+ Meer informatie

Een slaande echtgenoot en een veranderde echtgenoot

4 minuten leestijd

Door twee binnengekomen reacties, die mij na het afsluiten van mijn laatste bijdrage over echtscheiding bereikten, voel ik mij verplicht hierop in het kort in te gaan. Maar dan echt voor de laatste keer.

Ik wil geenszins zeggen dat over echtscheiding nu ook het laatste woord gezegd zou zijn. Wel moet het mij van het hart dat ik uit de ontvangen reacties de indruk heb gekregen dat het voor de betrokkenen kennelijk een bezwaar is deze nood met hun eigen predikant te bespreken. Is er zo weinig vertrouwen in de eigen herder, of vindt u wellicht bij hem geen gehoor? Wanneer dat de reden van uw schrijven is, dan is dat een teken aan de wand voor het kerkelijke leven. Bedenkelijk en benauwend. Anders ligt het uiteraard als u met uw geuite zorgen en uw worsteling daarmee voor Gods aangezicht, anderen op een geestelijke wijze wilt bemoedigen en vertroosten. Anderen, die door allerlei spanningen binnen het huwelijk soms te lichtvaardig tot echtscheiding besluiten. Duidelijk ligt deze laatste bedoeling ten grondslag aan de uitvoerige brief die ik ontving toen ik mij juist had voorgenomen niet verder over dit onderwerp te schrijven.

Klappen
Enerzijds is de inhoud van de brief bedroevend. Een vrouw in nood is aan het woord. Slechts een halfjaar gelukkig getrouwd geweest. Toen vielen de eerste klappen, in de meest letterlijke zin van het woord. Door allerlei voorvallen daarna -die te teer zijn om te vermelden- is er een schaduw gevallen over haar huwelijksleven. Begrijpelijk. Het bracht verwijdering en wrijving in de omgang met elkaar. Bij tijden was er nauwelijks enig contact. Man en vrouw hepen in een en hetzelfde huis langs elkaar heen. Als vreemden voor elkaar! Een huwelijksleven dat vele malen op instorten heeft gestaan. En toch, ondanks de soms niet te dragen eenzaamheid, geen stappen ondernomen om tot ontbinding van het huwelijk te komen. Het is voor haar onmogelijk, omdat de Heere het verbiedt: „Gij zult niet echtbreken." In haar ziel stormt het menigmaal, en de gedachten om anders te handelen komen dikwijls naar boven. Door Gods ondersteunende genade bleef zij er echter voor bewaard haar gedachten ten uitvoer te brengen. Zij ervaart in moeilijke ogenblikken de kracht van Boven en ziet dit als een bijzondere zegen. Daarom wil zij het allen op deze wijze toeroepen: „Verbreek de echt niet. Laat de Naam des Heeren door de wereld niet gelasterd worden." Deze hartelijke oproep maakt deze bedroevende brief anderzijds ook bemoedigend.

Niet meer dezelfde
Van geheel andere aard is de volgende reactie. Een lezer, die zich weliswaar kon vinden in wat in "Pastoraal" was opgemerkt, maar die geen raad weet met de huwelijkssituatie waarin hij is terechtgekomen. Openhartig bekent hij dat het niet "echt" slecht gaat in zijn huwelijk, maar innerlijk voelt hij zich van zijn vrouw vervreemd. Hij geeft eerlijk toe dat hij niet dezelfde is die hij aan het begin van het huwelijk was. Eerder leefde hij kerkelijk nauwelijks mee. In het huwelijk is daar verandering in gekomen. Concreet komt zijn vraag hierop neer: „Hoe moet ik denken over Gods leiding in mijn leven en mijn keuze voor de vrouw met wie ik trouwde? Kan ik zeggen: God heeft dit zo gewild?"

Voorbeeld
Niet eenvoudig om daar een afdoend antwoord op te geven. Hier gaat het om Gods voorzienigheid en de verantwoordelijkheid van de mens. Als deze lezer van harte gelooft dat hij zijn vrouw als uit Gods hand heeft ontvangen -zoals het huwelijksformulier dat omschrijft-, dan zou er veel van zijn probleem zijn opgelost. Ik betwijfel echter of hij zo het huwelijk is begonnen. Vermoedelijk niet, gelet op de verandering die later in zijn leven is opgetreden. Hierdoor is deze vraag juist al sterker gaan leven en het heeft bij hem, om het maar voorzichtig te zeggen, schuldgevoelens opgeroepen. Deze gevoelens zijn begrijpelijk, maar moeten deze juist niet tot verootmoediging brengen? Is het geen wonder wanneer God naar ons omziet, terwijl wij eerder niet naar hem hebben gevraagd? Als dit onverdiende wonder echt als wonder beleefd mag worden, zullen wij dan niet een lichtend voorbeeld mogen zijn voor onze onbekeerde man of vrouw? Als God ons, ondanks ons vroegere leven buiten Hem, toch als man en vrouw in het het door Hem ingestelde huwelijk samenbracht, zal dan juist niet het gebed de aangewezen weg zijn om de vreze van Zijn Naam in te roepen over ons en ons gehele huis? Daarom heb ik maar één pastorale raad: „Verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd"(Spr. 5:18).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.