+ Meer informatie

^ feuületjon

3 minuten leestijd

23Tante Daatje verbrak de stilte, door hem te zeggen dat hij moest doen wat zij hem gezegd had. En zij zag hem daarbij zó liefdevol en begrijpend aan, dat hij het met hese stem beloofde. Daarna' zocht hij houtskool en papier op en zette zich aan de tafel om te tekenen.

Met enkele lijnen, die onuitwisbaar zeker in 'zijn ogenprint gedrukt stonden, toverde hij het beeld van Anna Maartens te voorschijn. Maar toen na een poosje oom Wybrandt de kamer betrad, schoof hij de tekening ongemerkt tussen andere schetsen.

De volgende dag ontmoette hij Anna Maartens weer bij de schanskorf. Zij was nu niet bang meer voor hem, maar vertelde hem heel vertrouwelijk allerlei dingen. Ze was tien jaar oud, evenals hij; ze ging op een maïtressenschooltje, maar de joffer was al sedert enige dagen ziek en zodoende had zij vrijaf.

Anna troonde hem mee naar het pakhuis van haar vader en daar, tussen zakken en balen, die een scherpe geur van muskaat en peper verspreidden, vertelden zij elkaar dingen die in hun ogen heel belangrijk waren.

Na deze dag ontmoetten zij elkaar herhaaldelijk, meestal bij de stadsrand, maar ook wel op de markt of bij de vissershaven. Paulus zorgde er voor, de raadgeving van tante Daatje op te volgen en uit het gezicht van oom Wybrandt rt AC 4> OQ W.Oo te blijven; maar hij zei dit niet tegen het meisje.

In deze tijd ebde zijn verlangen om naar Amstelredam terug te keren geheel weg. Hij had het goed bij oom en tante en hij vond Enkhuizen een mooie stad. Hij wist nu ook het huis te staan waarin zijn moeder geboren was.

En bij de Steen, dicht bij de toren, stond het huis waarin hijzelf op de wereld gekomen was en heel lang geleden, vele jaren daarvóór, ook zijn vader. Ja, mooi was Enkhuizen en vriendelijk waren er de mensen.

Maar het vriendelijkst van allemaal was zijn vriendinnetje uit het huis waar Het gekfoonde Zeemonster uithing! Hij ging zich aan het bleke meisje hechten, vertrouwde haar al zijn geheimen toe, behalve het gezegde van tante Daatje. Er kwamen nu geen streepjes meer bij op de plank in de bedstede, hij telde de dagen niet af, zoals voorheen. Hij zwierf bijna dagelijks met Anna door de stad en Over de velden en hij dacht niet meer aan vertrekken.

Het gebeurde nog wel, dat hij aan moeder Aagje dacht en aan zijn vader, maar het grote heimwee scheen in hem verdwenen te zijn, sinds het meisje op zijn weg gekomen was.'

Op een keer tekende hij Anna uit, terwijl ze tegen een hek leunde, waarachter een paard stond te dromen, eerwaardig als een mediterende monnik. Het werd een mooie tekening én zijn vriendinnetje keek aandachtig naar zijn handen toen hij aan de afwerking ervan begon. Maar opeens liet ze haar lipje pruilend hangen en klaagdeze:

„Je maakt veel meer werk van het paard dan van mij!..."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.