+ Meer informatie

DE BETEKENIS VAN HET GENADEVERBOND

9 minuten leestijd

Een voorpublikatie uit een nieuwe dogmatiek

In april van dit jaar wordt de verschijning van een nieuwe dogmatiek verwacht. Op het titelblad komt te staan: dr. J. van Genderen/dr. W.H. Velema, BEKNOPTE GEREFORMEERDE DOGMATIEK, Uitgeversmaatschappij J.H. Kok - Kampen 1992.

Het gaat om een boek van naar schatting ongeveer 600 bladzijden, dat 15 hoofdstukken heeft, die elk weer in paragrafen verdeeld zijn. De gehele gereformeerde dogmatiek wordt erin behandeld.

Het is geen leesboek, maar het is wel als een leesbaar boek bedoeld. Met behulp van de registers kan het ook als een naslagwerk gebruikt worden.

Zoals in het ”woord vooraf” staat, is het niet alleen voor theologen bestemd, maar ook voor anderen die over de vragen van het geloof willen meedenken. Om er de lezers van ”Ambtelijk Contact” een indruk van te geven, wordt hier met goedvinden van de uitgever een klein gedeelte gepubliceerd.

Het is ontleend aan het hoofdstuk over het genadeverbond, dat uit vijf paragrafen bestaat:

1. De ontwikkeling van de verbondsleer

2. Het verbond in de Heilige Schrift

3. De plaats van Christus in het genadeverbond

4. De verbondsrelatie

5. De betekenis van het genadeverbond.

Wat hier volgt is de laatste paragraaf, die korter is dan de andere vier en tegelijk een van de beknoptste van de gehele ”Beknopte gereformeerde dogmatiek”. Ter wille van de overzichtelijkheid is de stof weer verdeeld over vier subparagrafen, waarvan de eerste betrekking heeft op de verhouding van verbond en kerk.

1. Verbond en kerk

In het genadeverbond gaat alles van de Here uit. Het is genade om tot het verbond te behoren en genade om in de zegeningen en weldaden van het verbond te delen. Het verbond met God wil ook zeggen, dat de verbondsrelatie een grote verantwoordelijkheid voor ons met zich meebrengt.

Het genadeverbond heeft een bepaalde plaats in de dogmatiek, maar het heeft tegelijk een uitstraling die zich daartoe niet beperkt. Wentsel noemt het een sleutelbegrip, dat bij elk onderdeel van de leer in rekening gebracht moet worden (Dogm., 3a. 220-223, 251). Er is op minstens vierderlei samenhang te wijzen.

Verbond en kerk hebben alleen al daarom alles met elkaar te maken, omdat Christus, de Middelaar van het verbond, het Hoofd van zijn gemeente is.

Zoals wij nog zullen zien, is de kerk het volk van God, het volk dat God toebehoort. Dat is een aanduiding die in het kader van de verbondsleer past, maar die ook een belangrijke functie heeft in de leer van de kerk. Israël is in de oude bedeling het verbondsvolk en de verbondsgemeente. Het zal een koninkrijk van priesters en een heilig volk voor de Here zijn. De grondslag daarvoor is het verbond, dat Hij met het volk sloot en dat het heeft te bewaren (Ex. 19: 5, 6). Zo staat ook de nieuwtestamentische gemeente op de basis van het verbond met zijn beloften en eisen (zie 1 Petr. 2: 9, 10).

In de H.C. worden verbond en gemeente in één adem genoemd (Zondag 27). Hier is de gemeente de verbondsgemeente, waarvan de gelovigen en hun kinderen deel uitmaken. Maar kerk en verbond vallen niet samen. Van de kerk geldt, dat Christus haar door zijn Geest en Woord vergadert (Zondag 21). Niet alle kinderen van het verbond laten zich echter bijeenvergaderen in de eenheid van het ware geloof om één geloofsgemeenschap te zijn in de zin waarin de belijdenis erover spreekt (vgl. N.G.B., art. 27).

Evenmin als bij het verbond mogen wij bij de kerk uitgaan van de mens. De God van het verbond geeft ons een plaats in de kerk, die wij daarom niet mogen verlaten, als het ons ergens anders meer bekoort.

Achter elke reformatie van de kerk staat de trouw van God, die aan zijn verbond gedenkt. Zoals bij de hervorming in de tijd van Josia (2 Kron. 34: 29-33) gaat het bij elke werkelijke reformatie om een terugkeer tot het verbond. Hij, die de Getrouwe is, vraagt niet alleen, dat zijn volk Hern trouw zal zijn, maar brengt het er ook toe om trouw te leven bij de beloften en eisen van zijn verbond.

2. Verbond en sacramenten

Door de doop en het avondmaal worden de beloften van het evangelie voor ons verduidelijkt en jegens ons verzegeld. Tot die beloften behoren alle beloften van het verbond. De besnijdenis, die eens het teken en zegel van het verbond was, heeft haar vervulling gevonden in de doop, die de besnijdenis van Christus is (Kol. 2: 11, 12). Zie ook N.G.B., art. 34.

Als wij er niet van overtuigd waren, dat de verbondsbelofte voor de gelovigen en hun kinderen is, zouden wij moeten twijfelen aan het goed recht van de kinderdoop. Maar de belofte is ook voor de kinderen van de gemeente en daarom mogen ze niet alleen gedoopt worden, maar behoren ze ook gedoopt te wezen (doopformulier).

Wie de kinderdoop verwerpt, geeft er blijk van dat hij geen oog heeft voor de structuur van het genadeverbond. De tegenstanders van de kinderdoop gaan meestal op individualistische wijze voorbij aan de historische verbondsordening in de lijn van de geslachten, terwijl zij van hun kant de noodzakelijkheid van persoonlijk geloof accentueren.

Ook de eenheid van oud en nieuw verbond is hierbij in het geding. Het verbond der genade is door de eeuwen heen één verbond en de genade van God is in de nieuwe bedeling nog toegenomen. Anders zou Gods genade voor ons duisterder en minder betuigd zijn dan vroeger voor Israël. Men kan dit niet zeggen zonder Christus de grootste smaad aan te doen (vgl. Calvijn, Inst., IV, 16, 6).

Het avondmaal, dat de tafel des Heren is (1 Kor. 10: 21), wordt ook wel de dis van het verbond genoemd. Het is de verbondsmaaltijd, die gegrond is in het offer van Christus tot vergeving van onze zonden (zie Mat. 26: 28).

Terwijl de doop duidelijk maakt, dat alle heil van het verbond van God komt - wij worden gedoopt, ook als wij geen kinderen, maar volwassenen zijn - zien wij in het avondmaal iets van de tweezijdigheid van de verbondsgemeenschap, waarom het de Here in zijn verbond met ons te doen is. Daarom spreken W. Teellinck en anderen over de vernieuwing van het verbond bij de viering van het avondmaal (vgl. Van Genderen, 1983, 65v).

3. Het genadeverbond en de prediking

De woorden van Gods verbond moeten aan de gemeente verkondigd worden, omdat zij verbondsgemeente is. Het is in overeenstemming met het karakter van het verbond als genadeverbond, dat de belofte daarbij vooropgesteld wordt.

De prediking, die de bediening van de verzoening is (2 Kor. 5: 18), is ook de bediening van het verbond. De roeping door middel van het Woord is een wezenlijk element in de bediening van het verbond (vgl. Heppe, Dogm., 298).

Men kan met Trimp zeggen, dat de prediking de centrale gebeurtenis is in de verbondsomgang van God met ons1). Het komt erop aan, dat wij door het Woord aangesproken worden. De mens - de mens zoals hij is of zoals hij moet zijn of kan worden - zal niet in het middelpunt staan. Het gaat er allereerst om, wie de Here onze God is, wat Hij doet, wat Hij schenkt en wat Hij vraagt. Onze God wil, dat wij leven van zijn genade en tot zijn eer. Bij onze visie op het verbond moeten Gods beloften aan heel de gemeente en niet alleen aan een deel ervan verkondigd worden. Voor de gehele gemeente is het een appellerende prediking. Als de beloften van het verbond er waren om uitzicht te geven op de dingen van de toekomst, zouden we de vervulling ervan moeten verwachten. Nu het toezeggingen van God zijn, behoren ze gelovig aanvaard en toegeëigend te worden.

De belofteprediking is prediking van Christus, de Middelaar en Borg van het verbond. De verkondiging van het heil in Christus moet en zal weerklank vinden in zijn gemeente. Deze prediking van de belofte en van het evangelie komt tot iedereen met het gebod om zich te bekeren en te geloven (D.L., II, 5).

In de verbondsgemeente hebben we ermee te rekenen, dat niet alle kinderen van het verbond in het beloofde heil delen. Er zijn er die zich niet oprecht bekeren. De bijbelse verbondsleer leidt niet tot een idealistische gemeentebeschouwing! Er voltrekt zich een scheiding binnen het verbondsvolk, die aan het licht komt in de reacties op de roeping door het evangelie van Christus. Er moet dan ook een onderscheidend element in de prediking zijn2.

4. Het genadeverbond en het geloofsleven

In het verbond is en blijft de Here de Eerste. Genadeleven en genadeverbond is de titel van een boek (Moerkerken, z.j.). Genadeverbond en genadeleven is een volgorde van de woorden die principieel juister is. Het leven van genade is een leven uit Gods beloften, een leven des geloofs op de beloften, zoals Brakel het noemde (R.G., I, 1059-1090).

Gods beloften gaan aan ons geloof vooraf en liggen eraan ten grondslag. De beloften zijn op het geloof gericht en het geloof richt zich op de beloften. Calvijn zegt, dat het bij de belofte begint, daarop berust en daarin eindigt (Inst., Ill, 2, 29). Wij hebben te geloven wat God ons in het evangelie belooft. We denken aan een bekende formulering uit Zondag 7 van de H.C. Uit de toevoeging, dat de artikelen van ons christelijk geloof dat in een samenvatting leren, blijkt dat hier niet alleen de expliciete beloften uit het evangelie bedoeld worden, maar alles wat God ons volgens het evangelie wil geven.

Van gewone menselijke beloften kan gezegd worden, dat ze voor ons niet meer van direct belang zijn, wanneer ze in vervulling gegaan zijn. Met Gods beloften is het heel anders. Hij zegt in zijn Woord steeds opnieuw: Het is voor u. Op grand daarvan kan de gelovige met een vast vertrouwen zeggen: Dat heil is niet alleen aan anderen, maar ook aan mij uit louter genade en alleen om Christus’ wil geschonken (vgl. H.C., Zondag 7). Aan de beloften van Gods verbond, die in Jezus Christus ja zijn, mogen wij ons voor altijd vasthouden. Alleen wanneer wij er door Hem - en dat betekent ook: door het werk van zijn Geest - voortdurend amen op zeggen (vgl. 2 Kor. 1: 20), is er continuiteit in ons geloofsleven.

Noten

1) C. Trimp. Klank en weerklank. 1989. 52.

2) Zie W. Kremer. Priesterlijke prediking. 1976. 61-68; W.H. Velema. ”De toeëigening van het heil in de king”, in W.H. Veiema (eindred.), Delen in het heil. 1989. 57-64.

Afkortingen

D.L.: Dordtse Leerregels - H.C: Heidelbergse Catechismus - N.G.B.: Nederlandse Geloofsbelijdenis

Literatuur

In de tekst wordt verwezen naar boeken waarvan de volledige titel in een literatuurlijst opgenomen is: Brakel. R.G.: W. à Brakel, Redelijke Godsdienst. I - III (herdruk). 1881-1182.

Calvijn. Inst.: J. Calvijn. Institutie of onderwijzing in de christelijke godsdienst. meestal geciteerd naar de uitgave van A. Sizoo, 19492.

Van Genderen. 1983: J. van Genderen. Verbond en verkiezing. 1983

Heppe. Dogm H Heppe. Die Dogmatik der evangelisch-reformierten Kirche (hg von E. Bizer). 1935

Moerkerken. z.j.: A. Moerkerken. Genadeleven en genadeverbond. z.j.

Wentsel. Doom. B Wentsel. Dogmatiek. 1981.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.