+ Meer informatie

Uit de Praktijk

5 minuten leestijd

3.

Het leven is als eb en vloed. Deze uitspraak wordt hier en daar wel vernomen uit de mond van des Heeren volk, en de betekenis daarvan is klaar en duidelijk.

Waar de Heere het leven gewerkt en geschonken heeft, gaat de weg niet altijd over rozen. Het is niet altijd vrede en blijdschap in het hart, de nabijheid des Heeren wordt in het gevoel niet altijd gesmaakt. Hoe menigmaal gaat men in het duister, hetzij omtrent het statelijke of het standelijke. Wat zijn de twijfelingen vele, en de bestrijdingen groot. Mag men de ene tijd zich eens verwonderen vanwege de aangebrachte gerechtigheid en verzoening van de Borg en Zaligmaker, of in het verzekerende werk van God de Heilige Geest, menigmaal is het of dit alles met een sluier bedekt is, en gaat men als in het donker zijn weg, en wordt men dan bestreden, of wordt het werk betwijfeld. Wat is het dan treurig gesteld. Ja, dan kan het gebeuren, dat men wel zegt: „Ik ben de ellendigste van alle mensen, en loopt men met een gesloten mond over de aarde, mijdende de omgang met des Heeren volk, en zwijgende van het goede.

In zulk een toestand verkerende, schrikt men wel eens om een vroom mens te ontmoeten, want men is bevreesd om zich voor een medemens te verklaren.

Zulk één ontmoetten wij eens, toen wij een zeker gezin zouden bezoeken. Tevoren was door ons gevraagd of dit bezoek gelegen kwam, en daar was toestemmend op geantwoord. Later bleek ons dat er groot bezwaar tegen was, maar fatsoenshalve wilde men ons niet weigeren.

Ter bestemder tijd zijn wij bij die mensen gekomen en werden wij binnengelaten.

Het eerste wat wij bij de begroeting vernamen was: „Wel mensen, wat komen jullie toch hier doen? Alles is verkeerd, ik durf mijn mond niet open te doen. ’t Is alles maar inbeelding geweest, ik heb me grotelijks bedrogen, het ligt van binnen geheel in de war, ik zal nog als een huichelaar openbaar komen; men zegt van binnen, dat er niets van waar is wat je ooit verteld hebt”.

Dit ging zo al even door, en wij lieten hem wat uitpraten.

„Zo vriend, dat is dan wel treurig gesteld, hoe kunt u dat er onder uithouden? Is het al lang zo gaande?”.

„Ja man, zeg dat wel, al enige tijd loop ik zo te tobben, en er schijnt geen uitkomst voor me te wezen; alles wordt me zo bestreden, ik kan niet geloven dat er iets waarheid is geweest”.

„Ja vriend, we willen u toch wel eens iets vragen. Bij een vorige gelegenheid hebt u ons verteld hoe jaren geleden de Heere u te sterk is geworden, hoe u overtuigd bent geworden en ontdekt aan uw gans verloren staat voor de eeuwigheid, hoe u zondaar voor God bent gemaakt, en het hebt mogen toevallen dat het recht was als u voor eeuwig was weggeworpen geworden; dat er toen geen mogelijkheid was aan uw zijde tot verlossing, en u toen de mogelijk werd ontsloten in des Heeren Woord. Is u dat vergeten, of was het toen geen waarheid?

„Ja man, ik moet zeggen, toen was het waar. Wat heb ik toen veel mogen trekken uit die mogelijkheid die de Heere in Zijn Woord ontsloot, van die trekkingen Gods en die overbuigingen in mijn gemoed. Wat was de Heere toen goed voor zulk een schepsel, neen, dat kan ik niet loochenen, als ik daaraan terugdenk, wat lag alles toen teder”.

„En toen de Heere verder ging, en uw oog ontsloot voor de enige weg der verlossing, en voor de Verlosser, wat hebt u daar veel van mogen opdoen, en hoe werden uw werkzaamheden gericht op die gezegende Persoon, en welke onderhandelingen hebben toen plaats gehad tussen de Heere en uw ziel?”

„Ja, dat is waar. Welk een dierbaarheid vond ik in Hem, welke uitgangen en genegenheden tot Hem, en welk een drang in mijn gemoed om deel aan Hem te mogen hebben, ziende dat Hij mij zo noodzakelijk was. Ik kon Hem niet loslaten, en wat mocht ik geweld doen op dat Koninkrijk. Ja, dat ging met worstelingen gepaard, daar men dan ziet en gevoelt dat de Heere Jezus de enige toevlucht en rots der behoudenis is, en dat men alleen maar in Hem kan bestaan voor Gods aangezicht. Watheeft het de Heere toch gekost om Zijn volk, en iedere ziel in het bijzonder, vrij te kopen uit de kaken des doods.”

„Wel vriend, ik moet toch opmerken, dat hetgeen u het laatste hebt verhaald, toch geheel anders is dan het begin van ons gesprek. Hetgeen u ons eerst vertelde is geen onbekende zaak. Hoevelen van Gods kinderen hebben dat ondervonden. Zie maar eens naar de bijbelheiligen, als zij door de wederpartij werden belaagd, of als de binnenpraters de overhand schijnen te hebben, en er geen dierbaarheid in die gezegende Borg wordt gezien, en geen licht over het voorgaande, dan is het een zwaar leven; maar als het de Heere belieft die sluier een weinig op te lichten, wat wordt het dan een wonder, dat Hij nog te doen wil hebben met zo één. Want de oorzaak van deze duisternissen moet men maar veel bij zichzelf zoeken, hoewel het de Heere wel behaagt om Zichzelf te verbergen om wijze redenen Hem alleen bekend”.

Inmiddels was het reeds vrij laat geworden, en zouden we gaan vertrekken en eindigden wij met dankgebed voor deze bijzondere avond, waarin we mochten ervaren, dat de Heere niet verre van ons was. Onze vriend beleed ons, dat hij liever belet gegeven had, maar hoe het nu geheel anders was.

Ik ben dankbaar en verblijd over dit bezoek; wat is het een wonder als het oude nog eens vernieuwd mag worden. Ja, de Heere heeft het nog willen betonen ook deze avond, dat Hij toch voor Zijn eigen werk instaat.

Zeer kort hebben wij doorgegeven het gehoorde en gesprokene tijdens dit bezoek.

Met verwondering en verheuging mogen wij hier op terugzien.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.