+ Meer informatie

TWEE SOORTEN DIAKENEN BIJ CALVIJN

18 minuten leestijd

In de laatse Latijnse uitgave van de Institutie brengt Calvijn ter sprake dat erin Rom. 12:8 twee soorten van diakenen onderscheiden worden. Bij de tweede soort denkt hij met name aan de dienst van vrouwen. Men kan aan deze uitspraak consequenties verbinden, zoals bv. gedaan is in de Bijbels-theologische verkenning, samengesteld door ds. C. den Boer. De vraag is: wat bedoelde Calvijn? Hoe kwam hij aan zijn opvatting? En hoe functioneerde een en ander in de praktijk in Geneve? En: hoe kunnen wij vandaag met deze gegevens praktisch omgaan?

1. Wat bedoelde Calvijn?

In de Institutie lezen wij: ‚De zorg voor de armen was aan de diakenen toevertrouwd. Hoewel: in de brief aan de Romeinen worden twee soorten aangenomen. ’Wie uitdeelt’, zegt Paulus daar, ’doe het in eenvoud; wie barmhartigheid oefent, met blijdschap’ (Rom. 12:8). Aangezien het zeker is, dat hij daar spreekt over de publieke ambten in de kerk, moeten er twee onderscheiden graden zijn geweest. Wanneer mijn oordeel mij niet bedriegt, wijst hij in het eerste gedeelte diakenen aan, die de aalmoezen bedienden. In het andere echter bedoelt hij hen, die zich toegewijd hadden een het verzorgen van armen en zieken. Tot deze soort behoorden de weduwen, van wie hij melding maakt in de brief aan Timotheus (1 Tim. 5: 10). Want de vrouwen konden geen enkel andere officieel ambt bekleden, dan dat zij zichzelf gaven tot het dienen van de armen. Wanneer wij dit aannemen, zoals het immers ongetwijfeld aangenomen moet worden, waren er twee soorten van diakenen, waarvan de ene de kerk diende in het beheer van de zaken der armen, en de andere in het verzorgen van de armen zelf. En hoewel het woord diakonia zelf een ruimere betekenis heeft, noemt de Schrift toch hén speciaal diakenen, die de kerk gesteld heeft over het uitdelen van de aalmoezen en het zorgdragen voor de armen, en die zij als het ware tot beheerders van de openbare armenkas heeft aangesteld. Lucas beschrijft in de Handelingen hun oorsprong, instelling en functie (Hand. 6: 3)....Zie, wat voor diakenen de apostolische kerk heeft gehad en welke wij naar haar voorbeeld behoren te hebben’(lnst.lV,3,9).

Het is duidelijk dat Calvijn met zijn onderscheiding van twee soorten diakenen een verschil aanbrengt tussen ’administratie’ en praktische verzorging, uitdelen van de aalmoezen en zorgdragen voor de armen, waarbij dit laatste vooral in de letterlijke zin van het woord is op te vatten. Het blijkt ook, dat Calvijn bij de tweede categorie denkt aan ’diaconessen’, die hij in dit verband gelijkstelt met de ’weduwen’ over wie Timotheus op de genoemde plaats spreekt.

Deze vereenzelviging van ’diaconessen’ met de ’weduwen’ waarvan melding wordt gemaakt in Timotheus, treffen we ook aan in het gedeelte, waarin Calvijn spreekt over de geloften, die in de roomse kerk werden gedaan door monniken en nonnen (Inst. IV, 13, 19). Hier ontzenuwt Calvijn het beroep op de Schrift, zoals dit door de roomse theologie werd uitgebracht wanneer het ging om het afleggen van een belofte om ongehuwd te blijven. Paulus spreekt over weduwen, die de leeftijd van zestig jaar bereikt hadden, terwijl Rome die leeftijd later geheel buiten beschouwing liet. ’Hoe heeft men deze plaats van Paulus op de nonnen kunnen betrekken? Want de diaconessen werden gekozen niet om door gezang of onbegrepen gemurmel God te strelen en de overige tijd in ledigheid te leven, maar om de openbare dienst van de kerk jegens de armen waar te nemen en zich met alle ijver, naarstigheid en vlijt toe te leggen op de plichten der liefde’. Hun belofte diende om des te vaardiger te zijn in het volbrengen van hun taak (munus).

Wanneer we de uitleg, die Calvijn geeft van Rom. 12:8, opslaan lezen we daar het volgende: Die geeft, in eenvoudigheid: ’Uit dit laatste gedeelte kunnen wij duidelijk zien, dat ons hier getoond wordt, wat het wettig gebruik is van Gods gaven. Onder degenen die geven waarover hier gesproken wordt, verstaat hij niet degenen, die van hun eigen goederen mededelen, maar de diakenen, die aan het hoofd staan van de verdeling van de openbare goederen van de kerk. Onder degenen, die barmhartigheid oefenen verstaat hij echter de weduwen en de andere dienaren, die met de leiding belast waren van de verzorging van de zieken volgens de gewoonte van de oude kerk. Want het zijn twee verschillende functies, die van het uitdelen van het noodzakelijke aan de armen én het zichzelf de moeite getroosten om hen te behandelen. Verder duidt hij met de eerste woorden aan de eenvoud, waardoor zij zonder bedrog of aanzien des persoons hetgeen hun is toevertrouwd eerlijk uitdelen. Van de laatsten verlangt hij dat zij hun dienst verrichten met opgeruimdheid, opdat zij niet door hun stugheid, zoals maar al te vaak pleegt te geschieden, de genade aan hun ambten ontnemen’(Rom. 12:8). In de eerste brief aan Corinthe verwijst Calvijn naar deze plaats, met de opmerking dat de apostel hier twee soorten van diaconie onderscheidt (1 Cor. 12:28). Ook uit deze plaatsen wordt wel duidelijk, dat Calvijn van oordeel was, dat er in het diaconaat een tweevoudig aspect is. Het eerste ziet vooral op het behartigen van de zorg voor de armen, waardoor aan deze uit de publieke middelen van de kerk het nodige verschaft wordt voor hun levensonderhoud. Voor Calvijn is dit, gezien de volgende waarin hij de dingen plaatst, de eerste taak van de diakenen. De andere soort van diakenen (species of genus) is belast met de directe, praktische, daadwerkelijke hulp. Daarbij denkt Calvijn aan zieken die door een blijmoedig gezicht opgebeurd worden: ’Want een zieke, of iemand die op een andere manier bedrukt is, wordt immers door niets zozeer getroost, dan wanneer hij ziet dat er harten zijn, die zich blij en vaardig geven om hem te helpen; evenzo zal hij het als een smadelijke behandeling opvatten wanneer hij de triestheid ziet op het gezicht van degenen door wie hij geholpen wordt’. Calvijn denkt inderdaad bij de tweede ’functie’ aan blijmoedige mensen, die de handen met een opgeruimd gezicht uit de mouwen weten te steken. Geen wonder, dat zijn gedachten daarbij uitgingen naar de figuur van de ’diacones’ of ’weduwe’, waarvan hij de laatsten in het Nieuwe Testament vond, terwijl de eersten hem uit de geschiedenis van de oude kerk bekend waren. Hoe hij aan die gedachten kwam, en of ze juist waren, moet hier nu buiten beschouwing blijven. In ieder geval heeft hij de tweeerlei functie, het twee-soortige, de tweeërlei aard binnen het éne diaconaat onderkend en dit zelfs in het Nieuwe Testament teruggevonden.

2. Hoe kwam hij aan zijn opvatting?

Bij de beantwoording van deze vraag blijken twee meningen naast elkaar te staan. De eerste gaat uit van de historische situatie die Calvijn in Genève aantrof, toen hij daar in 1536 voor het eerst kwam. Een jaar daarvoor reeds was er een algemeen hospitaal opgericht, om nauwkeurig te zijn, op 14 november 1535. Dit geschiedde in verband met de uittocht van priesters, monniken, nonnen, kanunniken en andere geestelijken, die in de hete strijd om de reformatie een goed heenkomen zochten. Daardoor dreigde de gehele sociale verzorging in het ongerede te raken. Voordien werd deze zorg uitgeoefend in zeven kleinere hospitalen, nu werd de gehele verzorging geconcentreerd in het Sancta-Claraconvent. Op advies van een commissie werden een zekere Claudius Salomo met zijn vrouw belast met het beheer van dit nieuwe hospitaal. Zij namen intrek in het gebouw en men besloot om de inkomsten van andere kerkelijke goederen beschikbaar te stellen voor het sociale werk dat in de nieuwe inrichting werd verricht. Twee geschikte commissarissen werden benoemd om toezicht te houden, terwijl het genoemde echtpaar het ambt heilig beloofde te vervullen (Les sources du droit du Canton de Genève, T.2, Arau 1930, p.302vv.). Er kan nauwelijks twijfel over bestaan, of Calvijn heeft in zijn eerste ontwerp-kerkorde in 1541 zich bij deze bestaande situatie aangesloten. In 1561 werd deze zelfde kerkorde in een herziene vorm uitgegeven, maar de bepalingen omtrent het diaconaat bleven vrijwel ongewijzigd. Ook hier verwees Calvijn weer naar de situatie in de oude kerk: daar waren altijd twee soorten diakenen geweest. De taak van de eerste soort was het goed voor de armen, bijeengebracht uit de dagelijkse aalmoezen en andere inkomsten, te beheren, te verdelen etc., terwijl de anderen, de taak hadden om de zieken te verzorgen en de armen te voeden. ’Daarom is het betamelijk dat alle christelijke steden zich daarop richten, zoals wij het ook geprobeerd hebben en verder nog zullen trachten te doen’. Calvijn maakt verder onderscheid, in overeenstemming met het hierboven vermelde, tussen de beheerders van de kas (vier in getal, met één voorzitter), procureurs genoemd en de hospitaliers. We zouden kunnen zeggen: de beheerders van de kas èn de verzorgers van de zieken, armen, weduwen, wezen, zwervers, vluchtelingen en andere armen.

We kunnen de bepalingen van deze kerkorde van 1541/61 hier verder laten rusten. Alleen vermelden we nog, dat Calvijn de verkiezing van de procureurs èn van de hospitaliers op precies dezelfde manier wilde laten geschieden als die van de ouderlingen, die aan de kerkeraad was toevertrouwd, en dat men bij de verkiezing de regels in acht zou nemen, die Paulus voorschreef voor de diakenen. Daarmee had Calvijn de regelingen, die in de praktijk reeds golden voor het éne algemeen ziekenhuis uit 1535, opgenomen in zijn kerkelijke organisatie.

De gedachte wordt nu verdedigd door kenners van de geschiedenis, dat Calvijn zijn regelingen op papier zette, nadat hij de functionering ervan in de praktijk had waargenomen en dit niet alleen, maar ook, dat hij zijn visie op het tweevoudig aspect van het diakenambt aan de heersende praktijk in Genève heeft ontleend.

Een voorbeeld van deze benadering treffen wij aan in de studies van Robert M. Kingdon, een man die zijn sporen verdiend heeft in het onderzoek van de historische situatie in Genève. Het laatst deed hij dit in een samenvattend opstel over Calvijns gedachten over het diaconaat (’Calvin’s Ideas About the Diaconate: Social or Theological in Origin’, in Piety, Politics and Ethics. Reformation Studies in Honor of George Wolfgang Forell, Edd. C. Lindberg, Kirksville 1984, biz. 167-180).

Daar tegenover staat de visie, die staande houdt dat Calvijn zijn gedachten omtrent het diaconaat ontwikkeld heeft in gesprek met de exegetische traditie, d.w.z. tegenover rooms-katholieke exegeten van zijn tijd en zich baserend op wat de Schrift zegt omtrent de oorsprong van het diakenambt. Deze gedachte is met een keur van argumenten verdedigd door Elsie Anne McKee in haar fraaie studie: John Calvin on the Diaconate and Liturgical Almsgiving, Genève 1984. Terwijl de rooms-katholieke exegeten in hun verklaring de diaken zagen als een helper van de bisschop, in overeenstemming met hun ambtsleer, legde Calvijn de nadruk op het feit, dat de diaken beschouwd moest worden als dienaar van de gemeente terzake van de uitvoering van christelijke liefde en gemeenschap. In haar studie toont zij aan, dat Calvijn zich niet liet leiden door een historische situatie, zoals hij deze in Genève aantrof, maar door zijn theologie. Daardoor was hij gedwongen om zich te houden aan de Schriftgegevens en plaats in te ruimen in zijn denken voor een tweesporig diaconaat: de diaken als administrator van de kerkelijke goederen ten behoeve van de armen en behoeftigen, èn de diaken als praktische helper, die ter plekke de handen uit de mouwen stak.

Door de verbinding tussen Rom. 12:8 en 1 Tim. 5: 3-10 was Calvijn vervolgens in staat om te spreken van diaconessen, die hun taak voornamelijk vonden in de praktische sector van het diaconaat. Daarbij vereenzelvigde Calvijn de weduwen uit 1 Tim. 5 met deze diaconessen en was hij in staat om de praktische omschrijving die Paulus van de functie van de eersten toe te passen op de laatsten.

Het zou ons op dit moment te ver voeren, wanneer we deze twee meningen of zienswijzen omtrent het dubbele diaconaat bij Calvijn verder vergeleken of toetsten. Waarschijnlijk kan men beide gedachten in het oog houden. Immers, Calvijn staat met zijn visie op de ambten, ook op het diakonaat in een traditie, waarbij Basel én Straatsburg beide binnen de gezichtskring komen. En het is wel zeker dat daar dikwijls sprake van was van een samengaan van theorie én praktijk, terwijl deze in Genève niet altijd samengingen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het feit, dat het tot 1568 duurde (vier jaren na het overlijden van Calvijn) voor men daar in de gemeente in de eredienst collecteerde voor de armen, terwijl er ook reden is, om aan te nemen dat Calvijns gedachten, ook die omtrent het diaconaat, in Genève niet werden overgenomen: dit pleit ervoor om te zeggen, dat Calvijn de man is geweest, die aan de theologie en aan de exegese inzake het diaconaat de prioriteit heeft gegeven, bóven de institutionele omstandigheden die hij in Genève aantrof. Maar dit alles zou een te verregaand onderzoek vorderen, dan de gelegenheid ons voor het heden toestaat.

3. Hoe functioneerde één en ander in de praktijk?

Intussen weten wij juist omtrent de praktijk in Genève wel het één en ander. Het zijn de preken van Calvijn die licht werpen op de vraag of Calvijn de mogelijkheid heeft gezien om zijn theologische én praktische ontwerpen daar te verwezenlijken. En zoals het met andere aspecten van zijn theologie staat, zo treffen we ook hier de situatie aan: Calvijn moest het in vele opzichten bij de theorie laten, zoals in dit geval ook blijkt. In zijn commentaar op 1 Tim. 5 (1548) had hij uitvoerig nog de norm van Gods Woord aangelegd. De ’weduwen’ over wie Paulus sprak, werden niet verwezen tot een luie en deugdeloze ledigheid, maar om de armen en zieken te dienen, totdat zij door zwakheid verhinderd om dit werk uit te oefenen mochten rusten met verlof van de gemeente.

Calvijn had daarbij het oog op de dienst die aan de heiligen bewezen moest worden. Er bestond, zo beoogt Calvijn een wederzijdse verplichting tussen hen en de kerk, tot wier dienst zij zich geheiligd hadden.

Enkele jaren later preekte Calvijn over de brief aan Timotheus en daarbij bepaalde hij de gemeente op een indringende manier bij de gebreken die zij vertoonde.

Hij schetste breedvoerig de plaats en betekenis van de ’weduwen’ bij de toelichting op de woorden ’Eer hén die werkelijk weduwen zijn’. Welnu, dit woord ’eer’ geeft zo veel aan, dat hij hen bij hun taak bepaalt en als het ware onder zijn bescherming plaatst. En dit wordt expres gezegd, omdat hij de weduwen die nu oud waren geworden, zoals straks nog zal blijken, als het ware in een hospitaal werden opgenomen en daar gevonden werden. Het is waar, dat zij ondanks dat hun werk verrichtten, maar wanneer zij iets nodig hadden dan werd het hun verschaft uit de aalmoezen en toch hielden zij tevens het opzicht over de zieken. In het kort, zij die ’weduwen’ waren wijdden zich geheel en al toe aan de dienst van de kerk. Zij waren als openbare personen (personnes publiques) en zij droegen daarvan ook de naam, dat zij dienaren waren. Want zoals er mensen waren om de aalmoezen te verdelen en deze te ontvangen, zo waren de ’weduwen’ er om de zieken te troosten en om de huishouding te verzorgen voor de armen die van de aalmoezen verzorgd werden.

Het was een ’orde’ van de weduwen, die op die manier in de bestuurswijze van de kerk was opgenomen, een orde, waarvan Calvijn op de preekstoel moest verklaren, dat die in zijn dagen niet werd gevonden: ’in ieder geval moeten wij opmerken, voor wat de tegenwoordige tijd betreft, dat er toen iets geweest is, dat wij vandaag niet hebben. Het is waar, dat er onder christenen ziekenhuizen zijn, maar de zaak is zó mager, dat het jammer is. En telkens wanneer wij een vergelijking zouden willen maken met de tijd waarover Paulus spreekt, zo verzoek ik u te willen bedenken of wij niet beter moeten onderhouden wat hij hier schrijft’.

Zo blijkt heel duidelijk uit de preken van Calvijn, waarin hij uitvoerig op de tekst van 1 Tim. 5 ingaat, dat men in de praktijk niet verwezenlijkt had, wat Gods Woord zo duidelijk leerde: ’Wanneer wij lezen over de orde, die hier door Paulus vermeld wordt, moesten wij ons schamen, dat de leer van het evangelie onder ons gepredikt wordt en dat we toch geen idee hebben van wat in dit gedeelte is opgesloten wanneer het om de praktijk gaat. Want waar zijn vandaag de ’weduwen’ die zo’n hoog geëerd ambt hebben, waarvan wij melding hebben gemaakt? Wij zien dus, dat het Woord van God niet zo’n kracht onder ons heeft als wel gehoopt mocht worden, voorzover wij wel de leer daaromtrent hebben maar de praktijk moet ver gezocht worden. Dit is een volkomen vreemde en onbekende zaak voor ons. Daarom wordt dit getuigenis aan ons overgeleverd en niet zonder oorzaak. Want dit geschiedt in de eerste plaats opdat wij zouden leren om zulk een orde in de kerk te onderhouden, dat wij mogen herkennen dat het God is, die in ons midden regeert. Zo dienen we ook alles heilig te achten wat tot zijn dienst behoort en niets te laten beheersen door onze gevoelens, wetende dat het er alleen op aankomt, dat hetgeen God voor de regering van zijn kerk heeft ingesteld, in praktijk moet worden gebracht. Het feit dat wij nog niet zo’n organisatie van de kerk hebben als Paulus ons hier voor ogen houdt, moest ons de ogen doen neerslaan, wetende dat er zoveel verkeerds is onder ons, waardoor wij terecht schuldig worden verklaard en waarvan de papisten ons een verwijt kunen maken’.

Hoe wij deze uitspraken in de preken van Calvijn juist moeten taxeren is niet helemaal duidelijk We krijgen niet de indruk uit andere gegevens, dat Calvijns moeite met de situatie erg groot is geweest. Hij heeft er blijkbaar vrede mee gehad, dat in het hospitaal van Genève het werk verricht werd door een echtpaar, daarin bijgestaan door mannelijk en vrouwelijk personeel. Maar, nu opnieuw de vraag overwegend, hoe Calvijn tot zijn opstelling van het dubbele diaconaat kwam, komt het ons voor, dat zijn exegese niet allereerst een kwestie is geweest van opportuniteit, die er op bedacht was om heersende toestanden met het gezag van de Schrift te dekken. Daaraan (aan die heersende toestanden) ontbrak in het licht van de Schrift in het oog van Calvijn nog maar al te veel.

Hoe kunnen wij vandaag met deze gegevens praktisch omgaan?

In de waardevolle studie, die vanwege de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk is uitgegeven over Man en vrouw in bijbels perspectief, komt zoals te verwachten viel, Calvijn ook ter sprake. Daarbij speelt de kwestie van het ’dubbele diaconaat’ een rol, eerst in een excurs, die verwijst naar wat daaromtrent door Calvijn in de Institutie werd te berde gebracht en naar Rom. 12:8 en 1 Tim. 5. De gedachte wordt weer opgenomen wanneer in het laatste hoofdstuk, overigens zonder vermelding van bronnen, wordt gestelt, dat het college van diakenen de kerkeraad assisteerde: ’Bij Calvijn en in de Dordtse Kerkorde functioneerde het college van diakenen echter meer als een college, dat de kerkeraad c.q. het consistorie assisteerde. En het is in dit college, dat bij Calvijn ook de vrouw een plaats heeft. Calvijn schrijft over twee graden in het openbare ambt der kerk, nl. van de diakenen. Hij onderscheidt twee soorten diakenen:

a) diakenen voor het besturen van de zaken der armen en

b) diakenen voor het verzorgen van armen en zieken. En bij het laatste denkt Calvijn dan ook aan vrouwen’.

Uit het bovenstaande kan echter duidelijk zijn geworden, dat Calvijn, ook al onderscheidt hij tweeërlei soort (genus) binnen het diakonaat, blijkens zijn uitlatingen in de preken over 1 Timotheus de Schriftgegevens in Genève niet verwerkelijkt zag. Daarom komt mij de conclusie, dat Calvijn via een assisterend college van diakenen de vrouw een plaats gaf binnen de kerkeraad, niet geheel juist voor.

Maar dit neemt niet weg, dat men ook bij Calvijn allerlei gegevens vindt die het mogelijk maken om tot een meer positieve waardering van de plaats van de vrouw binnen de gemeente te komen. Zijn er niet reeds verscheidene gemeenten, waar geheel in de zin waarin Calvijn dit bedoelde, in overeenstemming met de gegevens van het Nieuwe Testament, de vrouw wordt ingeschakeld in allerlei kerkewerk?

Dat men daarbij voorzichtig moet zijn met het overbrengen van bijbelse gegevens lijkt op het eerste oog reeds duidelijk. We zullen, de exegese dwingt ons daartoe, niet een zo vanzelfsprekend is-gelijkteken mogen zetten tussen de diacones en de ’weduwe’. In dit opzicht heeft Calvijn te gemakkelijk identiteit aangenomen.

De ’weduwen’ uit 1 Tim. waren geen ’diaconessen’, zoals deze er in de oude kerk zijn geweest. Maar dat is weer een andere geschiedenis. Wél wettigen de gegevens, die Calvijn ter sprake bracht, de gedachte dat het diaconaat rijk geschakeerder kan worden uitgeoefend dan wij vandaag realiseren. Ook de geschiedenis van de ’diacones’ in de oude gereformeerde traditie, zoals we daarover lezen bij Voetius en Koelman en zoals daarvan voorbeelden te geven zijn uit onze eigen vaderlandse kerkgeschiedenis geeft aan, dat van de dienst (diakonia) van de zusters der gemeente ook in een meer officiële vorm, gebruik zou kunnen worden gemaakt. En daarbij kan Calvijns onderscheiding van twee soorten diakenen een handvat bieden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.