Hutten in „Geloof en sekte”, is één lange keten van splitsingen, nieuwe aaneensluiting in werkgemeenschappen en nieuwe scheuringen.

Deze beweging heeft veel kritiek op de kerk — en niet altijd ten onrechte — maar ze moest zichzelf eens meer onder de kritiek van het Woord stellen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.