+ Meer informatie

TER OVERWEGING

17 minuten leestijd

C.S. Lewis, Verdriet, dood en geloof. Een genadeloze zelfanalyse. 72 blz., f. 9,95, Uitg. Wever, Franeker 1987.

Dit boekje is geschreven door de bekende Engelse geleerde, nadat zijn vrouw aan kanker was gestorven. Pas na de dood van Lewis zelf is bekend geworden dat hij de auteur van dit geschrift is. Hij beschrijft als essayist zijn verwerking van eigen verdriet; de twijfel, de herinnering, de eenzaamheid, het zelfmedelijden, de verwijten - in vragende vorm - aan God - èn de rust van het geloof, de vrede die God schenkt, het uitzicht door de dood heen. Het is een moedig getuigenis, een pastoraal geschrift en tegelijk een juweeltje in de literatuur. Dit boekje zal mensen in rouw kunnen helpen, omdat het diep menselijk en diep vroom is.

De diaconie van Papendrecht zond aan de redactie een exemplaar van „een beleidsplan met betrekking tot de diakonale toerusting van de gemeente”. Dit plan is door de diakenen opgesteld en op een aantal kerkeraadsvergaderingen doorgesproken en bijgesteld. Na een Inleiding wordt iets gezegd over doel en inhoud van de diaconale toerusting. Bijbelse bezinning en dienstbetoon binnen de gemeente komen hier aan de orde. In een volgend hoofdstuk worden „middelen en wegen” besproken. De eredienst, diaconale huisbezoeken, gemeenteavond en het kerkblad komen ter sprake. Daarna wordt ingegaan op de vraag: „Wie worden toegerust?”; als antwoord worden genoemd: diakenen, kerkeraad en gemeente. Een korte samenvatting en enige literatuur besluiten, ruim bedrukt, dit 22 bladzijden tellend geschrift. Met waardering vestig ik de aandacht op dit initiatief. Het geschrift lijkt me ook bruikbaar voor andere gemeenten. Daarom ben ik blij te mogen zeggen dat het voor belangstellenden bij de secretaris van de diaconie verkrijgbaar is: br. P. Aarse, Frans Halsstraat 6, 3351 VE Papendrecht.

Het feit dat deze broeders anderen met dit interessant geschrift van dienst willen zijn, lijkt mij een heel bepaalde manier van het in praktijk brengen van de titel. Ter kennisname en ter praktizering hartelijk aanbevolen.

Jaarboek 1987 van de Christelijke Gereformeerde Kerken in Nederland, onder redactie van ds. M. Drayer e.a. 272 blz., f. 13,-. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam.

Het jaarboek 1987 is verschenen in een frisse blauwe omslag. Het is onmisbaar voor wie met het kerkelijk leven bekend wil blijven (of worden). Men vindt er alle gegevens in over plaatselijke gemeenten, predikanten (emiriti, dienstdoende in een gemeente of met een bijzondere opdracht), periodieken, deputaatschappen en contacten. Alles wat landelijk, regionaal en plaatselijk te melden valt, is erin opgenomen.

Tegelijk met ons jaarboek kreeg ik dat van de Nederlandse Gereformeerde Kerken. Daarin worden alle gegevens over verenigingen, periodieken, per gemeente gerangschikt. Ik vind daar veel voor te zeggen, zij het dat het aantal bladzijden zal toenemen.

Het jaaroverzicht is geschreven door ds. J.H. Velema, met vaardige pen de feiten memorerend. Ook daar waar de persoonlijke belichting niet ontbreekt wordt toch gepoogd de gebeurtenissen in het geheel van het kerkelijke leven te plaatsen en te taxeren. Mij viel op dat aan de statistische gegevens niet veel aandacht werd besteed in dit overzicht. Toch gegevens die te denken geven. Er is een achteruitgang van het aantal doopleden (199). De vermeerdering van belijdende leden (130) zorgt niet voor een positief saldo! Niet minder dan 207 doopleden gingen naar geen kerk en 125 werden afgevoerd. Cijfers om over na te denken en als kerk mee bezig te zijn.

Ds. Schouls schreef over de Free Reformed Churches. Een drieluik: statistische gegevens, een groot deel van zijn toespraak tot de synode van Den Haag en een werkoverzicht van zijn pastorale werkzaamheden gedurende een week. Een originele manier om die kerken aan ons voor te stellen. Ds. Drayer schreef over de synode van 1837. - Kommer en kwel, maar niet zonder perspectief voor de volgende honderdvijftig jaar.

Terwijl ik dit schrijf zijn reeds twee van de jubilarissen uit 1986 overleden, te weten ds. I. de Bruyne en prof. dr. J.P. Versteeg - het leven is kort. Daarbij bepaalt ons ook de informatie over de kerken.

Een teken voor onderweg. Een verzameling gedichten en liederen over de doop. Samenstelling Kees van Baardewijk, illustraties Reintje Venema. 64 blz., f. 15,90. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1987.

Reeds eerder verscheen een gelijke bundel, waarin het Avondmaal centraal stond. In deze bundel zijn gedichten rond de doop bijeengebracht. Gedichten van zeer onderscheiden aard, omvang en kwaliteit. De samensteller heeft heel wat uit het Liedboek en de Gezangenbundel gehaald. Daardoor mist deze bundel enigszins het verrassende van het bijeenbrengen van materiaal dat ergens, onbekend of minder bekend, verscholen lag! Er staan mooie gedichten in. De tekeningen (in zwart-wit) zijn een echte verfraaiing van deze verzorgde bundel.

Informatieboekje over de Nederlands Gereformeerde Kerken onder redactie van ds. K.H. de Groot. 212 blz. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1987.

Bij dezelfde uitgever, waar ons jaarboekje verschijnt, komt ook dat van de Nederlands Gereformeerde Kerken uit. Ik vroeg me af of achter Nederlands niet een e behoort. Of wil men inderdaad Nederlands als bijwoordelijke bepaling bij gereformeerd gebruiken? Per gemeente vindt men alle gegevens vermeld. Ik vind dat een goede methode. Zij zal samenhangen met het zware accent op de plaatselijke gemeente. Het is gemakkelijk dat men alle gegevens over een gemeente op één bladzijde bijeen heeft. Ook overzichten en gegevens van regionale activiteiten treft men erin aan. In zo’n boekje presenteren kerken zichzelf. Men treft vier „In memoriams” aan en een jaaroverzicht van de hand van de redacteur. Opvallend is de kritiek op wat de vrijgemaakten met hun erfenis doen: sterke organisatie en verwetenschappelijking van de theologie ten koste van het levende Woord van God. Toch blijft van deze kant de hand uitgestoken. Er is een wederzijdse schuldbelijdenis nodig. Een artikel dat tot nadenken en gebed stemt.

Dr. W.H. Velema, Het verval van de verzorgingsstaat. Deel 1 - een analyse. Uitg. Willem de Zwijgerstichting, Apeldoorn. Prijs f. 8,60.

Het bestuur van de Willem de Zwijgerstichting heeft dr. W.H. Velema gevraagd te schrijven over de verzorgingsstaat. De bedoeling is een kritische doorlichting te geven. De schrijver ontdekte al spoedig, dat aan een dergelijke opdracht meer vast zit dan hetgeen in één brochure van de Stichting, met de gebruikelijke omvang van 48 pagina’s, te verwerken valt. Er komen nu twee brochures, waarvan deze eerste analytisch van aard is en tevens een uitvoerige literatuurlijst (boeken en artikelen) bevat, die de lezer bij verdere studie kan dienen.

In het eerste hoofdstuk „Op weg naar de verzorgingsstaat” wordt aandacht geschonken aan de literatuur, die de gang van „welvaartsstaat” naar „verzorgingsstaat” heeft begeleid. Merkwaardig is, dat hetgeen nu verzorgingsstaat wordt genoemd, ons meer is overkomen dan dat er bewust heen is gekoerst. Allerlei trends, met name uit de befaamde zestiger jaren, alsmede de omstandigheid, dat de voornaamste politieke stromingen er wel iets van hun doelstellingen mee dachten te kunnen verwezenlijken, hebben hun invloed op de ontwikkeling gehad.

In het tweede hoofdstuk wordt ingegaan op de aard en de omvang van de staatstaak en de ingrijpende veranderingen, die het ontstaan van de verzorgingsstaat daarop heeft gehad. Het derde hoofdstuk behandelt de crisis (of crises), waarin de verzorgingsstaat inmiddels is beland en de mogelijke oorzaken: niet alleen economische of financiële, maar zeker ook zedelijke. Mensen consumeren de geneugten van de verzorgingsstaat, nemen een aantal vrijheidsbeperkingen voor lief, maar aarzelen niet zich nieuwe vrijheden te veroorloven; na gebruik van wat iedereen „rechtens” toekomt - als een soort royale basisvoorziening - blijkt het voor velen boeiend eigen wegjes te gaan waarlangs het mogelijk wordt specifieke individuele belangen en belangetjes voortreffelijk te dienen. Misschien ligt hierin wel een van de belangrijkste oorzaken van de onbeheersbaarheid van een verzorgingsstaat.

Na dit beschrijvende eerste deel, dat ons een spiegel voorhoudt - die weg zijn we samen gegaan - zijn we benieuwd naar de tweede brochure, die door de schrijver als „positief” wordt aangekondigd.

Dr. J. Wesseling, De Afscheiding van 1834 in Overijssel, 1834-1969. Deel II. Uitg. De Vuurbaak b.v., Barneveld. 338 blz., prijs f. 55,-.

De classes Holten en Ommen worden in dit deel beschreven met de gemeenten Hellen- doorn-Nijverdal, Deventer, Holten, Rijssen, Enter, Vriezenveen, Almelo, Borne, Enschede, Ommen, Heemse, Den Ham, Dalfsen, Nieuwleusen en Dedemsvaart (Avereest). Lezers van ons blad die in het zuidoostelijke deel van Overijssel wonen of met deze contreien relatie hebben, zullen zonder twijfel geïnteresseerd zijn in het verhaal dat dr. Wesseling vertelt over het ontstaan en de eerste decennia van de afgescheiden gemeenten daar. Evenals de andere, door dr. Wesseling geschreven boeken over de afgescheiden gemeenten in Groningen, Friesland en de noordwestelijke helft van Overijssel, getuigt ook dit deel van zijn vaardigheid de archieven te laten spreken, een vaardigheid die liefde paart aan kennis van zaken met betrekking tot de Afscheiding. Wij zijn wel eens geneigd het verleden te idealiseren, maar boeken als deze over de lokale kerkgeschiedenis laten wel zien dat er ook toen geen gemeenten van heiligen bestonden, zonder smet en rimpel. Niet alleen blijkt op tal van bladzijden dat de „levensstijl” een zaak van voortdurende zorg was voor de toenmalige kerkeraden, maar ook de - om zo te zeggen - „stijl” van omgaan met elkaar gaf de kerken moeite. Wat is er die eerste jaren wat gestreden! De kerkeraad van Deventer drong eens aan dat bij „onderscheidene zienswijze over zommige waarheden” toch de „broederlijke liefde bewaard blijve en de vijanden er geen stof tot laster uit mogen vergaderen” (blz. 96). En verschil in „zienswijze” - waarbij ieder uiteraard eigen gelijk zo sterk mogelijk probeert te maken - kwam en komt nogal eens voor! Serieus werd verschil gemaakt in het „beroepen” en het „verroepen” van een predikant (15, 132 enz.). Het laatste zou volgens sommigen in strijd zijn met het 10e gebod: het begeren van een dominee die God aan een andere gemeente geschonken had! Elders liet men niet alleen de manslidmaten stemmen, maar ook de aanwezige zusters (19). „Mogen ook vrouwen een preek in de gemeente voorlezen?” was een vraag die aan de orde werd gesteld (253). Weer een andere „zienswijze” was de opvatting dat wie eens ouderling was, altijd ouderling bleef (de roeping is immers „onberouwelijk”) en daarom werd elders een diaken die naar een andere gemeente verhuisde, door die gemeente „overgenomen” (252, 263). En niet te vergeten: de strijd om het „ambtsgewaad” (233), de niet bewuste, noch bedoelde maar wel reële vermaterialisering en veruiterlijking van wat als zeer geestelijk werd beoogd, een strijd die ook buiten het hier beschreven gebied de gemeenten in onrust bracht. Van één van de in dit gebied leidende figuren (H. Wormser) wordt gezegd dat hij „vuurbang (was) geweest voor de overheersing van de ene kerk door de andere via de kerkorde” (60) en dat gewaakt moest worden dat geen inbreuk werd gemaakt op de „onafhankelijkheid van de plaatselijke gemeente, die geen gezag behoorde te erkennen dan dat van Jezus Christus haar Heer” (59). Dat laatste geldt natuurlijk evenzeer het verband van al die plaatselijke gemeenten. Juist de kerkorde naar gereformeerde, presbyteriale opzet wil daaraan gestalte geven om het kerkelijk met elkaar omgaan te reguleren in een akkoord waaraan men zich zelf en elkaar kan en wil houden ter beleving van dat gezag. Maar het zijn en blijven mènsen die met elkaar moeten omgaan, die de „werken van het vlees” maar al te vaak een grote kans geven, al heten ze in de kerk eikaars „broeders en zusters” die je niet kiest maar krijgt als in een gezin. Dat leert de kerkgeschiedenis helaas op menige bladzijde, ook op die van de Afscheiding. Daarvan laat dit boek van ds. Wesseling wel het een en ander zien. Natuurlijk is er - gelukkig - ook iets anders op te merken, iets van de „vrucht van de Geest”. Maar - ’t is vaker opgemerkt - in deze bedeling brengt de frontsituatie van Christus’ kerk mee dat de „werken van het vlees” meer de publiciteit trekken dan de „vrucht van de Geest”. Dat aan de Afscheiding die frontsituatie niet vreemd is geweest, hebben de vele publikaties rond het herdenkingsjaar wel laten zien, de fijne boeken van dr. Wesseling inbegrepen.

Dr. R.H. Bremmer, Kuyper, Hoedemaker en de Doleantie, Uitg. Willem de Zwijgerstichting, Apeldoorn.

In kort bestek (95 blz.) worden twee figuren die een belangrijke rol speelden in de Doleantietijd, op een zeer sympathieke manier beschreven. Beiden speelden die rol in een merkwaardige relatie tot elkaar, die van grote overeenstemming en diepe tegenstelling, van samenspel en tegenspel. Kuyper wordt genoemd „de Doleantie in eigen persoon”, zonder wie de Doleantie „niet denkbaar” is, daarvoor „tè dominant” (geen wonder dus dat de bezwaarden van ’92 Kuypers leer naar voren haalden, toen ze hun „overwegend bezwaar” noemden). Hoedemaker was in feite „Kuypers enige principiële tegenspeler” (blz. 5), die heel ver met Kuyper meeging, maar toch een „andere weg dan Kuyper ging”. Boeiend tekent de schrijver in het eerste hoofdstuk de „jonge Kuyper” die zo fel zich keerde tegen de kerk die hij diende zonder „zweem van liefde” (31), die zich diep ergerde „aan het halfslachtige en dubbelhartige waarin de besturenkerk sinds 1816 verzeild was geraakt” (11), maar vastliep met al zijn pogen in die eerste periode om die kerk daarvan te bevrijden. Na 1876 ontwikkelt Kuyper zich tot de strateeg („strategische blik” - blz. 38 - „strategisch vernuft” - 45) die leiding gaf aan de strijd die op de Doleantie uitliep. Dit wordt in het tweede hoofdstuk behandeld. Het derde hoofdstuk gaat dan over Kuyper en Hoedemaker. Hoe ver Hoedemaker ook met Kuyper samenstemde en eensgeestes was, de schrijver laat duidelijk zien dat „aan de poort van de Doleantie” van „wijkende wegen” gesproken moet worden (84): Hoedemaker bleef strijden voor reorganisatie in de Hervormde Kerk (88). In een „Epiloog” stelt dr. Bremmer de vraag of „beide partijen niet langs elkaar heen geredeneerd” hebben, zowel in de opvatting van de belijdenis als „accoord van kerkelijke gemeenschap”, als ten aanzien van de „autonomie van de plaatselijke kerk” (92v.). De vraag of de Doleantie is mislukt, wil hij met ja en nee beantwoorden: ja ten opzichte van de Hervormde Kerk, nee gelet op het feit dat „de leiders van de Doleantie met hun idealen hun stempel gedrukt” hebben op „het instituut van de Gereformeerde Kerken, dat in 1892 door de Vereniging met de Afgescheidenen tot stand kwam” (94). Hij stemt dan ook niet in met het oordeel van prof. Augustijn dat de dolerenden in 1892 voor de afgescheidenen „geheel door de knieën” zijn gegaan. Dat oordeel is volgens dr. Bremmer „niet billijk” (94). Hij verwijst dan naar het beding dat de grondslag werd van de Vereniging, waarin werd bepaald dat de „Doleantie met haar Kerk- en Rechtsbeschouwingen” voor rekening van de dolerenden werd gelaten. Elders heb ik gepoogd aan te tonen dat deze bepaling een loze zaak is geweest, en dat - omgekeerd - de afgescheidenen geheel voor de dolerenden door de knieën zijn gegaan. Ergens spreekt dr. Bremmer over „Kuypers kerkbegrip” (47). Voor wiens „rekening” kwam dat begrip van de „dominante” Kuyper na de Vereniging? Is die „rekening” niet royaal gepresenteerd nà ’92. U ziet, een interessant geschrift dat hier geboden wordt!

Drs. J.A. van Detden, Israël is Gods volk! Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam. Prijs f. 14,50.

Te lang reeds ligt deze brochure (79 blz.) op aankondiging te wachten. Maar wie het niet met de schrijver eens is, wordt door hem als „eenzijdig” bestempeld (blz. 10, 59), diens interpretatie is „onhoudbaar” (20), want hij beoefent „onjuiste exegese” (25), doet „geen recht aan de Bijbel” (33) want hij maakt zich schuldig aan „Israëlisme” en dat is „bedrog van de bijbellezer” (43) en een „theologische opdringerigheid”. Wanneer de ander dan ook nog van „vertekening” wordt beticht (52), wordt de discussie al heel moeilijk. Hij dekt zichzelf bij voorbaat a.h.w. in door te suggereren dat hij wel „als een onbijbelse dwarsligger met eventueel verborgen antisemitische motieven” zal uitgerangeerd worden. De vraag of de ander zich herkent in het ongenuanceerde beeld dat de schrijver schetst, komt kennelijk niet aan de orde. Hij wijst het „vervangingsmodel” (= kerk in de plaats van Israël gekomen) af, maar komt hij er toch niet weer bij terecht via een verbondsopvatting die lijkt op „het genadeverbond opgericht met de uitverkorenen” (38, 46 enz.)? (In „Vrede over Israël” is al eens gewezen op het feit dat dr. Kuyper in 1896 daar ook terecht kwam.) Stelt de schrijver verkiezing en verbond gelijk? Voegt hij in Rom. 9v. niet onuitgesproken „in het verleden” in, waardoor Paulus’ worsteling om Israël eigenlijk een slag in de lucht wordt? Wordt - misschien niet bewust - in het Oude Testament „Israël” geschrapt en „kerk” gelezen als het om zegeningen gaat, en als het om vloek gaat, naar de Joden gewezen? Ook al wil ik van harte instemmen met drs. Van Delden als hij de zgn. tweewegenleer afwijst, toch vraag ik me af of wij zulke „leesbare brieven” zijn geweest dat Israël uit ons christen-zijn Jezus Christus kon lezen en kennen. Niet eerder het tegendeel? Welk rècht hebben we dan de joden - die er eigenlijk dus niet meer hadden mogen zijn (wie meldt zich voor het omhakken van die onvruchtbare vijgeboom?) - nú als verharden te beschouwen en te behandelen? Als Israël, als de kèrk zich niet bekeert, dan vallen beide onder het oordeel Als de be lòfte er niet was, welke toekomst zou er dan zijn èn voor de kerk èn voor Israël? ’k Kan me niet voorstellen dat het vanuit het standpunt van de schrijver enige zin heeft het Israël van nu te ontmoeten met het Evangelie als Israël, hoogstens als joodse heidenen.

Gene A. Getz, Mozes. 122 blz. Uitg. Voorhoeve, Den Haag. Prijs f. 19,90.

In de serie praktische Bijbelstudies „Leven bij het Woord” verscheen deze studie over Mozes „een werktuig Gods”. Verschillende perikopen vooral uit Exodus worden behandeld, steeds weer in betrokkenheid „op deze tijd” en „op het eigen leven”, doorgaans gevolgd door „Project voor uzelf of voor uw gezin”. De term „les” neemt een grote plaats in bij de gegeven verklaring en toepassing, soms wat al te gemakkelijk, min of meer op de klank af. Wat niet betekent dat zo’n „les” niet ter zake kan zijn. Daarbij wordt een heilshistorische benadering niet bepaald nagestreefd.

Gene A. Metz, Filippenzen. 147 blz. Uitg. Voorhoeve, Den Haag. Prijs f. 17,50.

In dezelfde serie en van dezelfde schrijver (hoogleraar aan het Theological Seminary in Dallas, Texas) is een deeltje over de brief aan de Filippenzen verschenen. Verklaring en toepassing worden ook nu betrokken op eigen tijd en persoon. De activering van de christen staat wel heel sterk op de voorgrond. Nu gaan zeker genade en geestelijke luiheid - die een onvermijdelijk bijprodukt is van lijdelijkheid - niet samen, maar de er onlosmakelijk bijhorende afhankelijkheid is noch bij de verklaring, noch bij de toepassing voor de schrijver van essentiële betekenis, althans niet merkbaar. Wanneer dit aspect goed in ’t oog wordt gehouden, zijn deze Bijbelstudies zeker bruikbaar, zowel voor persoonlijke als gemeenschappelijke studie.

Ds. M.R. van den Berg, De eerste brief aan de Korintiërs, hoofdstuk 8-16. Uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam. 173 blz. Prijs f. 19,90.

Aan deze exegetische studie over het tweede deel van de eerste brief aan Korinthe werd de ondertitel „Vrij zijn om lief te hebben” meegegeven. Dit is een rake typering. Wie deze hoofdstukken aan de hand van de verklaring die sterk op de dagelijkse praktijk is gericht, bestudeert, zal ontdekken dat deze typering de kern van het Evangelie raakt in de Korinthische èn in onze situatie met alle problemen, moeiten, zonden en zwakheden die met de oerzucht van de mens naar het autonoom zijn gegeven zijn. De hoofdstukken 11 en 14 (met daartussen 12 en 13) concretiseren het „vrij zijn om lief te hebben” op een wijze die tot nadenken stemt. Natuurlijk kan dat ook van de andere hoofdstukken gezegd worden, maar rond het „hoogtepunt” in de brief (blz. 98, nl. 1 Kor. 13) komt dat m.i. heel goed uit. Graag aanbevolen.

Ds. R.J. van de Hoef, ….Hetgeen weldra geschieden moet. Flitsen en signalen van de eindtijd. Uitg. Kok, Kampen. Prijs f. 18,25.

Dit boek (133 blz.) is ontstaan uit een serie preken over de eindtijd. Er bleken allerlei vragen te leven, vooral over het duizendjarig rijk en de plaats van Israël in de eindtijd. De schrijver wil flitsend en signalerend een antwoord geven dat tot nadere bezinning en verdere verdieping zal leiden. In vijftien hoofdstukken waarin verschillende teksten - op één na alle uit Openbaring - aan de orde worden gesteld, wordt m.i. verantwoorde leiding gegeven, niet verrassend nieuw, wel degelijk actueel, inzicht verrijkend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.