+ Meer informatie

Besprekingen van de Heilige Oorlog 49.

4 minuten leestijd

’t Lustte de Vorst nu ook gedurig maaltijden te houden met de burgers van de vermaarde stad Mensziel. Nauwelijks ging er een week voorbij of daar werd een feestdis voor Hem en hen aangericht. Gelijk de bruidegom vrolijk is over de bruid, alzo is de Heere vrolijk over Zijn volk. Vroeger had Hij hun eenmaal een maaltijd bereid en dat was al een oorzaak van verwondering, maar nu was het alle dagen feest. Nooit mochten zij ledig van Hem heengaan. Altijd moest er een zegelring of een gouden keten, of armring zijn om Zijn Mensziel te verblijden. Soms bracht Hij een witte keursteen mee tot bevestiging in de staat der genade. En dat al deed de burgers spreken van Zijn milde handen en vriendelijke ogen tot lof van Zijn grote naam. Inderdaad, Mensziel was vorst Immanuël dierbaar als geschenk van Zijn Vader en als loon op Zijn arbeid en als tempel van de Heilige Geest. Werden sommige oudsten of andere burgers traag om op te komen als de Vorst verscheen om Zijn grote milddadigheid ten toon te spreiden, daar zij het zich met waardig keurden, dan zond Hij die mannen tot beschaming van hun schroom des te meer verkwikkingen van Zijns Vaders tafel. Want die schroomvalligheid was alleen maar weg te nemen door deze lieden des te meer klaarheid te schenken in het welbehagen des Vaders. Zeker, een diep besef van onze onwaardigheid met de ootmoedige bekentenis alle tijdelijke, geestelijke en eeuwige zegeningen onwaardig te zijn, siert het hart. Maar de grote Koning El-Schaddai heeft in Zijn Goddelijk welbehagen de verheerlijking van Zijn naam in Zijn uitgangspunt ten doel, en dat sluit alle waardigheid van de mens uit.

Ja, als Mensziel Hem niet zo vaak kwam bezoeken als Hij gaarne zag, stond de zaak anders. Dat vloeide voort uit een zekere lusteloosheid door te verachteren van de genade Gods. Een nalatigheid die het edele hart van de Vorst bedroefde en om die stad daarvan te genezen kwam. Hij met de blijken van Zijn liefde tot haar in dit woord: „Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen en de deur opendoen. Ik zal tot hem komen en Ik zal met hem avondmaal houden en hij met Mij.”

Werd bij het horen van deze bekende stem aan Zijn verzoek voldaan, dan kwam de Vorst binnen met de tekenen en zegelen van Zijn liefde waarmee Hij Zijn vorige liefde bevestigde om alle verdenkingen van het ongeloof weg te vagen.

Is dit nu geen teken en wonder van Gods genade in Jezus Christus door de dierbare werkingen van de Heilige Geest? Op dezelfde plaats waar Diabolus weleer verbleef en waar zijn Diabolisten huis hielden en dat bijna tot de uiterste verwoesting van Mensziel, dat daar nu de Heere wil wonen met de bediening van Zijn genade.

Tot roem van Gods genade is deze stad uit de heerschappij van zonde, satan en ongeloof opgehaald. Vernieuwd geworden, zodat de stad die weleer in een staat van vijandschap stond tegenover haar wettige Koning, Hem nu hartelijk hef heeft.

In deze grote werken van Gods genade is stof, ja overvloedig stof om eeuwig te zingen van Gods goedertierenheid. En dat te meer, daar de Heilige Geest het voor Zijn rekening heeft genomen deze zangers te leiden in al de diepten Gods, om Hem vanuit dat geestelijk kennen eeuwig te verheerlijken.

Nu alle oorzaken van scheiding en verwijdering waren te niet gedaan om de stad te stellen in het licht van Gods vriendelijk aangezicht, was haar een heerlijke maaltijd bereid en dat alle vijanden ten spijt.

Nu werd het betuigd: „De Heere is mijn Herder, mij zal mets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht tegenover mijn tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende. ”

Opdat nu de luister van deze stad des Heeren des te meer aan haar doel zou beantwoorden, werd een heerser haar aangesteld. Van oude tijden af heeft hij reeds ’t recht om te heersen tot onderdrukking van al het kwade dat het goede zoekt te verdringen.

Met de autoriteit van een apostel wordt het ons betuigd: „En de vrede Gods heerse in uw harten, tot welke gij ook geroepen zijt in één lichaam.”

De God des vredes wil dat de vrede zal heersen in het hart. Alle bewegingen en werkingen van ontevredenheid veroordeelt hij ten zeerste en eist een innige nauwgezetheid in het doen van de wil des Heeren. En dat is in het belang van de stad tot wasdom van het geestelijke leven, dat de Heere verheerlijkt in al Zijn doen.

Nijkerk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.