+ Meer informatie

Schriftberijmingen

13 minuten leestijd

3.

Geschiedenis der Chr. Geref. Kerken

Kort na de Afscheiding van 1834 hebben de kerken zich uitgesproken. De Generale Synode der Christelijke Gereformeerde Kerken besloot in 1836: “In de bijeenkomsten der Gemeente zal men gebruik blijven maken van de gewone berijming der 150 Psalmen Davids en der liederen, die men in de Bijbel vindt, nalatende en werende uit de openbare vergadering der Gemeente, de menschelijke gezangen, welke niet in den Bijbel worden gevonden, opdat het werk van menschen niet worde gelijk gesteld met het werk van mannen, die gesproken hebben, gedreven door den Heiligen Geest.” Dit standpunt is nog iets duidelijker dan de uitspraak van de Synode van Dordrecht 1618-1619. Deze synode bepaalde: “In de Kerken zullen alleen de 150 Psalmen Davids, de Tien Geboden, het Onze Vader, de 12 Artikelen des Geloofs, de Lofzangen van Maria, Zacharias en Simeon gezongen worden. Het gezang ‘O, God die onze Vader zijt’ wordt in de vrijheid der Kerken gesteld, om hetzelve te gebruiken of na te laten. Alle andere gezangen zal men uit de Kerken weren, en daar er enige al bereids ingevoerd zijn, zal men dezelve met de gevoeglijkste middelen afstellen.” De Dordtse Synode liet een kleine vrijheid. Zuiver hield der kerk zich dus niet aan het zingen van Psalmen. Professor de Bruin schreef in de Wekker, 43e jaargang no. 43: “Het gezang: ‘O, God, die onze Vader zijt’ was vervaardigd door Jan van Utenhove en zoo geliefd, dat de Dordtsche Synode het niet durfde verbieden. Door het facultatief stellen van dit lied betoonde de Synode enige zwakheid.” Prof. L.H. van der Meiden stelde dat de Synode der Chr. Ger. Kerken van 1836 het beginsel heel zuiver stelde. Op pag. 30 “De menschelijke gezangen” van Ds. L.H. van der Meiden staat: “Het besluit van 1836 vind ik een prachtig besluit. Dit besluit is wijs, voorzichtig, degelijk, bijbelsch gegrond en in het belang der Kerk.” Wat de gedachtengang van prof. v.d. Meiden betreft willen wij nog het slot van pag. 31 en pag. 32 citeren: “Wij weten, dat men den laatsten tijd zich uit den treure beriep op ‘enige gezangen’ achter de Psalmen. De Kerk ‘heeft gezangen’. De Kerk ‘heeft geen principieel bezwaar tegen gezangen’. Zo redeneert en schrijft men. Maar wie eerlijk art. 69 leest moet erkennen, dat de D.K.O. als ‘menschelijk’ gezang eigenlijk alleen ‘de 12 art. des geloofs’ heeft ingevoerd, en het gezang ’o God, die onze vader zijt’ in de vrijheid der Kerken liet. De 10 geboden zijn een berijmd Schriftgedeelte en evenzo het Gebed des Heeren. De lofzangen zijn Bijbelse liederen. En de Synode van 1836 stelde de zaak nog zuiverder. Wij moeten op het standpunt van 1836 blijven staan. Dan vervalt het gezang: ‘O, God die onze Vader zijt’. Dan vervalt ook de berijming der 12 geloofsartikelen. Heel geen verliezen. Over de berijming der Tien Geboden kan de Kerk zich nader uitspreken. De lofzangen blijven dan alleen over. Een uitspraak der Kerk is niet overbodig. Wij lazen in een onzer kerkboden: En toch schijnt men er weinig aan te denken, dat practisch ook onze Kerken meer gezangen zingen dan eigenlijk volgens art. 69 van de D.K.O. geoorloofd is. Welk Chr. Geref. predikant zal nooit eens laten zingen uit de Morgenzang of uit de Avondzang? En wie stoot zich daaraan? Niemand. Consequent doorgedacht, kan hij het er ook wel eens op wagen om eens te laten zingen bijv. het bekende gezang ‘Alle roem is uitgesloten.’ Wat zou de vermetele die zulks waagde, kunnen overkomen? Afgedacht van de verdachtmaking, waaraan hij zich zou blootstellen, niets! Zou men hem daarom lastig vallen, dan moest men het ook hen doen, die de Morgen- of Avondzang opgeven; en waar zou het einde zijn? Eer er zulke ‘vermetelen’ opstaan en verwarring brengen, moet de Kerk zich uitspreken. Afgedacht nog van de kwestie of hem ‘niets zou kunnen overkomen’ een conclusie waar wij het niet mee eens zijn. Wij moeten voor zulke vrijheden geen open deur hebben. De Avondzang en Morgenzang behoren niet tot de liederen, die gezongen mogen worden in onze Kerken. Niemand weet het haast meer. Maar zo is het toch. Zij moeten worden gerekend tot de huiselijke en niet tot de Kerkelijke liederen (Biesterveld, Kerkboek 50). De Kerk moet zorgen voor een goede berijming. Dan zal blijken dat de Psalmen den Christus bezingen op onvergelijkelijke wijze. God gaf ons zo veel in de Psalmen. Laat de Kerk de Psalmen dan uitputten en zorgen, dat de schatten kunnen gebruikt worden. Dan krijgen wij een Paaspsalm in Ps. 16 (vergelijk Hand. 2). En een Hemelvaartspsalm in Ps. 68 (Efeze 4). En een Psalm over het zitten ter rechterhand Gods. En veel en veel meer. Over den Christus. Over Zijn Persoon, Zijn werk, Zijn heil. Zijn Kerk ten zegen.” Tot zover Prof. L.H. van der Meiden. Deze stem uit het verleden pleit duidelijk voor de lijn van 1836.

In de Christelijke Gereformeerde Kerken vóór 1892 gingen sommige stemmen op tot verruiming van de synode-uitspraken op het punt van het zingen in de eredienst. Maar daar is officieel steeds van afgezien. Men bleef bij het besluit van 1836. (vgl. Rapport ’Eenstemmig pag. 35).

Ook ná 1892 is men in dezelfde lijn voortgegaan. In het bekende rapport 1937 waarin verschillen met de Geref. Kerken besproken worden lezen wij: “In betrekking tot de principiële zijde der kwestie herinneren wij aan Calvijn, die niet koos voor het vrije lied, noch voor de hymnen der oude kerk, maar voor de Psalmen. Hij beroept zich op Augustinus.... Als wij de Psalmen zingen, zijn wij zeker, dat God ons de woorden in de mond legt, alsof Hij Zelf in ons zong om zijn eigen glorie te verhogen.”

Evenwel bleven de stemmen tot het verruimen van het standpunt opgaan. Op de synode van 1968 werd door de particuliere synode van het Westen verruiming voorgesteld. Er was vraag naar geestelijke liederen, die de heilsopenbaring beter dan de Psalmen zouden kunnen bezingen. Deze synode droeg aan deputaten voor de Psalmberijming en berijmde Schriftgedeelten onder meer op: “wegen te zoeken om verdere uitvoering te geven aan art. 69 K.O. voor zover dit artikel spreekt over de vaststelling van berijmde schriftgedeelten”. Ter verduidelijking zij opgemerkt dat de synode van 1947 de redactie van art. 69 aldus vaststelde: “In de eredienst zullen de 150 Psalmen gezongen worden, alsmede berijmde Schriftgedeelten, door de G.S. vast te stellen”. En de synode van 1959 besloot de lofzang der engelen toe te voegen aan de schriftuurlijke gezangen die gezongen mogen worden in de eredienst.

De synode van Rotterdam 1971-1972. Deputaten rapporteerden dat er weinig berijmde Schriftgedeelten voorhanden zijn. Die er zijn, zijn vrijwel alle onbekend en spreken niet aan. Bovendien is het de grote vraag of zij voorzien in de behoefte aan liederen voor een bepaald gedeelte van het kerkelijk jaar. Als het dan gaat over de opdracht door de synode van 1968 gegeven t.a.v. berijmde Schriftgedeelten rapporteren deputaten: “Gezien al het bovengenoemde is de uitvoering van uw opdracht voor deputaten vrijwel onmogelijk”. (pag. 346acta G.S. ’71-’72.). De Synode besluit (pag. 124 acta) ondermeer “de opdracht aan deputaten betreffende berijmde Schriftgedeelten te continueren”.

Op de Generale Synode van Amsterdam-Nieuw-West 1974 kwam de zaak van de berijmde Schriftgedeelten opnieuw aan de orde. Deputaten boden een selectie aan uit het Liedboek voor de kerken. De Synode besloot uit te spreken dat de door deputaten getoetste en voorgestelde selectie uit het Liedboek voor kerken, nl. de nummers 8 (naar Deut. 32 : 1-4), 13b (naar Psalm 23), 14 (naar Psalm 23), 21 (naar Psalm 146), 25 : 1-8 (naar Jesaja 9 : 1-6), 26 (naar Jesaja 9), 27 (naar Jesaja 25 : 6-8), 43 (naar Maleachi 4 : 1-3), 65 (naar Marcus 4 : 26-29), 66 (Lofzang van Maria, naar Lucas 1 : 46-55), 67 Lofzang van Zacharias (naar Lucas 1:67-79), 68 (Lofzang van Simeon, naar Lucas 2 : 29-32), 78 (bij Johannes 15 :1-8), 89 (naar Romeinen 8 : 18-24a), 90 (naar Romeinen 8 : 26-39), 96 (naar Efeziers 6 : 10-18), 107 (naar 1 Petrus 5 : 5-11), 114 (naar Openbaring21 : 1-4) en 115 (naar Openbaring 21:5-8), behoort tot de in art. 69 K.O. bedoelde berijmde Schriftgedeelten. Zo kwam het dus tot uitbreiding van art. 69 K.O. Tevens werd besloten de kerken in de gelegenheid te stellen aan deputaten berijmde Schriftgedeelten ter beoordeling voor te leggen. Tevens werd aan deputaten opgedragen na te gaan of er buiten het Liedboek om nog andere bruikbare berijmde Schriftgedeelten bestaan. Daarover zou dan aan de eerstvolgende Synode gerapporteerd dienen te worden.

De Generale Synode van Hoogeveen 1977 had zich uit te spreken over een voorstel van deputaten om uit te spreken dat de 113 bij belliederen uit het Liedboek voor de kerken behoren tot de in artikel 69 bedoelde berijmde Schriftgedeelten. Het commissierapport was van mening dat vele van de voorgestelde bijbelliederen nauwelijks of in het geheel niet als berijmde Schriftgedeelten konden worden aangemerkt. Onder berijmde Schriftgedeelten werd namelijk verstaan berijmingen van concrete passages uit de Heilige Schrift. De Synode besloot het voorstel van deputaten om uit te spreken dat de 113 bijbelliederen uit het Liedboek voor de kerken voor gebruik in de eredienst aanvaardbaar zijn, niet over te nemen. Door deputaten waren in positieve zin onvoldoende argumenten aangevoerd voor het voorstel dat verworpen werd. Het deputaatschap werd opgeheven en aan het deputaatschap inzake het kerklied werd opgedragen wegen te zoeken om verdere uitvoering te geven aan art. 69 K.O. voor zover dat artikel spreekt over de vaststelling van berijmde Schriftgedeelten en deze opdracht als eerste in hun opdrachten te vermelden. Op deze Synode diende een instructie van de P.S. van het Noorden die beoogde dat liederen die in overeenstemming waren met Schrift en Belijdenis, zonder dat het Psalmen of berijmde Schriftgedeelten waren, gezongen zouden kunnen worden. Deze instructie werd niet aanvaard. Wel kreeg het deputaatschap inzake het kerklied de opdracht zich nader te beraden over de vraag of het in het licht van de gegevens van de Heilige Schrift en tegenover de uitspraken die door de kerk in het verleden over deze zaak zijn gedaan, principieel en praktisch verantwoord is om bij het zingen in de eredienst naast de liederen die berijmingen van Oud- en Nieuwtestamentische Schriftgedeelten zijn, ook van andere liederen die niet tot de berijmde Schriftgedeelten behoren maar waarvan de inhoud wel met de Schrift en belijdenis in overeenstemming is, gebruik te maken, (zie acta pag. 62).

Zo kwam de zaak van de berijmde Schriftgedeelten weer aan de orde op de Generale Synode van Amersfoort 1980. Deputaten achtten in hun rapport het aantal berijmde Schriftgedeelten te gering om een zinvol voorstel te kunnen doen. Er zouden dan toch op z’n minst enige tientallen liederen moeten zijn. Gerapporteerd werd dat er op korte termijn wel geen uitzicht zou zijn op een dergelijk resultaat. Opnieuw werd gesteld dat de Bijbelliederen uit het liedboek der kerken niet als berijmde Schriftgedeelten gezien kunnen worden. De Synode stelde vast dat onder een berijmd Schriftgedeelte verstaan dient te worden “een bewerking in liedvorm van een aaneengesloten passage uit de Heilige Schrift waarin de oorspronkelijke tekst trouw wordt gevolgd.” (zie acta pag. 70). Verder kregen deputaten opdracht berijmde Schriftgedeelten aan de volgende Generale Synode voor te leggen. De Synode moest zich ook uitspreken over het kerkelijk lied. Het rapport van deputaten zou in handzame vorm de kerken worden aangeboden. De deputaten zouden aan de Synode van 1983 voorstellen moeten doen die onder meer afhankelijk zouden zijn van de reacties uit de kerken. Ondertussen zou de redactie van art. 69 gehandhaafd blijven. Het rapport (enigszins bewerkt) van het deputaatschap voor het kerkelijk lied werd met de naam “Eenstemmig” de kerken toegezonden.

De Generale Synode van Rotterdam-Centrum 1983 besloot na een lange bespreking de zogenaamde Bij belliederen niet vrij te geven. Uit de binnengekomen reacties bleek de nodige eenparigheid in de kerken daarvoor te ontbreken. Twee particuliere synoden hadden een instructie ingediend om te blijven bij de huidige redactie van art. 69. De eenheid der kerk diende in het oog gehouden te worden en voorzichtigheid diende betracht te worden. De Generale Synode had de mogelijkheid tot zo’n beslissing opengehouden. De Heilige Schrift verplicht niet tot het nemen van een andere beslissing. Het ingenomen standpunt sluit het meest aan bij wat door de kerken, in wier traditie wij staan, in het verleden is bepaald. De Psalmen zijn voor de nieuwtestamentische gemeente van onvervangbare waarde; zij bezingen in profetische taal het heilshandelen Gods in Christus. Aan de roeping tot het bewaren van het Woord van God wordt zo op de meest strikte wijze gestalte gegeven. Zo worden in ieder geval niet via het zingen van liederen die geen berijmde Schriftgedeelten zijn, dwalingen verbreid. De oudtestamentische Psalmen bezingen het volle heil van God in Christus, in Wie immers ook de Psalmen hun vervulling hebben gevonden, en waarmee ook de nieuwtestamentische heilsopenbaring niet wordt veronachtzaamd. Men bleef dus bij het bepaalde in art. 69 K.O: “In de eredienst zullen de 150 psalmen gezongen worden, alsmede berijmde Schriftgedeelten, door de generale synode vast te stellen.” Deputaten werden benoemd met de opdracht te zoeken naar een uitbreiding van het aantal door de generale synode vast te stellen berijmde Schriftgedeelten. Hierbij dient bedacht te worden dat de Generale Synode van 1980 een berijmd Schriftgedeelte als volgt had omschreven: “een bewerking in liedvorm van een aaneengesloten passage uit de Heilige Schrift, waarin de oorspronkelijke tekst getrouw wordt gevolgd.” Deputaten Berijmde Schriftgedeelten zouden moeten rapporteren aan de volgende Generale Synode. Wat de berijmde Schriftgedeelten betreft valt het volgende te melden: In ’83 hadden deputaten een bundel van Bijbelliederen en berijmde Schriftgedeelten gepresenteerd. Op voorstel van deputaten werd deze bundel als één geheel behandeld. Deze bundel werd in zijn geheel niet aanvaard, zodat er geen wijziging kwam in art. 69 K.O. Op deze synode dus geen uitbreiding van het aantal berijmde Schriftgedeelten.

De Generale Synode van 1986 ’s-Gravenhage kreeg te maken met revisieverzoeken in verband met het niet vrijgeven door de vorige Synode van de bundel Bijbelliederen en Schriftberijmingen. Na uitgebreide en grondige bespreking werden de revisieverzoeken afgewezen. Deputaten Berijmde Schriftgedeelten hebben uit de conceptbundel van ’83 een aantal liederen gehaald die huns inziens beantwoorden aan de norm die in ’80 werd gesteld: “een bewerking in liedvorm van een aaneengesloten passage uit de Heilige Schrift, waarin de oorspronkelijke tekst getrouw wordt gevolgd.” De synode besloot uit te spreken dat de liederen 1, 2, 6, 8-21, 27-30, 32-38, 40-49 uit de aangeboden bundel voldoen aan de norm van 1980. Over de andere liederen werd geen uitspraak gedaan, omdat deze reeds behoorden tot de door de generale synode vastgstelde berijmde Schriftgedeelten. Tevens besloot de synode de nieuw ingediende en goedgekeurde liederen in een proefbundel uit te geven en aan de kerken toe te zenden met het verzoek hem te beproeven en voor 1 januari ’89 reacties aan deputaten te zenden. De reacties moeten dan in een rapport aan de synode van 1989 aangeboden worden, opdat die synode kan uitspreken welke van de liederen behoren tot de in art. 69 K.O. bedoelde berijmde Schriftgedeelten. De synode besloot ook deputaten op te dragen te zoeken naar berijmde schriftgedeelten, die de heilsfeiten bezingen en die gebruikt kunnen worden op de feestdagen, alsmede naar berijmde schriftgedeelten die betrekking hebben op Doop en Avondmaal.

Samenvattend kan gezegd worden dat de lijn van 1836: alleen Psalmen en Lofzangen, in hoofdzaak tot 1974 is gevolgd. Daarna is men tegen de lijn der historie in, tegen het waarschuwend voorbeeld van andere kerken in, gaan verruimen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.