+ Meer informatie

Geestelijke ligging III

15 minuten leestijd

PRAKTISCHE BENADERING

In de voorgaande artikelen is terloops wel aan de dag getreden dat wij in de ambtelijke bearbeiding, zowel in prediking als huisbezoek, hebben te rekenen met bepaalde liggingen, die er zijn. Wij kunnen bij het ambtelijk werk niet alleen uitgaan van het Woord Gods en de kerkelijke regels, wij moeten ook de mensen in het oog vatten in hun eigenheid en eigenaardigheden. Doen wij dit niet dan verliezen wij de werkelijkheid uit het oog en lopen gevaar moeilijk contact te krijgen met de mensen in de ambtelijke ontmoetingen. Juist vandaag, nu tengevolge van allerlei maatschappelijke invloeden de samenstelling van verschillende kerken veranderen, is het nodig met de verscheidenheid, die er onder de gemeenteleden is rekening te houden ook, daar waar dit voorheen niet zo duidelijk aan de dag trad.

Het is ook niet de opdracht door de ambtelijke arbeid alle leden van de gemeente naar één patroon te vormen. Daarom zal men ook niet, wanneer men op bezoek komt en ontdekt met mensen van een andere ligging te doen te hebben, deze onmiddellijk vanuit de eigen ligging mogen beoordelen. Goed te kunnen luisteren is altijd nodig voor een ambtsdrager, maar hier wel bizonder. Het is immers mogelijk dat twee mensen, die de Here vrezen, niet op precies dezelfde manier denken, spreken en leven omdat zij uit verschillende achtergronden komen en een verschillende ligging hebben. Wanneer er alleen maar gelet wordt op het verschil tussen beide komt er moeilijk contact. Dit laatste gebeurt veel vlugger dan wanneer men wat meer tijd neemt, goed luistert en overweegt en tot de ontdekking komt dat er ondanks de verscheidenheid een diepere eenheid is. Waar de vreze Gods aanwezig is móet men elkaar toch kunnen vinden. Het verschil zal in bepaalde gevallen tot een verschil in benadrukken van het één boven het ander terug te brengen zijn.

Wat men bij het verschil in ligging ook in het oog moet houden is dat het mogelijk is, binnen de grenzen van Schrift en belijdenis, bepaalde waarheden een bizonder accent te geven. Zo kan men b.v. sterke nadruk leggen op het zondaar zijn van de mens, zijn onmacht, onwaardigheid, onwil, onmogelijkheden enz. Er zijn echter ook andere zaken geopenbaard als de zoekende barmhartigheid Gods, de nodiging tot Hem te komen; Hij geeft in Zijn genegenheid tot ons Zijn verbond en belofte en wekt ons op in Zijn wegen te wandelen.

Een bepaalde eenzijdigheid kan teweeg brengen dat men wat de Schrift nog meer zegt uit het oog verliest. Hier moet het mogelijk zijn vanuit de gemeenschappelijke basis, de Heilige Schrift, elkaar te benaderen. Wie onmiddellijk begint de ene eenzijdigheid met de andere te bestrijden zal niet bereiken wat in een rustig gesprek wel mogelijk is. Het gaat immers om de overmacht, die de gehele Waarheid over ons moet en mag krijgen.

Het lijkt mij nu voor een verdere bespreking van de benadering van verschillende liggingen het meest gewenst daarbij niet de volgorde van het voorgaande artikel te kiezen, waar wij op bescheiden wijze een onderzoek instelden naar de achtergronden, waaruit deze verschillende liggingen kunnen verstaan worden.

Ik kies enkele trekken uit de bestaande liggingen, die bij een ontmoeting meestal naar voren komen.

Allereerst denk ik aan de subjectivistische inslag, die we bij sommige liggingen aantreffen. Zij leggen alle nadruk op wat er met de mens gebeuren moet. Dat is het voornaamste, dat moet onderwerp van de prediking zijn, zulke teksten moeten gekozen worden, die daarover handelen en zo moet heel het Woord Gods verstaan worden als een omschrijving van „de Weg” die God met de mens gaat en die deze mens zelf moet gaan. Daarvan moet de mens weet hebben en dat moet zijn zekerheid zijn, dat hij op deze weg is. Bij sommigen wordt deze weg zeer omstandig gezien als een reeks - min of meer bewust - doorleefde ervaringen; bij meer dogmatische naturen worden de delen van de orde des heils als de doorleefde stadia van de weg des behouds gezien.

Er zijn vele zeer ernstige zielen, die heel hun leven met deze „weg” bezig zijn en de ervaringen daarvan zoeken. Soms hebben ze hoop dat zij op weg zijn maar bij velen eindigt hun gedachtengang in een vraagteken. „Ik vrees dat ik nog alles mis en dat mijn werk geen waarheid is.” Er is in deze harten wel liefde maar weinig licht. Alleen misschien „bij tijden en ogenblikken”.

Ik noemde dit subjectivistisch omdat bij deze lieden eigenlijk alleen oog is voor wat in de mens geschiedt. Dat zij oog hebben voor het subjectieve (onderwerpelijke, bevindelijke) is goed maar dat zij daar alléén, of in hoofdzaak, op letten is niet juist.

Men moet in een gesprek hen dan ook niet een etiket opdrukken van: ziekelijk of wat dan ook, men moet hun toestemmen dat het juist is aan Gods werk in ons aandacht te geven. Dat is naar de Schrift. De prediking en de geestelijke leiding in de ambtelijke arbeid moet daaraan zeker aandacht geven. Doet zij dat niet, dan doet zij tekort aan de openbaring Gods.

Er is echter meer dan dat alleen. Er zou in ons niets kunnen geschieden wanneer God over ons geen gedachten des vredes had en in Christus de volheid des heils niet geopenbaard had, en ons dit in Zijn Woord verkondigt en dat uitstalt en bezegelt in de sacramenten.

Bij het alsmaar zoeken in ons zelf blijft zo vaak het werk Gods in Christus en de volheid der genade in Hem buiten het gezicht. Wij zoeken dan wel het heil maar niet allereerst daar waar het te vinden is ni. buiten ons. En het blijkt telkens bij zulke toch oprechte zoekers dat men de onderwijzing des Geestes te weinig verstaat, Die juist Christus verheerlijken wil en ons wil leren uit Zijn werk te leven. Hij is ons geworden tot rechtvaardiging, heiliging en volkomen verlossing. Ook zal men niet mogen nalaten er op te wijzen dat het heil Gods in de weg des ge-Ioofs ontvangen wordt en dat de weldaden des heils in het geloof deelachtig gemaakt worden. Een geloof, dat zich niet allereerst richt op wat wij zelf zijn en van onszelf geloven, maar waardoor wij Christus worden ingelijfd en al Zijn weldaden deelachtig worden. Veelal zal men dan antwoorden dat men toch zo maar niet kan geloven en dat het geloof een gave des Geestes is. Volkomen juist. Maar de Heilige Geest leert ons geloven. De Heilige Geest gelooft niet voor ons. Hij leert het ons en doet dat door de verkondiging van het heilig evangelie. En op deze onderwijzende, uitlokkende en nodigende arbeid van de Heilige Geest hebben we acht te geven en daar niet altijd ons „jamaar” tegenover te stellen. Wij kunnen dan de Geest Gods bedroeven.

Wij mogen dergelijke oprechte harten ook troosten. Niet met de verzekering dat het wel goed met hen is maar dat de Heere veel meer heeft en schenken wil dan zij zien en geloven durven wanneer zij leren letten op de wegen Gods en niet altijd op de eigen weg hun aandacht richten. Een dergelijk gesprek kan onder Gods zegen vruchtbaar zijn en de eenzijdigheid van een bepaalde ligging onder de aandacht brengen. Dat vraagt geduld en liefde. Maar zo vervult men tegelijk een beschermende taak. Gemakkelijk gaan zulke lieden toch elders hun „voedsel” zoeken en blijven ze dezelfde mensen zonder op te wassen in de kennis en de genade van onze Here en Zaligmaker Jezus Christus.

Soms heeft men ten opzichte van zulke mensen, die zo sterk op het subjectieve ingesteld zijn en enkel bezig zijn met de in-zichzelf gekeerde vraag naar hun uiteindelijke behoudenis, een taak ze er op te wijzen, dat wie God begeert te vrezen, ook hier en nu in het leven van elke dag en in de gemeente, waarin men leeft, een roeping heeft.

Bij sommige liggingen zal men ook aantreffen een zekere onderwaardering van de middelen der genade. Niet dat men deze minacht, zó niet, maar het is toch maar het uiterlijke. Soms ziet men ze alleen maar als een mogelijkheid, een kans om eens met het eigenlijke, het geestelijke in aanraking te komen. Men heeft dan dit geestelijke, het eigenlijke, geheel losgemaakt van de middelen, de wegen, waarin dit geschonken wordt. Hier is een spiritualisering, die niet Schriftuurlijk is.

Men verwacht te weinig van de verkondiging van het Woord. Teveel heeft men de prediker centraal gezien en niet het Woord dat verkondigd wordt. Daardoor behaagt het de Heilige Geest zijn werk te doen in het leven van mensen. Wie daaronder verkeert vertoeft op het krachtenveld des Geestes. De Reformatie heeft dat weer voluit verstaan. En dat was naar de Schrift, waar gezegd wordt, dat het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods. En op een andere plaats: dat wij wedergeboren worden door het levend en eeuwigblijvend Woord van God en dat dit Woord onder ons verkondigd wordt. Het is door ons niet precies te ontleden noch onder woorden te brengen en evenmin bij onszelf altijd precies te constateren dat de Geest Gods onder de bediening van het Woord de harten inwint voor het zaligmakend geloof. Hoe ver kan iemand soms niet terug gaan in zijn leven, als hij terug mag zien, om zich te herinneren het kloppen Gods aan de deur van het hart? Er is een organische werking des Geestes onder de prediking, die zij, die dit bedienen van het Woord alleen maar een uitwendige zaak achten, voorbijzien. Het is een voorrecht op te gaan onder de zuivere bediening van het Woord Gods. Zalig zijn zij, die er heil uit wachten, en zo verwachtend opgaan. Daar leert de Heilige Geest uitgaan op Zijn spreken en Christus verschijnt er in het gewaad van de Schrift.

Merkwaardig is ook bij vele liggingen dat het sacrament van de doop in het geheel geen waardering ontvangt. Bij sommigen treft men zelfs een voorkeur voor de vol-wassendoop aan. Aanvaardt men de kinderdoop, het is niet zelden uit traditie. En dat deze doop ook voor het geestelijke leven van grote betekenis mag zijn komt bij velen nooit in de gedachten. De doop is een kinderzaak voor hen. Dat de telkens herhaalde doop in de gemeente voor allen een prediking is van Godswege, die ons zo dringend, beschamend, rijk en duidelijk de weg des heils betekent en bezegelt, wordt tot veler geestelijke schade niet beseft. Zelfs vinden sommigen de tijd aan de doop besteed in de dienst maar verlies. En toch kon dit zo anders wanneer verstaan werd dat de doop heel ons leven een tot ons persoonlijk (immers op naam) gebrachte boodschap des Heren is.

En de prediking, die het formulier voor de kinderdoop daarbij geeft, is bizonder vol van geestelijke onderwijzing. Ik kan daar hier niet in den brede op ingaan. Maar in een gesprek, dat dit weet te benutten op de juiste wijze, kan geestelijke leiding gegeven worden, die de weg des heils wijst, zoals de Here die geopenbaard heeft. En ik meen te mogen zeggen, dat dit niet alleen van betekenis is voor mensen met een bizondere ligging. Overschatting en misvatting ten opzichte van de doop zijn bij velen een belemmering geweest om tot de rechte geestelijke waardschatting te komen. Ten opzichte van het H. Avondmaal staan bij velen de zaken ook moeilijk. In sommige liggingen is daaromtrent veel misverstand. Ook zijn hieromtrent veel tradities gegroeid, die van ouder op kind overgaan. Sommigen gaan zelfs zo ver te menen dat men, omdat het zoveel misbruikt wordt naar hun mening, men beter geen avondmaal houden kan. Trouwens, zo meent men, men kan ook zonder de tekenen avondmaal houden in de levende gemeenschap met de Here zelf.

Zo vanzelfsprekend velen in verschillende liggingen de kinderdoop vinden, zo onvanzelfsprekend vindt men het ten avondmaal gaan. Nu moet men in een gesprek daarover niet op het ten avondmaalgaan zonder meer als een vanzelfsprekende zaak aandringen. Bij het H. Avondmaal komt het persoonlijke sterk uit. Wij dienen er in een bepaalde bewustheid aan deel te nemen. Er is van de kant Gods in het avondmaal een zeer bizondere uitbeelding en bevestiging van het heil des Heren, waarin verschillende accenten liggen. Wie de Here kinderlijk vreest en Hem van harte zoekt mag (en moet) wat de Here schenkt aanvaarden en daarin de dood des Heren verkondigen. Avondmaal vieren is niet zo iets uitzonderlijks dat het slechts aan enkelen gegeven is; het behoort bij de kinderlijke vreze des Heren.

Men gaat niet ten avondmaal op grond van de zekerheden over ons zelf maar het grote is dat de Here temidden van onze onvolkomenheden in het geloven, ja van onze ellende, schuld en zelf veroordeling tot ons komt om Zijn heil aan ons te bevestigen en op deze wijze ons geloof te versterken. Men mené niet dat men in een enkel gesprek de misvattingen ten opzichte van deze dingen weg neemt. Hier is een liefdevolle en schriftuurlijke benadering nodig bij hen die er oprecht mee bezig zijn.

Wanneer er maar koud en hard geredeneerd en geoordeeld wordt over deze dingen en men een zekere zelfrechtvaardiging zoekt in het afblijven, omdat men het niet zo gemakkelijk zegt te nemen, dan kan men anders spreken. Zeg dan gerust dat het verschrikkelijk is zijn degelijkheid te zoeken in wat men niet doet ten opzichte van de tere heiligheden des Heren en in een hard oordelen over hen, die wel aangaan. Dit oordeel valt op hen zelf terug als zij de bekering des harten niet zoeken.

Het kan ook zijn dat een bepaalde ligging leidt tot een verstandelijk hanteren van de ernstigste waarheden. Er is verschil tussen werkelijke ernst met een eenzijdige visie op de waarheid en een ingenomen positie van waaruit men alle verantwoordelijkheid van de mens afwijst en zich terugtrekt in een kille lijdelijkheid. Men hanteert soms een koud en hard systeem, velt een scherp oordeel over anderen, heeft bepaalde figuren, die men verheerlijkt en stijft zich met wat deze gezegd of geschreven hebben — naar hun mening dan — en blijven overigens onbewogen onder wat zij zeggen terwijl zij soms — jammer genoeg — een weinig nauwgezet leven leiden.

Tot zulken zegge men dat niet alleen het deel hebben aan de zonde van Adam ons veroordeelt maar dat wij ons oordeel verzwaren door onbekeerlijk te leven terwijl wij onder het evangelie verkeren.

Er zouden nog meer opmerkingen te maken zijn over de ontmoeting in het ambtelijke werk met hen, die subjectivistisch liggen of daarvoor willen doorgaan. liet zou eenzijdig zijn daarop alleen te letten; er is ook een objectivistische ligging. En deze is niet minder eenzijdig.

En ook niet minder gevaarlijk; ja, eigenlijk nog gevaarlijker. Bij de eerstgenoemde groep zijn velen, die wel tot nieuwe mensen geboren zijn, maar die niet tot geestelijke groei en vastigheid komen, omdat ze deze zoeken in een weg, waarin ze niet gevonden wordt. Bij de tweede groep is te vrezen dat er velen zijn, die zich op een bepaalde wijze toerekenen waaraan zij toch eigenlijk geen deel hebben. Het christen zijn krijgt dan iets vanzelfsprekends. Is de eerste groep te individualistisch — ze ziet alleen zichzelf — de tweede groep verliest de individualiteit van het leven des ge-loofs uit het oog. In het voorgaande artikel wees ik er al terloops op dat men bij deze instelling verschillende uitgangspunten kan hebben. Altijd concludeert men van het algemene tot het persoonlijke. Men belijdt met anderen de waarheid Gods, behoort tot de gemeente, is in het verbond, leeft in dit alles mee in trouw, zonder bizondere afwijkingen of nalatigheden, en heeft in dit alles een zekere vreugde. Toch heeft men er geen weet van dat het ware geloof persoonlijk schuldbesef kent en ook een persoonlijke begeerte naar het heil dat in Christus is. Er is wel een aanvaarden van alles waarin en waaronder men leeft maar geen doorleving daarvan voor zichzelf. Het persoonlijk geloof is een bizondere wijze van kennen, waarbij een geestelijk doorleven daarvan het kenmerkende is. Dan is er niet maar een redenering vanuit een algemene aanvaarding maar vooral een bevinden van de waarheid Gods voor ons persoonlijk. En dat doorleven kent zijn wisselingen en moeilijkheden die de beredeneerde conclusie niet verstaat. Men kent geen gemis en heeft alles met het gevaar van het besef: wat ontbreekt mij nog. Onwillekeurig denkt men hier aan de figuur van de rijke jongeling en de geruste in Sion. Men meent rijk en verrijkt te zijn en aan niets gebrek te hebben en weet niet van eigen armoede.

De fout is hier niet dat men de weldaden, die God geeft aan zijn gemeente hoogacht maar dat er niet op de juiste wijze uit geleefd wordt en er eigenlijk geen plaats is voor en geen behoefte aan de onderwijzende en vervrijmoedigende werking van de Heilige Geest.

Het leven is daarvoor te vlak en te verstandelijk zonder meer. Het hapert er hier niet aan dat men moeilijk over zichzelf spreken kan door een persoonlijke geaardheid of door schuchterheid, maar men wil daarover eigenlijk geen gesprek. Soms is daar een innerlijk verzet tegen, men wil het niet.

Bij een dergelijke ligging zal men in het gesprek moeten doen uitkomen dat het waarachtig geloven niet alleen een voor waar houden is maar ook een doorleven met ons diepste zijn, zowel in droefheid, vrees, zelfmishagen en veroordeling die daarmede gepaard gaan alsook in de liefde, begeerte, verlangen en hartelijke vreugde, die daarin gevonden worden.

En het is de Here zelf, die door dit alles heen Zijn heil in ons gestalte geeft en voor ons maar buiten ons in het volbrachte en blijvend werk van Christus ons de vastigheid al meer doet zoeken en vinden.

Een objectivistische ligging, zo moet gevreesd, mist het leven, dat leven geeft en leven doet met al de variaties, die leven nu eenmaal heeft.

Naar het vastgestelde schema moeten deze artikelen nodig beëindigd worden — ik heb het gevoel dat ik al te veel ruimte nam — niet omdat er niet meer stof zou zijn maar alles heeft zijn bestemde tijd.

Wat ik bij de aanvang heb gezegd herhaal ik: ik heb gepoogd enkele stippellijnen te trekken waarlangs men wat verder kan denken voor het ambtelijke werk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.