+ Meer informatie

Voor de jeugd

8 minuten leestijd

Beste Jongelui!

Rectificatie: In het vorige stuk is een regel weggevallen, die ik jullie toch nog graag even onder de aandacht zou willen brengen. Er staat, ongeveer halverwege: „Als ik wedergeboren ben, dan ga ik voor eeuwig verloren”. Gelukkig kan dat niet. Er moet staan: „Als ik wedergeboren ben, dan ben ik voor eeuwig behouden. En als ik het niet ben, dan ga ik voor eeuwig verloren”. Zo zal het wel duidelijk zijn, althans wat de zin betreft.

In verband met de wedergeboorte hebben we de vorige keer op heel veel oppervlakkigheid gewezen. De meeste jonge mensen en ook ouderen, helaas, denken aan de noodzakelijkheid van de wedergeboorte weinig of nooit. Maar er zijn ook anderen, gelukkig, die er wel aan denken en met de vraag zitten: Waar kan ik nu aan weten of ik wederom geboren ben, of niet? We hebben al eens eerder over deze dingen geschreven, maar het is heus niet overbodig om het nog weer eens een keer te doen. Je kunt dat op verschillende manieren doen, hoewel, wat de uitkomst van de zaak betreft, het over een uitkomt.

De wedergeboorte is een wonder van Boven. Een mens kan dit niet tot stand brengen. Bij zichzelf niet en bij een ander ook niet. Het is een „vrijmachtig” wonder. D.w.z.: De Heere werkt dit wonder door Zijn Geest, daar „waar Hij dat wil en niet daar, waar wij dat willen. Hij werkt dit wonder in de harten van de uitverkorenen. Er staat duidelijk in Rom. 9 dat het niet is desgenen, die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods. En Hij ontfermt zich, wiens Hij wil en Hij verhardt ook, wiens Hij wil. Dat is ook de bedoeling van wat er staat in Joh. 3, waar de Heere Jezus een gesprek met Nicodemus over de wedergeboorte heeft: De wind waait waarheen Hij wil...

Met dit al ben je natuurlijk nog niet veel verder gekomen. Want jij moet het voor je zelf weten of je wedergeboren bent of niet. Er zijn mensen die denken dat je daar dag en uur van moet kunnen aangeven. En als je dat niet kunt, alzo redeneren deze „harde heren”, dan is het nog niets met je. Men haalt er dan bij aan wat Johannes zegt, toen zij bij de Heere Jezus hadden verkeerd: „en het was omtrent de tiende ure”. Zie je wel, zeggen ze dan, Johannes wist het precies. Het is omtrent tien uur gebeurd. Nu is het natuurlijk een grote vraag, of met deze „tiende ure” het uur van de wedergeboorte aangedujd wordt. Ik geloof er, eerlijk gezegd, niets van. Ik geloof, dat Johannes toen al lang wedergeboren was. Ik schrijf „al lang”. Hoe lang weet ik natuurlijk ook niet. Maar dat de wedergeboorte in zijn leven toen reeds een feit was, weest daar van overtuigd. Want zij waren discipelen van Johannes de Doper. Die had ze op de Heere Jezus gewezen. En Die waren ze achterna gegaan. Dat achter de Heere aan lopen, was reeds een gevolg van de trekkende liefde des Vaders. Want niemand kan tot Mij komen, heeft de Heere Jezus gezegd, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke. Het woord „tien” uur heeft betrekking op een onvergetelijk moment, wat ze met de Heere Jezus hebben beleefd.

Zoekt dus nooit naar een bepaald tijdstip in je leven, waarop de wedergeboorte plaats gehad zou kunnen hebben. Want je bent, naar het oordeel der ouden, of te vroeg, of te laat. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat hier geen uitzonderingen op de regel zijn. Ik denk b.v. aan Paulus. Deze is krachtdadig staande gehouden en zou het derhalve een heel eind kunnen brengen om dag en datum van de wedergeboorte vast te stellen. Maar de m eesten kunnen dat niet. Het is ook niet belangrijk. Als dat belangrijk was, zou de Bijbel hierover wel duidelijker spreken. Belangrijk is, dat de wedergeboorte in de vruchten, die het leven draagt, tot openbaring komt. De vraag is dus: Welke vruchten draagt mijn levensboom? Want de boom wordt aan zijn vrucht gekend. Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen en een kwade boom kan geen goede vruchten voortbrengen. Dat wil weer niet zeggen, dat een wedergeboren mens geen kwaad meer doet. Want de voorbeelden zijn in de bijbel voor het grijpen om het tegendeel te bewijzen. Denk maar aan David. Dat was toch wel een wedergeboren mens, een echt kind van God. En toch heeft hij menigmaal nog zonden gedaan.

En als er dan toch staat, dat een goede boom geen kwade vruchten voort kan brengen, dan ziet dit op het uit God geboren deel. Wat uit God geboren is, zegt Johannes, dat zondigt niet. Wat de zonde wel doet, dat is het oude deel, de oude mens, het zondige bestaan, dat ook een kind van God bij blijft, tot aan z’n dood toe. Daar had Paulus ook zo mee te kampen. Hij noemt die oude mens, in Rom. 7: „een lichaam des doods”. Wie zou hem daarvan verlossen? Dat gebeurt als de laatste adem wordt uitgeblazen. Dus als de mens sterft. Dan is hij voor goed van z’n oude, verdorven bestaan verlost. Doch zo lang een kind van God, een wedergeboren mens dus, op deze aarde is, moet hij de oude mens met zich mee blijven dragen.

Weet nu elke wedergeborene voor zichzelf „bewust”, dat hij wedergeboren is? Dat geloof ik ook niet. Want als dat waar was, dan zouden er heel wat vragen opgelost zijn. Veronderstel dat elk kind van God, voor zichzelf, klaar en zeker kon zeggen: Ik ben een wedergeboren mens, dan zou er nooit meer twjjfel zijn over de vraag of men het in waarheid wel is. En daar wordt maar al te veel aan getwijfeld vaak, juist door Gods kinderen.

Ik denk in dit verband aan een klein kind, dat geboren wordt. Veronderstel, dat dat kind zodra het in de wereld komt, zou zeggen: Hier ben ik! Mijn naam is Jan! Ik ben een dag oud en weeg zoveel pond. Je zoudt, dacht ik, raar kijken, als zoiets gebeurde. Ik heb eens een geboortekaartje gehad, waarin de boreling zo zijn eigen geboorte aankondigde. Ik heb dit wel twee maal moeten lezen en moest toen voor mijzelf konstateren: Dat kan natuurlijk niet, dat is een grap! Ieder begrijpt dit.

Maar al kan zulk een kind, dat nog geen bewustheid van leven heeft, niet alles vertellen, dat het geboren is en dat het leeft en dat het die of die naam draagt, dàt het leeft wordt men gauw genoeg gewaar. Want het eerste teken van leven is: Schreeuwen! Als de moeder het kind maar hoort schreeuwen, dan is het voor de moeder een bewijs dat het kind lééft. Blijft bij de geboorte de schreeuw achterwege, dan staat men duizend angsten uit. Dan klemt de vraag: Zou het wel leven?

Zo is het nu ook geestelijk. Het eerste kenmerk van geestelijk leven is schreeuwen. Schreeuwen vanuit een droefheid naar God. Dat is een schreeuwen dat de wereld niet kent. Dit schreeuwen kent de rijke jongeling ook niet. Die is vergenoegd met zichzelf. Die gaat prat op alles wat hij doet en laat. Op die gronden, van doen en laten, bouwt hij het huis van zijn hoop voor de eeuwigheid. Doch het is een huis der spinnekoppen. Het wordt zo weggevaagd. Doch die door de Geest Gods wedergeboren worden, gaan schreeuwen om God. Zij zijn God kwijt. Die missen ze. En dat door eigen schuld. De grote kloof, die door de zonde geslagen is, wordt gezien. En die zouden ze zo graag overbruggen. Maar dat is aan hun kant een onmogelijke zaak. Dat wil niet zeggen, dat ze dat niet proberen. O zeker. Men stelt alles in het werk, om de Heere aangenaam te zijn. Men probeert de zonden te laten en het goede te betrachten. En dan komt men er achter dat dit geen gemakkelijke zaak is. Want de zonden die men laten wil, die vormen een macht, die zich gelden laat. Het vergaat zulk één dan als de kinderen Israëls in Egypte. Toen ze daar pas waren, was het er wel uit te houden. Ze zouden in Egypte gebleven zijn, als de Heere er niet aan te pas gekomen was. Om ze uit dat diensthuis uit te leiden, werd middellijkerwijs zelfs Farao gebruikt. Hij vernederde dat volk tot slaven, die zware arbeid moesten verrichten. En toen ze daaronder zochten vandaan te komen, toen werden de lasten nog zwaarder gemaakt. „Hij deed de kinderen Israëls dienen met hardigheid.” Toen was het voor hem niet meer een kwestie van „willen” werken voor Farao, maar van „moeten”. Zo kan het een wedergeborene ook vergaan. De helse Farao (ik schrijf zijn naam met een hoofdletter, maar tegen mijn zin, want waard is hij het niet), daar krijgen de wedergeborenen goed last van. Want hij komt er achter dat zijn gewillige dienaars van voorheen, onwillig geworden zijn. Hij dreigt ze te verhezen. En dat wil hij tot geen prijs. Hij zoekt ze met geweld te behouden. Daarom doet hij hen ook dienen met hardigheid. En dat heeft dan tot gevolg een roepen tot de Heere. Zij schreeuwen om van ’s vijands juk bevrijd te mogen worden. Niets zou hen liever zijn dan dat.

Maar ik bemerk, dat ik voor ditmaal weer eindigen moet.

Als je met al deze dingen te stellen hebt, denkt dan maar eens aan dit versdeel: Al laagt g’ o Israël als weleer; Gebukt bij tichelstenen neer enz. Ps. 68.

Uw aller vriend

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.