+ Meer informatie

Storm op zee

Toen vreesden de zeelieden, en riepen een iegelijk tot zijn god. Jona 1:5

5 minuten leestijd

Door deze tekstwoorden worden wij bepaald bij de grote storm op zee welke de zeelieden overkwam, nadat zij Jona aan boord hadden genomen toen hij vluchtte voor het aangezicht des Heeren.

Deze zeelieden waren geenszins te verontschuldigen voor hun daad, want zij wisten wat zij deden toen zij Jona meenamen, want in het tiende vers lezen wij dat hij hun te kennen had gegeven dat hij bij God vandaan liep.

Nu is dat laatste op zichzelf geen wonder, want we zijn vanuit Genesis 3 allemaal al vluchtende van voor het aangezicht des Heeren. Het zal een groter wonder zijn als het eens anders in een mens zijn leven mag zijn en wij eens verwaardigd worden om gewilliglijk in des Heeren wegen te gaan. Dat zal dan nooit vrucht van eigen akker zijn, maar alleen van Hem Wiens spijze het was om te doen de wil Zijns Vaders, Die in de hemelen is, en Die nooit buiten de weg des Heeren gewandeld en gehandeld heeft.

Maar ook de zeelieden overkwam de storm dus om eigen schuld, en zo is het met alle stormen en beproevingen die de mens hier op aarde overkomen.

Gelukkig die mens, die daarvan de schuld dan eens mag krijgen te mijnen en te aanvaarden en daarin de Heere eens recht en gerechtigheid mag leren toeschrijven.

Maar als de Heere er niet in meekomt, dan is het veelal meer een bijten in de stok waar we mee geslagen worden. En dan kan er onder dat alles nog wel een roepen tot God gevonden worden, net als bij de zeelieden, maar onder dat alles blijft de mens zichzelf handhaven. „Zij riepen een iegelijk tot zijn god", lezen we. De een had een god van enkel liefde, de ander een god van genade en de derde weer een god van goedertierenheid, maar niet een van die zeelieden riep een God van rechtvaardigheid aan.

Eén voorrecht hadden die zeelieden nog, namelijk dat zij allen nog vreesden. Zij vreesden nog voor de dood en vreesden er nog voor om God te moeten ontmoeten.

Die vreze schijnt er bij velen in onze dagen ook al niet meer te zijn, getuige de gruwelijke en godonterende praktijken die er in ons arme vaderland plaatsgrijpen. Het is te vrezen dat velen hun consciëntie dienaangaande al met een brandijzer hebben toegeschroeid.

Maar duidelijk kunnen wij ook bespeuren dat deze consciëntievreze de zeelieden niet op hun plaats bracht.

Neen, er zal iets méér plaats moeten grijpen wil de mens te midden van de noden des levens eens op zijn plaats terechtkomen, namelijk liefde tot de rechtvaardigheid Gods, zoals wij dat helder in Jona kunnen waarnemen. Liefde tot het recht Gods doet de mens onder de Heere bukken en buigen, en de straf aanvaarden.

Ik weet, zeide Jona, dat deze grote storm ulieden om mijnentwil overkomt, werpt mij maar in de zee, zo zal de zee stil worden.

En zie, dat lezen wij nu niet van deze zeelieden, die toch uiteindelijk net zo schuldig waren als Jona. Ver kan het gaan in een mens zijn leven. Er kan een vreze voor God gevonden worden, vanwege de overtuiging van zonden en schuld, net als bij de zeelieden. Maarzo lang overtuiging geen overbuiging wordt, handhaaft de mens zichzelf en is het alles nog te kort voor de eeuwigheid.

Alleen dan wanneer wij eens vervaardigd worden om onder de Heere te buigen, zal hem de weg van verlossing en zaligheid in en door de arbeid Christi worden ontsloten en geopenbaard.

Die zeelieden riepen wel, maar tot een verkeerde god. De ware God, Die Zichzelf in al Zijn deugden in het hart van Zijn volk openbaart, neen. Die kenden zij niet en Jona wel. Hij kreeg er door genade zichzelf voor over. „Werp mij maar in de zee".

Nee, hij sprong niet zélf in de zee, want cfan zou hij eeri zelfmoordenaar geweest zijn. Maar dan zou er ook echt geen vis voor hem geweest zijn om hem in te slokken.

Als wij in een rechte weg geleid worden, dan krijgen wij er onszelf wel voor over, maar wij dóen het zelf niet.

Ook hier ligt een punt van onderscheid. Velen komen nog op een punt terecht dat zij er zichzelf voor over krijgen, maar zij doen het dan ook zelf en het gevolg is dat zij ook zichzelf erweer uithelpen.

Dit zijn overtuigde zielen, die erkennen dat zij schuldig zijn, en dan de belofte van het Evangelie aangrijpen.

Zij verdrinken in de zee van Gods toorn, maar met het hoofd net boven het water, dat wil zeggen: zij gaan er net niet in onder. Zij vergaan met het middel tot behoudenis net nog in het gezicht.

Maar 's Heeren uitverkorenen gaan onvoorwaardelijk verloren zonder uitzicht op behoudenis. Maar zij gaan dan ook liever verloren dan dat er één deugd van God gekrenkt zou worden. Een Evangelie buiten Gods recht is een evangelie zonder recht. Beware ons de Heere voor zulk een zielsmisleidende leer.

Jona werd, al was het aanvankelijk in zulk een rechte weg, behouden en er zal voor ons geen behoudenis zijn tenzij wij in dezelfde weg terecht mogen komen als Jona.

En als wij dan de behoudenis en de zaligheid onzer ziel mogen verkrijgen, dan zal dat ook nog niet zijn op grond van het feit dat wij onder Gods recht mochten leren bukken en buigen, maar alleen op grond van de arbeid van Hem Die, gelijk Jona drie dagen en drie nachten was in de buik van de walvis, drie dagen en drie nachten was in het hart der aarde.

Alleen de rechtsvervullende en de rechtsverheerlijkende arbeid van Christus zal de enige grond der zaligheid kunnen wezen.

De zeelieden werden behouden zonder het recht, maar dat was een behoudenis voor de tijd. Doch Jona werd behouden op grond van het recht, en dat was een behoudenis voor de eeuwigheid.

Dat laatste mocht de Heere u en mij nog willen leren, door de bearbeiding Zijns lieven Geestes.

Ds. A. D. Muilwijk, Dordrecht 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.