+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog

7 minuten leestijd

36

Toen de stad vanuit de grote beroering weer wat tot bezinning gekomen was, had dat ook een gunstige invloed op de gevangenen. Die hadden er moed door gekregen verder te gaan in het smeken om ontferming, een plan te vormen weder een verzoekschrift in te leveren. Al spoedig leverden zij een derde request in, waarvan de inhoud was: „Vorst Immanuël, de grote Heer van de ganse wereld en meester der barmhartigheid; wij, burgers van Uw arme, snode, ellendige stervende stad Mensziel, belijden voor Uw grote heerlijke Majesteit, dat wij gezondigd hebben tegen Uw Vader en tegen U. En dat wij niet waardig zijn langer Uw Mensziel genaamd te worden, maar veeleer verdienen in de poel geworpen te worden. Zo Gij ons wilt veroordelen tot de afgrond, wij kunnen niet anders zeggen dan dat Gij rechtvaardig zijt. Wij kunnen niet klagen over iets wat Gij doet, of over de wijze waarop Gij U jegens ons gedraagt. Maar ach! laat Uw barmhartigheid heersen en laat ze uitgebreid worden ook tot ons! O, laat Uw ontferming op ons vallen en bevrijd ons van onze overtredingen en wij zullen zingen van Uw barmhartigheid en van Uw oordelen. Amen.”

Dat request aldus opgesteld, was geschikt om de Vorst toegezonden te worden, gelijk het eerste. Maar nu was de grote vraag wie het zou brengen. Enigen zeiden: „Laat hij het doen, die met het eerste heenging,” maar anderen keurden dat niet goed omdat zijn zending niet meer vrucht had gedragen. Daar was nu een oud man in de stad, met name mijnheer Goed werk. Een mens die alleen de naam, maar niet de natuur der zaken had. Enigen sloegen voor, dat men hem zou zenden, maar de heer Consciëntie wilde dat geenszins toestaan. „Want,” zeide hij, „de natuur der zaken hebben wij nu juist nodig, wij bidden om barmhartigheid derhalve zo wij een man zenden, die zulk een naam draagt, dan zouden wij ons ganse verzoekschrift tegenspreken.

Zouden we mijnheer Goedwerk tot onze bode maken, terwijl ons request om barmhartigheid roept?” Behalve dit”, zo ging de oude edelman voort, „indien de Prins, als Hij het ontvangt eens vroeg (gelijk ’t licht kon gebeuren) Hoe is uw naam? en zo gij daarop zoudt antwoorden Goedwerk de oude, wat meent ge zou Immanuël wel iets anders hierop zeggen dan: Ei, is de oude Goedwerk nog binnen Mensziel in ’t leven, laat dan de oude Goedwerk u van uw benauwdheid verlossen.” En indien Hij zo spreekt, ben ik zeker dat wij allen verloren zijn, ja duizend zulke oude Goede werken Mensziel niet kunnen behouden. Nadat de heer Consciëntie redenen gegeven had waarom Goedwerk de oude met dit request niet heen moest gaan naar Immanuël, stelden zich de gevangenen en de voornaamsten in Mensziel daar ook tegen en zo werd Goedwerk de oude terzijde gesteld. En werd men het eens om mijnheer Begeerte dus opnieuw te zenden. Deze verzochten zij dus opnieuw met hun request naar de Prins te gaan en vonden hem daartoe genegen. Maar zij drukten hem op het hart toch alle zorg te dragen, opdat hij noch door woorden, noch door gedragingen enig misnoegen gaf aan de Prins. „Want door dat te doen zoudt ge”, zeiden zij. „Mensziel in de diepste ellende brengen.”

De ernst der zaak werd in Mensziel al gaandeweg steeds meer gevoeld, „om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om de Heere te bereiden een toegerust volk.” U kunt het bemerken dat het geestelijk leven in Mensziel steeds meer diepgang bekwam. De stad kreeg tot verlossing uit haar ellende behoefte aan de Heerser „Wiens uitgangen zijn vanouds van de dagen der eeuwigheid”.

Mijnheer Begeerte, ziende dat zijn medeburgers hem deze boodschap opgelegd hadden, verzocht, dat men hem zekere heer Natoog mee zou geven. Deze meester Natoog was een naaste buurman van de heer Begeerte, een arm man, een man van gebroken geest. „Maar de offerande Gods zijn een gebroken geest, een gebroken en verslagen hart zult Gij o God, niet verachten.” Meester Begeerte weet, dat de breuk die geslagen is door de zonde beweend moet worden. En daar let Vorst Immanuël op. Hij is dan ook gekomen met de Goddelijke opdracht die breuk te helen. En hoe zou dat kunnen als die breuk niet beweend wordt. Maar desniettemin is meester Natoog een man die zeer wel kan spreken, bijzonder om iets te verzoeken. Daar hij de diepe kloof beleefde in een levend gemis van Gods zoete gunst en zalige gemeenschap, kon hij zo krachtig spreken uit dat gemis. Hij had er behoefte aan zijn zonde voor de Heere te bewenen. Dus lieten zij toe dat die met hem ging en deze twee schikten zich tot de reis. Mijnheer Begeerte deed een strop om de hals en mijnheer Natoog ging heen met gevouwen handen en zo kwamen zij aan des Prinsen tent.

Toen zij nu ten derde male met een request kwamen, waren ze niet zonder vreze of ze wel door hun veelvuldig komen de Prins tot last zouden worden, waarom zij, toen zij aan de deur van Zijn tent kwamen, eerst een verdediging voor zich maakten dat zij zo dikwijls kwamen en Immanuël lastig vielen. Maar zij zeiden ook, dat zij niet kwamen om Hem moeilijk te zijn of omdat zij er een welgevallen aan hadden zichzelf te horen spreken, maar omdat de nood hen drong tot Zijne Majesteit te komen. Zij konden gelijk zij zeiden, dag noch nacht rusten vanwege hun overtredingen tegen El-Schaddai en tegen Immanuël Zijn Zoon. Zij vreesden ook dat Ontwaakte Begeerte de laatste maal door enige onhebbelijkheid aan Zijn Hoogheid enig misnoegen mocht gegeven hebben en daardoor oorzaak geweest zou zijn, dat ze van een zo barmhartig Vorst zo ledig en zonder gunstbewijs waren weggegaan.

Toen zij deze verantwoording gedaan hadden wierp Begeerte zich plat tegen de aarde aan de voeten van de machtige Prins, gelijk hij te voren gedaan had, zeggende: „Och dat Mensziel voor U leven mocht”, en gaf zo zijn request over. De Prins dat gelezen hebbende, ging evenals de vorige maal een wijle terzijde af en terugkomende ter plaatse waar hij die ’t verzoek gegeven had ter aarde lag, vraagde Hij zijn naam en van welke staat hij in de stad was, omdat hij juist boven al de menigte die in Mensziel woonde, gezonden werd met deze boodschap. Eilieve, ga dit toch voorbij, zeer geliefde Prins, en neem er toch geen acht op wie ik ben, wijl er gelijk U zeer wel weet, zulk een groot ongelijk is tussen U en mij. En laat dit U welgevallig zijn en wil U tot barmhartigheid neigen, maar vraag toch niet wat Uw knechten zijn!”

Daarop viel Natoog met zijn aangezicht ter aarde en maakte deze apologie voor de Prins, daar hij met zijn buurman meegekomen was, zeggende: „Ik zie slijk in mijn eigen tranen en vuiligheid op de grond van al mijn gebeden. Maar ik bid U (en dit zei de arme man al wenende) dat Gij toch deze overtredingen niet gedenkt en geen misnoegen opvatten wilt over de onbekwaamheid Uwer knechten, maar dat Ge de zonde van Mensziel genadig wilt voorbijgaan en U niet langer onthouden van de verheerlijking Uwer genade.”

Opnieuw is het de boetvaardige stedelingen genadig vergund het hart uit te storten voor Immanuël, de Gezondene van Koning ElSchaddai. In het stof der verootmoediging mochten zij hun zonden belijden en bewenen en smeken om genade. Met diep ontzag voor de majesteit van Zijn Woord waren zij al bevende voor Hem. En toch hopende op Zijn goedertierenheid, want zij werden er door tot Hem aangetrokken. „Hoe dierbaar is Uw goedertierenheid, o God! dies de mensenkinderen onder de schaduw Uwer vleugelen toevlucht nemen.”

Bevende bleven zij wachten op het antwoord van Immanuël. En wat zou dat inhouden? Jozef hield zich verborgen en sprak hard met zijn broeders. En dat is een zware beproeving.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.