+ Meer informatie

Pastoraal contact met psychisch gestoorden

6 minuten leestijd

We mogen nooit vergeten dat psychisch gestoorden onze medemensen zijn.

Als u hen op een christelijke manier van dienst wilt zijn, laat dan die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was. (Filippenzen 2)

De Heiland heeft „het gevoelen” of „de gezindheid” van Zijn hart getóond.

Hij is de mensen gelijk geworden.

Wie de evangeliën leest ziet overal „ mensen rondom Jezus”.

Het opvallende daarbij is, dat Hij de mensen benadert met voor ieder een eigen belangstelling.

Ook psychisch gestoorden worden door Hem met sympathie tegemoet getreden. Jezus praat niet over hen, maar richt zich tot hen, en handelt met hen in liefde.

Het is onjuist te denken dat alle psychisch gestoorden in een psychiatrisch ziekenhuis worden opgenomen en een gevaar betekenen voor hun medemensen.

Wie regelmatig in psychiatrische inrichtingen komt, weet dat het daar voor vele patiënten goed leven is en dat ze zich daar meer en beter thuis voelen dan in de gezinnen waartoe ze behoorden of in de omgeving waar ze woonden en werkten.

In de christelijke tehuizen wil men de patiënten laten merken, vaak op een heel praktische manier, dat ze Christus ter harte gaan. Opname vindt eerst dan plaats als de patiënt zich thuis niet meer handhaven kan, of wanneer met het oog op zijn genezing het verblijf in zo’n ziekenhuis nodig is.

Geestelijk gestoorden zijn mensen die ziek zijn. Er zijn er meer buiten dan in de psychiatrische ziekenhuizen. Het zijn mensen die lijden aan hysterie, epilepsie, schizofrenie, depressiviteit, ouderdomsdementie, verslaving en gestoord vertrouwen.

Er zijn dus tal van vormen waarin het psychisch gestoord zijn zich openbaart.

Het is niet nodig, dat u een halve psychia ter bent als u deze mensen gaat bezoeken. Pastorale zorg geven is iets anders dan het werk van een psychiater doen.

Maar om pastoraal verantwoord bezig te zijn is enige kennis van zaken onmisbaar. Predikanten en ouderlingen krijgen in de regel te maken met hen die slechts in lichte graad gestoord zijn. Niemand van hen mag helemaal vreemd staan tegenover de wereld van de gestoorden, daar dit een goede pastorale bearbeiding onmogelijk maakt. Wie trouw huisbezoek doet en een vrij intensief contact met de wijk onderhoudt, komt regelmatig met mensen in aanraking die extra pastorale zorg dringend nodig hebben. Maar er zijn gevallen dat deze zorg met veel overleg en gedoseerd gegeven moet worden.

Ik denk b.v. aan mensen die lijden aan depressie. Het kan bijzonder moeilijk zijn om hen te benaderen en tot steun te zijn. Er zijn al heel wat ambtsdragers geweest die zich veel moeite hebben getroost om deze mensen op te beuren en uit de put te praten. Alle registers van hun welsprekendheid werden soms opengetrokken, maar de resultaten waren omgekeerd evenredig aan de inspanningen.

We moeten vooral niet proberen de zieke depressieve mens tot juistere gedachten te brengen. We staan immers tegenover een massieve muur van onvermogen en van wanhoop. We hebben te maken met de onmacht om te geloven en met wanen, die in de acute ziekteperiode voor geen correctie vatbaar zijn.

Zo’n patiënt wekt vaak de indruk dat zijn moeilijkheden alleen van godsdienstige aard zijn. Niet zelden ziet hij kans dat ook door zijn familieleden te laten geloven. Deze denken dan dat hij geestelijk in de put zit en aangevochten wordt door de vorst der duisternis. Deze indruk wordt versterkt als hij als met magnetische kracht wordt heengetrokken naar Schriftwoorden als Hebr. 12 : 17 (Ezau, die geen plaats van berouw vond, hoewel hij daarnaar onder tranen zocht), Matt. 27 : 5 (Judas, die de hand aan zichzelf sloeg en die „henenging naar zijn eigen plaats”.)

We moeten in zo’n situatie het rode signaal zien lichten en een arts inschakelen. Dit te meer omdat mensen die lijden aan een ernstige depressie geneigd zijn zelfmoord te plegen.

Ieder die in zijn gemeente wel eens een geval van suïcide heeft meegemaakt weet hoe erg dat is. Men neme daarom geen risico’s.

Vroeger dachten velen dat ernstig gestoorden van de duivel bezeten waren.

Deze opvatting wordt gelukkig almeer gecorrigeerd als blijkt dat de tegenwoordige medicamenteuze behandeling voor vele patiënten een verrassend herstel tot gevolg heeft.

Men kan moeilijk aannemen dat de duivel overgevoelig is voor bepaalde medicijnen en daarom zo spoedig mogelijk verdwijnt als geestelijk gestoorden ze gaan gebruiken.

Gedurende een aantal jaren heb ik regelmatig patiënten bezocht in een psychiatrische inrichting. Het was niet altijd gemakkelijk om de eerste contacten te leggen. Ik herinner me een patiënte van even in de zestig, die er zo gauw mogelijk tussen uitkneep. Maar toen ik haar nog een paar keer bezocht had week de schuwheid. Een kleine attentie in de vorm van een bloemetje, wat fruit of een rolletje chocolaatjes zorgde ervoor dat het ijs spoedig gebroken was.

Moeizaam kwam een gesprekje op gang; over haar werk, de bezoekjes die ze kreeg, over de zusters, over de kerk waar ze als kind naar toeging, over de psalmversjes die ze geleerd had enz.

Een keer was ik ’s avonds bij haar op bezoek. Ze zou juist naar bed gaan, al was het nog maar kwart voor acht, maar mocht nog wel even bezoek hebben in het ontvangkamertje. Toen ik vertrok heb ik, naar gewoonte, met haar gebeden.

Dit keer het kindergebedje: Ik ga slapen, ik ben moe…”

Ze bad mee!

Met een andere patiënt was en is het mogelijk op een ander niveau te spreken. Deze broeder is een fijn gelovig man, die een hartelijke liefde voor de Here heeft. De interesse voor ons kerkelijk leven heeft hij blijkbaar met de moedermelk ingedronken en het is prettig om met hem over allerlei dingen te praten.

Toen ik hem vroeg of hij wel eens over het doen van openbare belijdenis en het vieren van het H.A. gedacht had, bleek dat inderdaad het geval te zijn.

Het werd voor hem en zijn familie en de gemeente een feestelijke dag toen deze broeder belijdenis deed.

Het is een aparte belevenis om in het kerkgebouw op het terrein van de inrichting een dienst voor patiënten mee te maken. Meer dan eens had ik het voorrecht een dienst voor de patiënten te mogen leiden. We geloven van harte dat de Here van deze arbeid gebruik maakt om Zijn kinderen te bemoedigen en te troosten; ook Zijn gestoorde kinderen.

Misschien is het niet overbodig als ik u met het oog op uw werk enkele boeken noem die u bij de zorg voor geestelijk gestoorden van nut kunnen zijn.

Dr. B. Chr. Hamer schreef over: Zielszorg en psychiatrie. De titel spreekt voor zichzelf, dacht ik. Verder vind ik boeiend het boek van dr. Paul Tournier: De weg uit de eenzaamheid.

Dr. P. J. Roscam Abbing e.a. schreven een boek over: Pastorale zorg aan psychisch gestoorden. Een zeer lezenswaardig boek, waar in de praktijk mee te werken valt.

Dan noem ik het boekje van dr. M. Zeegers: Moeilijk in de omgang.

De manier waarop hij over „leven met zenuwzieken” schrijft is verrassend helder.

En wie na het lezen van deze boeken zó geinteresseerd is dat hij nog wat meer studeren wil, zou zich kunnen aanschaffen: De psychiatrische patiënt, van prof. dr. J. H. van den Berg, of: Wie is van hout… een gang door de psychiatrie, een boek van dr. Jan Foudraine.

Zegen op uw arbeid toegewenst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.