+ Meer informatie

De Christinnereis is voor jong en oud

7 minuten leestijd

45.

Zo togen Stoutmoedig, de oude Eerlijk en de vier jonge mannen naar het kasteel Twijfel om de reus op zijn eigen erf te bestoken. Voorde poort van het slot gekomen^ klopten zij met ongewoon gedruis en terstond kwam de oude reus aan de poort, gevolgd door zijn vrouw Ongeloof. Nu riep hij: „Wie is zo vermetel om mij op deze wijze te bestoken?” „Ik ben het. Stoutmoedig”, riep deze terug, „één der gidsen, door de Koning van de Hemelstad gezonden om pelgrims naar de plaats van hun bestemming te geleiden. Maak u gereed tot de strijd, want ik zal uw hoofd van u wegnemen en uw kasteel verwoesten!”

Nu was reus Wanhoop overtuigd, daar hij een reus was, dat niemand hem zou kunnen overwinnen, „want”, zo dacht hij, „ik heb wel engelen ten onder gebracht, en wat zou Stoutmoedig dan tegen mij vermogen!”

Hij deed dus zijn harnas aan en trad naar buiten. Op zijn hoofd had hij een stalen helm en om zijn middel een vurige gordel, zijn voeten waren geschoeid met ijzer en hij had een zware knots in de hand. Maar daar zag hij zich eensklaps aangevallen door de zes mannen, die hem van achteren en voren bezetten, en toen zijn vrouw Ongeloof hem ter hulpe wilde snejlen, velde de oude Eerlijk haar met een enkele stoot ter aarde. Het was een strijden ten bloede toe, want de reus verweerde zich met de kracht der wanhoop. Hij streed en streed, dat het wel scheen alsof er geen beslissing zou komen, daar van hem waar bleek wat men weleens van een kat zegt, dat zij negen levens te verliezen heeft. Maar eindelijk zonk hij dodelijk getroffen ter aarde en Stoutmoedig sloeg hem het hoofd van de romp.

Weldadig heeft het door alle tijden heen de oprechten aangedaan dat deze overwinning werd behaald in de naam des Heeren. Maar dat zou niet gekund hebben zo de grote Koning tot in de diepste diepte van de hel niet getriomfeerd had over het ongeloof door te vertrouwen op Zijn God en Vader.

Nu trokken de overwinnaars op het kasteel los om dat te verwoesten, want nu de reus dood was, viel er aan geen verdediging te denken. Zeven dagen hadden zij werk met slopen, doch eerst hadden zij nog het voorrecht twee pelgrims, die in het kerkerhol zaten opgesloten, te bevrijden.

Het waren een zekere Neerslachtig en zijn dochter Zeerbevreesd, die bijna uitgehongerd, maar toch nog in leven waren. Het was een wonder, dat zij niet mede waren omgekomen, vooral als men zag welk een menigte doodsbeenderen en half vergane lijken de lucht verpestten.

Toen Stoutmoedig en zijn dapperen hun werk ten einde hadden gebracht, namen zij Neerslachtig en Zeerbevreesd onder hun hoede, want het bleken eerlijke mensen te zijn, die in de macht van de reus waren geraakt. Ook droegen de eersten het hoofd van de verslagen vijand op de spies mee om hun vrienden al van verre te tonen wat zij hadden verricht. Zodra Kleinmoedigen Lichtvertraagd dat afgehouwen hoofd zagen, waren zij buiten mate verheugd. Nu kon Christinne als het nodig was op de viool spelen en haar dochter Barmhartigheid op de luit. En daar zij nu zo vrolijk gestemd waren, speelden zij en Lichtvertraagd wou dansen. Daarom nam hij Zeerbevreesd, dochter van Neerslachtig, bij de hand, en zij dansten op de weg. Nu kon hij weliswaar niet dansen zonder kruk in zijn hand, maar ik verzeker u, dat hij zijn voeten goed gebruikte. Ook het meisje verdiende lof, want zij bleef goed in de maat. De Heere wil dat wij ons verblijden in Zijn reddende liefde, tot opspringens toe. Naar Zijn belofte zal de kreupele springen als een hert. Dat leren zij van de Heere, want zij zien Hem komen, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen.

Doch Neerslachtig gaf om die muziek niet veel. Hij had meer behoefte aan voedsel dan aan dansen, want hij was de hongerdood nabij. Daarom gaf Christinne hem iets uit haar fles tot dadelijk herstel en toen bereidde zij hem een maal. In korte tijd kwam de oude heer tot zichzelf en herleefde geheel.

Daarop nam Stoutmoedig het hoofd van reus Wanhoop en zette het op een paal terzijde van de weg, juist tegenover de pilaar, die de Pelgrim had opgericht, tot een waarschuwing voor pelgrims, die na hem zouden komen, om niet op deze grond te gaan. Daaronder schreef hij op een marmeren steen het volgende vers:


Dit is het hoofd van hem, wiens naam alleen De pelgrims reeds deed sidderen voorheen.
Zijn burg ligt thans in puin, vrouw Ongeloof
moest sneven;
Stoutmoedig nam haar man na felle strijd het
leven.
Neerslachtig en zijn dochter Zeerbevreesd,
Stoutmoedig ook hun redder is geweest.
Wie twijfelt,— dat hij slechts zijn ogen sla
Hierheen, en alle twijfel wijkt weldra,
Dit hoofd, wijl twijfelmoedige kreupelen
springen,
Toont hun verlossing uit bekommeringen.

Het kasteel Twijfel ligt in puin daar reus Wanhoop het niet langer kon verdedigen. Hij moest met zijn vrouw Ongeloof het onderspit delven. Twijfel dient tot onderdrukking van het geloof en dat werkt het ongeloof in de hand om ons wanhopig te maken.

Voor zo ver ons bekend is er maar één middel tot bevrijding uit het kasteel Twijfel. Al is reus Wanhoop ter neder geslagen en zijn kasteel afgebroken, dan zijn wij daardoor nog niet ten volle van de helse twijfelgeest bevrijd. Het reuzengeslacht, dat al de reizigers naar Sion zoekt op te bergen in een twijfelkasteel om ze uit te mergelen, is echt nog niet tot de laatste reus toe omgebracht. Daar zijn nog heel wat van die Enakskinderen waarvoor Israël oudtijds al op de loop ging. En vele Israëlieten zijn in de vertwijfelingen van het ongeloof omgekomen. De Pelgrim is met Getrouw uit het vunzige kerkerhol van twijfel ontvlucht door gebruik te maken van de sleutel Belofte. Hij paste op alle sloten al werkten sommigen ook al wat stroef. Wellicht is Neerslachtig en zijn dochter Zeerbevreesd niet op de gedachte gekomen van de sleutel Belofte gebruik te maken. Echte pelgrims, en wij mogen geloven dat zij dat waren, hebben toch altijd de sleutel Belofte bij zich. Als kinderen van de belofte leven zij toch uit de belofte van het Evangelie. Zonder gebruik te maken van de beloften is het toch niet mogelijk het hart uit te storten voor de Heere. Maar nu komt het aan op de oefeningen in het gebruik van de beloften, die ons altijd ontdekken aan een groot gemis. Beloven dient ons in de eerste plaats niet om ons in het bezit van de zaak te stellen, doch in het gemis daarvan, opdat er een schreeuwen uit geboren zou worden tot de Heere om de vervulling. Uit de aard van Neerslachtig en Zeerbevreesd is het ons bekend dat zij in het gebruik van de beloften weinig geoefend waren. Werd er op aangedrongen dat meer te doen, dan was het antwoord dat zij zo bevreesd waren zich te bedriegen. Maar dat is niet nodig, als kinderen van de vader der leugen kunt u er ten volle zeker van zijn dat de mens een zelfbedrieger is. Laat ons dan ook de Heere smeken om de vervulling van deze belofte: „En Ik zal geven dat hun werk in der waarheid zal zijn”. Wie het bezit van de belofte houdt voor het bezit van de zaak bedriegt zich en daarom moet het zijn een smeken om de vervulling van de belofte in ons hart en leven.

Op verschillende plaatsen zitten tot op de dag van heden pelgrims te zuchten en soms de wanhoop nabij en in hun hart houden zij Gods Woord toch voor waarachtig. Laat u dan ook niet door een helse twijfelgeest afhouden van het gebruik van de beloften. Smeek de Heere toch om de vervulling van Zijn beloften, want Hij wil er om verzocht worden dat te doen. En al kunt u dat niet doen zoals u het zoudt willen doen en het betamelijk is te doen, doe het maar zoals u kunt, want niet één bidder is in staat dat volmaakt te doen. Smeek de Heere om ontferming, want Zijn ontfermende liefde is onuitputtelijk!

Nijkerk

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.